Klein krijgen

De een na de ander om me heen wordt van zijn sokkel getrokken. Schrijvers, critici, regisseurs, grappenmakers… Mensen met wie ik ben opgegroeid, wier werk ik heb leren beschouwen, met wier stukjes ik week in week uit te dealen had, die ik serieus heb moeten nemen, waar ik bang voor was zelfs. Wat moet ik ervan vinden dat ze blijken te kunnen verdwijnen? Moet ik opgelucht zijn?

Het schijnt dat je gehecht kunt raken aan je kwelgeesten. Sommige mensen trouwen er zelfs mee. ‘Hij houdt me scherp’, heet het dan. Je hoeft niet direct een masochist te zijn om juist voor een aai van je beul gevoelig te zijn. Stel je voor dat je het vriendinnetje bent van Hans Teeuwen, dacht ik vroeger. Dan ben je binnen.

Ik dacht dit letterlijk: dan ben je binnen.

Wat dat nou weer was? Ik denk dat ik ervan uitging dat er zoiets bestond als een officieel brandmerk, alleen aan te brengen door de grootste plaaggeesten van deze aarde. Hij boosaardig grappig, ik kennelijk onderhoudend genoeg dat hij mijn nabijheid kan verdragen. Zoiets moet het zijn geweest. En nog iets. Het had met nieuwsgierigheid te maken, iemand uit de kleren willen krijgen in de hoop hem op zijn ware gedaante te betrappen. Die ware gedaante vervolgens de baas kunnen worden.

Zolang gedacht dat het er allemaal bij ­hoorde, dat het een soort ­folklore was

Ik typ dit rillend, iets tussen huiverend en lachend in. Ik denk aan de vriendinnen die ik had, die om die reden naar bed gingen met de engste types. Om ze klein te krijgen, al klinkt dat nu wat eh… paradoxaal. De verhalen na gedane zaken waren om te gillen en te huiveren. Condooms knapten, of juist helemaal niet. Ik herinner me de ene vriendin die altijd een handtasje bij zich had, in een fase in het vrouwenbestaan dat het laatste wat je bij je had een handtasje was. Sinds een onverwachte encounter in de trein met een gevreesd filmregisseur had ze permanent een ‘verschoninkje’ bij zich. Een Frans tasje noemde ze het.

De filmregisseur is alweer een tijdje dood, en Hans Teeuwen loopt op straat. Ik denk dat ik een blokje om zou gaan als ik hem zou tegenkomen, bang dat hij iets naar me schreeuwt.

Voor de criticus die nu van zijn sokkel lijkt te tuimelen, was ik al heel lang bang. Daarvoor hoefde hij me niet te mailen of te appen, of mee uit lunchen te nemen. We groetten elkaar niet eens, terwijl we ons toch al honderd jaar in hetzelfde kleine wereldje bevonden. Vanwaar die angst? Een bevriend schrijfster zei dat hij daarop uit was. Hij wilde boven alles een gevreesd criticus zijn. Ja, misschien was dat het. Hij had er plezier in schrijvers te vernederen, het liefst op de dag dat die hun feestje hadden. De aanleiding kon van alles zijn, een formulering in de flaptekst, een komma waar die volgens hem niet thuishoorde, een afbrekingsfout op pagina 68. Wat het ook was, zijn oordeel had vaak niet zo veel met het boek te maken, en dat maakte deel uit van zijn schrikbewind: de grilligheid en onvoorspelbaarheid van wat hij vond. De schrijvers met gevestigde reputaties of een groot lezerspubliek probeerde hij eronder te krijgen. Als hij iemand als eerste of enige omhoog kon tillen, meestal jonge schrijfsters of knappe vrouwen in Scandinavië, kon zomaar de superlatievenla opengaan. En dan was er nog een categorie die op zijn ballen kon rekenen: de schrijver die hij kon interviewen in een boekhandel of op het podium van de schouwburg.

Nu ik het zo op een rijtje zet, klinkt dit steeds minder als een gevreesd criticus. Meer als een kleine man wiens macht werd bepaald door de grootte van zijn podium, een landelijk dagblad waarin hij decennialang, week in week uit, achterover kon leunen. Hij hoefde alleen maar die duim te bewegen: omhoog, omlaag. Wiens macht zomaar kan ineenschrompelen na één opmerking van een schrijfster voor datzelfde landelijke dagblad.

De tijd is rijp heet het dan. Zolang gedacht dat het er allemaal bij hoorde, dat het een soort folklore was. De volgende valkuil wacht ons: dat we hem zielig gaan vinden.