DE TUIN VAN DARWIN

Klein Galápagos

De flora en fauna rondom Darwins villa in Kent waren veertig jaar lang een bron van informatie en bewijs voor zijn theorieën.

DE TUIN SPEELT EEN niet te onderschatten rol in de Engelse intellectuele geschiedenis. De natuurkundige Isaac Newton, uitvinder van onder meer het kattenluikje, zag er de beroemde appel vallen, de tuinman in D.H. Lawrence’s Lady Chatterley’s Lover plantte het zaad voor de seksuele revolutie en John Constable’s Hooiwagen is volgens de Engelsen het op één na mooiste schilderij op Britse bodem. Ook voor Charles Darwin bekleedde de tuin een belangrijke functie. Voor de bioloog was het één groot laboratorium, zo benadrukt een nieuwe Darwin-tentoonstelling in het Londense Natural History Museum. Hij experimenteerde er, liep er peinzend rond en hield er zijn duiven.
Het eerste wat bezoekers op deze expositie zien, zijn twee van Darwins beroemde vinken, afkomstig van de verscheidende Galápagoseilanden. De variaties tussen deze twee zogeheten Darwin-vinken brachten de bioloog op het spoor van zijn latere evolutieleer. Het bezoek in 1835 aan deze bijzondere eilandengroep voor de kust van Equador was het hoogtepunt van de vijf jaar durende wereldreis die de jonge Darwin had gemaakt. Als onbezoldigde en zeezieke natuuronderzoeker voer hij mee met het zeilschip HMS Beagle. Dit avontuur was hem aangeraden door zijn mentor op Cambridge, de anglicaanse priester en botanist John Stevens Henslow, een van de twee dienaren van de anglicaanse kerk die een grote invloed hebben gehad op Darwins leven en werk. De andere was de demograaf en politiek-econoom Thomas Malthus, bekend van diens sombere Essay on the Principle of Population.
Bij terugkomst in Engeland vestigde Darwin zich in de Londense intellectuelenwijk Bloomsbury, om de hoek bij het British Museum. Echter na vier jaar verhuisde Darwin, geboren in het middeleeuwse marktplaatsje Shrewsbury, naar het heuvelachtige platteland van Kent. Hij kocht een villa in het gehucht Downe, indertijd op veilige afstand van de stedelijke drukte, maar inmiddels ruim anderhalve eeuw opgeslokt door de uitdijende Londense agglomeratie. Op de tentoonstelling komt het plattelandsleven van de bioloog ruimschoots aan de orde. Waar de wereldreis zijn ogen zou openen, daar zouden flora en fauna rondom Down House (Darwin hield hardnekkig vast aan de oude spelling van ‘Downe’) gedurende veertig jaar een bron van informatie en empirische bewijzen opleveren.
In de tuin legde hij een zandpad aan. Na het met zijn vrouw en kinderen doornemen van de post wandelde hij dagelijks, rond het middaguur, over dit ‘thinking path’. Kastanjebomen en linden beschermden de bioloog, geplaagd door een zwak gestel, tegen regen, wind en de brandende zon. In de tuin dacht hij na over het leven, van de witte kool tot de wormen, van de mussen tot de mollen, van de slakken tot de spreeuwen. Tijdens zo’n wandeling zag hij hoe de hegpeterselie, op zoek naar een geschikter klimaat, naar een lager gelegen plek was ‘geëmigreerd’. Volgens sommige onderzoekers was dit voor Darwin een eureka-moment, te vergelijken met Newtons vallende appel.

Als speciaal onderzoeksobject koos Darwin een diersoort die voortreffelijk aansloot bij het Victoriaanse tijdperk: duiven. Hij bouwde een duivenhok waarin op een gegeven moment negentig duiven huisden. Naast de rotsduiven, de oervaders van het duivendom, vlogen er ook stadsduiven, postduiven, ‘weerhaakduiven’, jacobijnduiven, Engelse kroppers, pauwstaartduiven en kerkduiven rond. Groot was zijn verdriet, en woede, toen de kat van dochter Etty bleek te hebben huisgehouden in het duivenhok, met fatale afloop. Maar ook dode duiven hadden hun waarde, getuige de duivenschedels in zijn studeerkamer.
Het fokken van duiven was de snelkookpan voor zijn natuurlijke selectie. Om zo veel mogelijk te leren werd Darwin lid van enkele duivenclubs, waaronder de Philoperisteron Club, een sierduivenvereniging waar een ballotagesysteem werd gehanteerd en wier leden bijeenkwamen in de Freemason’s Tavern. Prijzen en vluchten interesseerden Darwin niet, maar de verschillen tussen de honderden soorten des te meer. Darwin leerde graag van duivenmelkers en -fokkers. Als een ouderwetse geleerde legde hij wel vaker zijn oor te luisteren bij ‘amateurs’, zoals dierentuinpersoneel, hoveniers en zijn kapper, die racehonden fokte. Hij schreef duizenden informatieverzoeken aan boswachters, geologen en biologen.
In zijn boek Darwin’s Garden beweert Michael Boulter, als professor in de paleobiologie verbonden aan het Natural History Museum, dat de onzekere Darwin vertrouwen kreeg door de observaties in zijn achtertuin. Immers, jarenlang had hij ertegenop gezien om als ongediplomeerd bioloog – hij had met tegenzin medicijnen gestudeerd – bevindingen te publiceren die het vak biologie voorgoed zouden veranderen, evenals de geloofwaardigheid van het christendom, waar zijn vrouw zoveel waarde aan hechtte.
Een kleine twintig jaar nadat hij zijn intrek had genomen in Down House zag in 1859 eindelijk On the Origin of Species het licht. Het boek veroorzaakte een schok. Boulter vergelijkt de werkwijze van Darwin met de sluwe en stille manier waarop dier- en plantensoorten gebruikmaken van de voorhanden zijnde mogelijkheden: ‘Ik denk dat Darwin hetzelfde deed met zijn tuin – hij bewoog zich langzaam voorwaarts, vaak in een slakkentempo, maar uiteindelijk vond hij het juiste antwoord.’ De tuin rond Down House was het Britse Galápagos.

Darwin is te zien tot 19 april. Toegang: £ 9. Het pas gerenoveerde Down House wordt op 13 februari heropend