groen

Klein

Van een tuin zie je aanvankelijk de omvang en de vorm, telkens weer. Je hoort de wensen van de baas of bazin aan. Je begint, en ziet al snel resultaat. Soms denk je dat je klaar bent, als je dan op je knieën gaat zitten, of met iets andere ogen kijkt, besef je dat je nog lang niet klaar bent. Je snoeit een paar takken van een vlier langs een pad in een windsingel en daar staat ineens een zuilvormige taxus, tamelijk klein. Nooit eerder gezien Door dat snoeien is al een andere vorm ontstaan, is ruimte gemaakt, nu blijkt ook de inhoud van de tuin anders te zijn dan je dacht, waardevoller. Zo'n Taxus baccata fastigiata kan een heel mooi ding zijn, misschien loont het de boel eromheen langere tijd vrij te houden? Dan blijkt pal naast de taxus iets hards in de grond te zitten, een grote stoeptegel. Een stukje verderop, wel twintig centimeter diep, nog een tegel. Hier was ooit een pad. Voor je het weet ben je twee uur verder en heb je een rond pad om een oud perk hersteld, tegels verslepend, struiken snoeiend. In het perk blijkt ook mooi spul te staan, overwoekerd door dovenetel. Je beseft dat je in plaats van eens in de twee weken twee dagen per week in deze tuin kan werken.
Ik heb een tuinman gekend die drie ochtenden in de week op zijn knieën zat, met een klein schepje en een klein harkje in zijn hand. Elk onkruidje trok hij afzonderlijk uit de grond. Terwijl om hem heen minstens een halve hectare tuin was, waarin grote ingrepen nodig waren. Hij zag het niet meer. Hij was onafwendbaar op zijn knieën gedrongen door het werk, was steeds kleiner gaan werken. Hij slaagde er niet in weer rechtop te komen om vorm en omvang te kunnen zien. Sprietje na sprietje, zwart emmertje vuil na zwart emmertje vuil, geen enkel oog voor het grote geheel meer. Zo kon het niet langer. Uiteindelijk is hij ontslagen door de bazen, die inmiddels midden in de natuur woonden. Op dat ene stukje na.