Klein geluk

Soms probeer ik te doen alsof het Nederlandse boek dat ik lees eigenlijk een vertaling is, uit het Roemeens bijvoorbeeld. Het is net zoiets als een appel in partjes snijden en iedere keer een partje savoureren alsof het een vreemde vrucht is.

Het boek wordt er beter op, de appel lekkerder. De verpletterende dagelijksheid komt iets meer op afstand te staan.

Ik weet niet of het echt klopt, maar ik heb het idee dat ik steeds vaker boeken onder ogen krijg die beginnen aan de eettafel. Er is iets met de vader of de moeder van de verteller, of met allebei. De verteller is ongelukkig, hij of zij wil weg van huis, maar dat gaat niet zonder pijn. Ik kijk op de achterflap naar de foto van de schrijver, de leeftijd. Toch ook weer niet piepjong.

Een paar weken geleden schreef Rosanne Hertzberger een column in NRC over de obsessie met geluk die iedereen tegenwoordig in zijn greep lijkt te hebben. Het gebod is genieten tot de dood erop volgt, want als die dood écht nabij is hebben mensen spijt niet genoeg genoten hebben. Hertzberger voorspelde dat als haar leeftijdgenoten over zestig jaar op sterven liggen ze er vooral spijt van zullen hebben geen ‘grotere dingen’ te hebben nagejaagd. Dat ze het alleen maar druk hebben gehad met ‘gelukkig worden’, het tevreden zijn met de kleine dingen van alledag. Met naar hun kinderen staren.

Een beetje meer ambitie in het verkennen van onbekende horizonten zou welkom zijn

Ik weet het nooit zo met dat onderscheid maken tussen de grote en de kleine dingen, maar ik dacht wel meteen aan die eettafel. Hoe onverwacht groot de wereld van het Hollandse binnenhuisje ook zomaar kan zijn, uiteindelijk wil je toch dat een schrijver je iets vertelt of laat zien waar je zelf nog geen voorstelling van had, of wat je nog niet eerder zo onder woorden gebracht zag. En niet dat het verlaten van het ouderlijk huis tot op meer dan volwassen leeftijd de the main thing blijft. Een beetje meer ambitie in het verkennen van onbekende horizonten zou welkom zijn. Is Nederland daar fysiek te klein voor, of is het een kwestie van literaire traditie?

Ik geef toe dat ik net twee Amerikaanse giganten achter de kiezen heb. Eindelijk las ik The Secret History van Donna Tartt, de bestseller uit 1992 van de toen 29-jarige schrijfster. Een conventionele roman – sprak zij nuffig –, slim gestructureerd, maar vooral indrukwekkend breed uitwaaierend in verhaallijnen, personages en leefwerelden. Waar ik de Nederlandse schrijver er nogal eens van verdenk zijn toevlucht te nemen tot de witregel om complexe situaties en emoties niet te hoeven beschrijven, geeft zij de lezer álles: de demonen, de drankgelagen, de gesprekken, de begrafenis, de ruzies, de toenemende paranoia, en ook nog eens de bomen, de kou, de sneeuw.

In de overtreffende trap geldt dat voor die actuele bestseller, geschreven door een veertigjarige Amerikaanse van Hawaïaanse afkomst. Net als Tartts roman een verhaal over een groep vrienden die het ouderlijk huis verlaat en volwassen wordt, cirkelend om het mysterieuze lijden van een van hen. Ik vond het knap en plat, bespottelijk en gênant, zozeer als alle misère wordt uitgespeld en uitgeschreven. Te meer omdat mijn shirt traandoorweekt was toen ik het boek dichtsloeg. En toch gaat A Little Life van Hanya Yanagihara, om met Hertzberger te spreken, in feite ook om niet meer dan het zoeken naar persoonlijk geluk, en het proberen te genieten van de kleine dingen. Er is geen enkele referentie aan de echte, grote wereld, als je de grote wereld beschouwt als een strijdtoneel waarop torens neergaan. Wel komen we precies te weten waarin ieders persoonlijke ambitie schuilt, ieders angst, verlangen. Wat er wordt gegeten, en gedronken, waarom er wordt gelachen en geschreeuwd, tot in ieder feestelijk en gruwelijk detail. Er vloeit zo ongelooflijk veel bloed in dit boek, ik wist niet dat het bestond, maar ik zal het nu niet licht meer vergeten. Dat een boek je bijblijft, dat is toch wat je mag verlangen.