Nederlands grootste luchtvervuilers

Klein maar niet fijn

Elk jaar sterven in Nederland vijfduizend mensen te vroeg door luchtverontreiniging. Toch gaat de schadelijke uitstoot door industrie en landbouw gewoon door of neemt zelfs toe. ‘Wij hebben geen fijnstof’, zegt een grote vervuiler.

Medium sentinel 5p sees nitrogen dioxide over europe
Een van de eerste, nog niet gevalideerde beelden van de Sentinel-5P-satelliet. Stikstofdioxide in Nederland en Midden-Europa op 22 november 2017 © Contains modified Copernicus data / Processed by KNMI

‘Ik kan al weken niet sporten’, verzucht Theo (50) in Amsterdam. Hij klinkt kortademig. Als astmapatiënt heeft hij veel last van de smog die dit najaar bij droog en windstil weer als een doorzichtige deken over Nederland hangt. De app Luchtkwaliteit, ontwikkeld in opdracht van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (rivm) en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, geeft voor zijn woonplaats al dagen code 5 (‘matig’) aan. Met daaraan gekoppeld het advies voor mensen die gevoelig zijn voor luchtverontreiniging: ‘Overweeg dan lichamelijke inspanning te verminderen.’

Luchtvervuiling? De burger past zich maar aan! Maar hoe zit het eigenlijk met de grootste veroorzakers? Industrie en landbouw stoten samen meer gif uit dan het verkeer. Wat doen zij voor onze gezondheid? Het antwoord is: niet meer zo veel. Terwijl in de periode 2005-2012 de uitstoot van fijnstof door de industrie en het vervoer sterk afnam, vooral door de toepassing van katalysatoren en roetfilters, is de laatste vier jaar die daling verminderd. Er wordt zelfs stabilisatie verwacht. En bij de grootste industriële vervuilers is weer sprake van een toename van luchtvervuiling, blijkt uit ons onderzoek (zie kader). In de periode 2012-2015 steeg de totale uitstoot van deze industriële bedrijven van 3,43 miljoen kilo naar 3,67 miljoen kilo, een stijging van 7 procent.

Hoewel afgelopen jaren veel aandacht ging naar het verminderen van luchtvervuiling door het verkeer en de landbouw werd de industrie door de politiek met rust gelaten. Alle grote Nederlandse bedrijven voldoen aan de Europese normen voor luchtvervuiling, anders zouden ze van ons geen vergunning hebben gekregen, zegt de overheid. Maar wat als die eisen niet voldoende blijken?

Wat zijn de grote vervuilers bij jou in de buurt? Op deze kaart staan alle grote industriële bedrijven met hun uitstoot vermeld, uitgesplitst naar PM10 en PM2,5. De blauwe markers zijn de officiële meetstations van het RIVM.

In Nederland sterven volgens het rivm jaarlijks vijfduizend mensen vroegtijdig door luchtvervuiling. Eén op de acht mensen in de wereld gaat te vroeg dood door hartproblemen, luchtwegaandoeningen en kankers die het gevolg zijn van fijnstof. De Wereldgezondheidsorganisatie (who) noemt fijnstof ‘veruit de grootste milieubedreiging voor de mens’.

Bij gezonde mensen kan fijnstof al ademhalingsklachten veroorzaken, maar voor de ruim 1,2 miljoen mensen in Nederland met een longaandoening (astma, bronchitis, longemfyseem of copd) betekent het een nog verdere achteruitgang van hun zuurstofcapaciteit. Als ze zich dan ook nog eens minder gaan inspannen, zoals de app hun adviseert in geval van ernstige luchtvervuiling, dan krijgen hun spieren nóg minder zuurstof. Daarom baalt Theo dat hij niet kan sporten.

Fijnstof bedreigt niet alleen je longen, maar alle vitale organen. Afhankelijk van de dikte van het deeltje maakt het een reis door je lichaam. Grote deeltjes komen meestal niet verder dan je neusharen en worden met het slijmvlies weer naar buiten afgevoerd. Bereiken ze toch je luchtpijp, dan is een keer hoesten genoeg om ze te verjagen. Maar deeltjes kleiner dan tien micrometer, de zogenaamde PM10 (zie kader), glippen makkelijk door de defensie. Hun volgende halte zijn de longen.

Het gemeenst zijn de ultrakleine deeltjes, kleiner dan 2,5 micrometer (PM2,5). Die blijven niet in de longen. ‘Ze kruipen binnen in de longblaasjes van de lucht in het bloed’, zegt Michael Rutgers, directeur van het Longfonds. ‘In de bloedbanen gedragen ze zich vervolgens als cholesterolvangers die vetten aan zich binden. Het volgende is dat deze klonters vaatvernauwingen, hartaanvallen en herseninfarcten veroorzaken.’

Bij kinderen is vastgesteld dat niet alleen de ontwikkeling van hun longen, maar ook die van hun hersenen kan achterblijven door luchtvervuiling. En dan spreken we niet over extreme vervuiling, maar over niveaus die in alle Europese steden worden gemeten. Andere onderzoeken wijzen op verbanden tussen vuile lucht en dementie, vroeggeboorten en longkanker.

Wat is fijnstof?

Fijnstof is een ander woord voor zwevende deeltjes – voor het oog onzichtbare materie die in de lucht om ons heen zweeft. Wetenschappers duiden de deeltjes aan met ‘PM10’: ‘PM’ staat voor particulate matter en de 10 voor tien micrometer. Dat wil zeggen dat de deeltjes kleiner zijn dan een honderdste millimeter, oftewel vijf keer dunner dan een mensenhaar. Sommige van die deeltjes zijn volkomen natuurlijk, zoals waterdamp, zeezout, bodemstof en stuifmeel van planten. Andere worden door de mens in de lucht gebracht en zijn een stuk minder onschuldig. Deze komen vrij bij verbranding (in industriële processen, houtkachels, motoren, sigaretten, vuurwerk), wrijving (zoals vermaling van stoffen en slijtage van autobanden) en verstuiving (het uitmesten van stallen en het overladen van stoffen in de havens). In die gevallen spreken we van luchtvervuiling.

Fijnstof komt niet alleen uit een schoorsteen of een uitlaat, veel vaker ontstaan de gevaarlijke deeltjes pas in de lucht, door een chemisch proces waarbij diverse moleculen samenklonteren. Van stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), ammoniak (NH3), vluchtige organische stoffen en ozon (O3) weten we dat ze zich tot vaste deeltjes kunnen verbinden.

‘Ammoniak van de landbouw en nitraat en stikstofdioxide van het verkeer en de industrie vormen samen de meeste fijnstof in Nederland’, zegt professor meteorologie en luchtkwaliteit Maarten Krol van de Universiteit Wageningen. ‘Zeg maar: waar de stad en het platteland elkaar ontmoeten, daar ontstaan de problemen.’

Overigens is het niet zo dat wat wij hier inademen ook allemaal afkomstig is van Nederlandse bedrijven: naar schatting tweederde van het fijnstof in Nederland komt uit naburige landen. Daar staat tegenover dat ze om ons heen last hebben van wat de wind uit Nederland meebrengt. En het is geen eerlijke ‘ruil’: Nederland is netto exporteur van fijnstof.

‘Mijn balkon wordt wekelijks bedolven onder fijnstof en na een fikse regenbui blijft er een dikke, vette laag achter op de balkonvloer, het tuinameublement en de ruiten’, schrijft ‘stadsmopperaar’ Dirk Tempelaar op de website van Hoek van Holland magazine. ‘Ook de vaste vloerbedekking heeft bij menigeen, door het stof, flink te lijden’, gaat hij verder. ‘Meermalen per jaar dient het gereinigd te worden, maar geen bedrijf, geen overheid, geen gemeente of platform betaalt de rekening.’

Hoek van Holland is inderdaad een van de vuilere plaatsen van Nederland, zo blijkt uit ons onderzoek, en kent concentraties vergelijkbaar met stedelijke straten met druk auto- en vrachtverkeer. Bij zuidwestenwind krijgt het Rotterdamse buitengewest de volle laag van de industrie aan de overkant van de Nieuwe Waterweg. De mega-uitstoters BP, Archer Daniels, Ertsoverslag en Europees Massagoed Overslag stoten jaarlijks een half miljoen kilo fijnstof PM10 en 250 ton PM2,5 uit. Kleinere uitstoters GDF Suez, eon ag en ebs dragen jaarlijks een kleine honderdduizend kilo PM10 en vijftigduizend kilo PM2,5 bij. Ook de scheepvaart van en naar de grootste haven van Europa levert een ‘zeer significante’ bijdrage aan de uitstoot van NOx, blijkt uit onderzoek.

‘Dacht u nou echt dat premier Rutte en consorten zich druk zullen maken over de door ons opgelopen fijnstoflongen of over de astma-aanvallen bij veertien procent van de kinderen in het Rijnmondgebied?’ verzucht Tempelaar in zijn brief. En hij heeft gelijk, de gezondheidsproblemen door fijnstof zijn in zijn regio niet misselijk. De gemeente Rotterdam stelt zelfs dat de inwoners gemiddeld een anderhalf jaar lagere levensverwachting hebben, voor een belangrijk deel veroorzaakt door luchtvervuiling.

Sommige bedrijven doen ondertussen alsof hun neus bloedt. ‘Wij hebben geen fijnstof’, zegt een woordvoeder van kunstmestfabriek Yara Sluiskil. Uit de cijfers die wij uit de databank van het rivm haalden, blijkt echter dat het bedrijf in tien jaar tijd juist 35 procent meer fijnstof uitstootte. Daarmee geconfronteerd zegt de woordvoerder dat het gaat om de uitstoot van ureumstof, dat volgens hem minder schadelijk zou zijn. De Groene is overigens niet welkom voor een bedrijfsbezoek bij de grootste kunstmestproducent van Nederland.

Ook olieraffinaderij BP in Rotterdam wil ons niet ontvangen als we een verklaring vragen voor de uitstootstijging van 25 procent in de afgelopen tien jaar. Het bedrijf wijst alleen op de sterke daling van 1990 tot 2005, de periode ervoor. Collega-olieproducent Esso, dat in 2015 negentienduizend kilo uitstootte, meldt dat de ‘fijnstofemissies van de ExxonMobil-raffinaderij in de Botlek relatief laag zijn’. Het bedrijf suggereert dat de stijging van de uitstootcijfers in de laatste jaren veroorzaakt wordt door betere metingen. En: ‘Een werkbezoek valt helaas niet binnen de mogelijkheden.’

In de top-vijftien van grootste luchtvervuilers (zie tabel) staan ook opvallende dalers. Tata Steel in IJmuiden laat bijvoorbeeld al tien jaar een dalende lijn zien, doordat de nieuwste technieken worden toegepast om de uitstoot te beperken. Echter, elf van de vijftien bedrijven stootten in de laatste vier jaar juist meer uit. Het opnieuw opstarten van de kolengestookte Amercentrale van Essent, met bijstook van biomassa, zorgde in 2014 bijvoorbeeld onmiddellijk voor 83.000 kilo extra fijnstof in de lucht. En het is niet alleen de industrie die meer gevaarlijke lucht uitstoot.

Medium fijnstof uitstoot
© beeld: Bas Schipper
Bij kinderen kan de ontwikkeling van hun longen en hun hersenen achterblijven door lucht­vervuiling

‘Als je in Brabant een huis koopt, moet je eerst goed kijken waar de wind vandaan komt.’ In café de Potdeksel op de markt van Deurne heeft Cyril Hoevenaars het niet over zware industrie, maar over die andere source of environmental evil: de landbouwsector. De afgelopen 25 jaar is het fijnstof uit de Nederlandse veehouderij met dertig procent toegenomen. Grootste boosdoener: de pluimveesector. Door de overgang van stalkippen naar scharrelkippen is de uitstoot in die subsector meer dan verdubbeld. Uit meerdere studies van het rivm blijkt de intensieve veehouderij de oorzaak van ongeveer 119 extra patiënten met een longontsteking per jaar per honderdduizend mensen in het onderzochte gebied, ongeveer 7,2 procent extra patiënten. Een rivm-rapport stelde zelfs dat er per honderdduizend bewoners 150 op de vijftienhonderd longontstekingen vermijdbaar waren bij afwezigheid van pluimveebedrijven. Dat treft veel Nederlanders: volgens cijfers van het Kenniscentrum Veehouderij en humane gezondheid wonen er in Nederland bijna een miljoen personen op minder dan één kilometer van een pluimveebedrijf.

Hoevenaars maakt zich dan ook grote zorgen. Zijn vrouw werd ernstig ziek door een mestverwerkingsfabriek dicht bij hun huis, die niet de nodige milieuvoorzieningen had. Schadelijke stoffen vlogen in de richting van hun huis. Het maakt de Brabander zichtbaar nog steeds erg kwaad. ‘Politici moeten nou eens gaan beseffen dat de intensieve veehouderij een nationaal in plaats van een Brabants of Gelders probleem is. Er vallen doden in Amsterdam door de veehouderij in Brabant!’ De veehouderij stoot namelijk niet alleen ‘primair fijnstof’ uit, maar ook ammoniak dat in combinatie met oxiden uit verkeer zorgt voor een zeer klein type ‘secundair fijnstof’. Omdat ammoniak honderden kilometers ver kan reizen, is er hoogstwaarschijnlijk secundair fijnstof aanwezig in de Randstad afkomstig van de Brabantse landbouw.

Uit een meting in Parijs in 2014 bleek dat vijftig procent van het aanwezige fijnstof (het kleinste en meest schadelijke type PM2,5) afkomstig was uit de landbouw. De politiek houdt de landbouwsector echter een hand boven het hoofd. Het rivm weigert De Groene wegens privacy-redenen een lijst te geven met de grootste landbouwuitstoters, terwijl het dat bij de industrie wél doet. Alleen de lijst met circa vijftig overtreders van de fijnstofnorm voor landbouwbedrijven wordt vrijgegeven, zonder dat de hoeveelheid uitstoot daarbij vermeld is.

Top 15 fijnstof door industrie

Uitstoot in kilo’s PM10, stijging 2012-2015

1. Tata Steel IJmuiden BV 695933 -21%
2. Yara Sluiskil BV 423625 -24%
3. Europees Massagoed Overslagbedrijf 219000 9%
4. Ertsoverslag Europoort 139400 8%
5. BP Rotterdam Refinery 126064 134%
6. Dow Benelux BV (Hoek) 112065 -5%
7. Shell Nederland Raffinaderij BV 111452 -7%
8. Int. Graanoverslag Amsterdam 91999 19%
9. Archer Daniels Midland Europoort BV (ADM) 91024 26%
10. OBA Bulkterminal Amsterdam 89359 8%
11. Brabant Alucast International 88000 nieuw
12. Essent (Amer) 83858 nieuw
13. EBS Terminal Laurenshaven 80000 18%
14. Cargill Benelux BV 74070 26%
15. Aluminium & Chemie Rotterdam BV 68940 7%

De europese Sentinel-5P-satelliet zweeft nog maar twee maanden achthonderd kilometer boven de aarde en de eerste door het knmi vrijgegeven beelden hebben nu al een schok teweeggebracht. ‘We hadden vorige week echt een wauwmoment toen we de kwaliteit van de eerste metingen zagen’, zegt Pepijn Veefkind, die als hoofdonderzoeker bij het knmi verantwoordelijk is voor het Tropomi-instrument dat het weerkaatste zonlicht analyseert op kwalijke gassen. Als eerste werden de kaarten met de uitstoot van NO2, een belangrijke bouwsteen van fijnstof, publiek gemaakt. In Europa (zie kaart) springen het Ruhrgebied, de Po-vlakte én een groot deel van Nederland eruit vanwege de hoge gemeten concentraties NO2. ‘De beelden zijn zo scherp, je kunt nu heel goed de pluimen zien die door de grote steden en de industrie veroorzaakt worden’, constateert Veefkind.

Natuurlijk was de hoge mate van vervuiling in veel gebieden zelf wel bekend, erkent Veefkind. ‘Iedereen die wel eens bij mooi weer van Schiphol vertrokken is, heeft die bruinige deken wel zien liggen, dat is NO2.’ Maar met de satelliet kunnen metingen wereldwijd vergeleken worden, ook omdat hiermee alle discussies over meetmethoden verleden tijd zijn. De nieuwe metingen kunnen zo aanzetten tot de verificatie van Europees beleid, hoopt Veefkind.

Dat beleid vindt zijn oorsprong zelfs al in 1952. In december van dat jaar onderging Londen uitzonderlijke weersomstandigheden: het was bijzonder lang windstil, waardoor een laag warme lucht de koude lucht eronder vijf dagen gevangen kon houden. De Londenaren gooiden nog wat extra kolen op hun haarden en ook de kolencentrales rond de stad zetten een tandje bij. De zwaveldioxides en stikstofoxiden die daardoor vrijkwamen, konden geen kant op en begonnen de straten en pleinen te vullen met een dikke bruingroene rook – ‘erwtensoep’ zeiden de Londenaren laconiek. ’s Avonds konden ze soms geen meter voor zich uit kijken. Mensen schuifelden voetje voor voetje van hun werk naar huis. In die week overleden er vierduizend mensen, vooral kinderen en bejaarden, door de smog. In de weken erna zou dat aantal verdrievoudigen.

‘The Great Smog’ van Londen was aanleiding voor de eerste serieuze beleidsmaatregelen tegen luchtvervuiling, in Engeland en in Europa. De volgende aanmoediging kwam uit Zweden, dat begin jaren negentig onderhandelde over toetreding tot de EU. Dezelfde stoffen die bij de smog in Londen een rol speelden, zwavel en stikstof, veroorzaakten ook zure regen en een enorme bomensterfte elders in Europa. Zweden zag zijn bossen verpieteren door de industrie in onder andere Engeland, Nederland en Duitsland, en eiste strenge maatregelen van de EU.

Tien jaar geleden bestonden er in de EU zelfs verschillende richtlijnen tegen luchtvervuiling. In 2011 werden deze overzichtelijk gebundeld en geactualiseerd in de Richtlijn Industriële Emissies. Het doel is om alle gevaarlijke stoffen die de industrie in de lucht en in het water brengt drastisch te verminderen, van fijnstof tot CO2. Het belangrijkste instrument is een lijst van zogenoemde ‘beste beschikbare technieken’ (best available techniques, of bat’s). Per industrietak bekijken vertegenwoordigers uit de bedrijven samen met overheden en milieuorganisaties welke economisch rendabele technieken (bijvoorbeeld soorten filters) er op dit moment voorhanden zijn. De schoonste technieken komen op de lijst en worden dwingend aan alle bedrijven in de EU voorgeschreven.

Ook de Nederlandse industrie moet aan die best available technieken voldoen. Nederland liep zelfs op de richtlijn vooruit: in het ‘Actieplan Fijnstof en Industrie’ uit 2008 beloofden de bedrijven al om elkaars beste technieken over te nemen. Sindsdien is er geen nieuw beleid gemaakt voor de industrie. Bij het verlenen of verlengen van een vergunning kijkt de overheid of het bedrijf aan de technische eisen voldoet. En that’s it.

De gestaag dalende lijn tot 2012 in onze grafiek is zonder twijfel het gevolg van alle filters en andere maatregelen die de industrie op aandringen van Den Haag en Brussel heeft geïnstalleerd. Maar waarom vlakt de lijn vanaf 2012 plots af? Voldoen alle bedrijven vanaf dan aan de strengste normen en valt er niks meer te verbeteren? Niemand geeft een officiële verklaring, maar bronnen binnen het rivm en het Planbureau voor de Leefomgeving delen ons vermoeden: het beleid is uitgewerkt. Om de industriële vervuiling verder te verminderen is aanvullend beleid nodig.

Medium fijnstof bronnen
© beeld: Bas Schipper

Als het laaghangend fruit op is, moet je je uitrekken of een ladder halen. Bijvoorbeeld: als alle bedrijven in Europa aan de normen voldoen, maar er nog steeds sprake is van ontoelaatbare vervuiling, is het misschien tijd om de lat hoger te leggen.

Volgens de who is er geen veilige norm voor blootstelling aan fijnstof. Ook de geringste blootstelling kan schadelijk zijn voor de gezondheid. In dat verband is het opmerkelijk dat de EU een norm hanteert voor PM10 die twee keer zo hoog is als de who-norm: veertig versus twintig microgram per vierkante meter lucht. ‘In de EU-norm hebben economische belangen een groter gewicht’, geeft Michael Rutgers van het Longfonds als verklaring. Zijn organisatie voert een lobby voor een ‘Nationaal Luchtplan’, met als belangrijkste advies dat de Nederlandse overheid voortaan de strengere who-norm hanteert bij haar beslissingen. Via een motie van d66 is dat idee door het nieuwe kabinet overgenomen, en tegelijk op de lange baan geschoven. In de begroting van Infrastructuur en Waterstaat staat dat de who-advieswaarden tussen 2030 en 2050 haalbaar moeten zijn. Als alle Europese lidstaten de lagere limieten van de who zouden overnemen, zou dat de ontwikkeling van nóg schonere technieken stimuleren.

Luchtvervuiling en klimaatverandering

Dat het weer invloed heeft op de luchtkwaliteit weet iedereen die wel eens op een broeierige zomerdag door het verkeer heeft gefietst of op een mistige winterdag in een dorp met open haarden zijn hond heeft uitgelaten. Maar er is ook een verband met de klimaatverandering. Om te beginnen zijn drie van de gevaarlijkste broeikasgassen – roet (black carbon), ozon en methaan – ook bekend door hun nefaste invloed op de luchtkwaliteit. Bestrijding van deze drie stoffen is een dubbelsnijdend mes, aldus de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De gevolgen van de wereldwijde temperatuurstijging voor de lucht die we inademen worden vooral ’s zomers merkbaar, doordat er meer hittegolven zullen optreden, met meer zomersmog. Ook een toename van het aantal bosbranden wordt voorspeld. En er zal meer methaan ontsnappen uit moerassen die droog komen te staan. In de winters heeft de klimaatverandering echter een gunstig effect op de luchtkwaliteit, omdat het vaker zal regenen. Op haar beurt heeft luchtvervuiling ook invloed op het klimaat. Sommige deeltjes versnellen de klimaatcrisis omdat ze zonlicht vasthouden, zoals roet. Terwijl andere, zoals sulfaat- en nitraatdeeltjes, juist zonlicht reflecteren en daardoor een koelend effect hebben.

Waar ook nog winst valt te behalen, is in de werkgroepen die over de ‘beste beschikbare technieken’ beslissen. Wie er mag meepraten, wordt nu bepaald door de lidstaten, met als gevolg dat economische belangen veel meer gewicht in de schaal leggen dan de opinies van onafhankelijke wetenschappers of van milieuorganisaties. Een internationaal consortium van onderzoeksjournalisten (waarvan wij deel uitmaakten) dook twee jaar geleden in de werkgroep voor de staalindustrie – veruit de grootste luchtvervuiler – en ontdekte dat de beslissingen daar genomen werden door 113 afgevaardigden van nationale regeringen, 94 vertegenwoordigers uit de industrie en slechts zes experts van ngo’s en onafhankelijke onderzoeksinstituten. De uitkomst was dan ook dat niet de beste techniek, maar de op één na beste techniek gekozen werd – omdat deze goedkoper was. Dat daardoor 3800 ton fijnstof per jaar meer in de lucht komt, werd minder belangrijk gevonden.

Overigens besloot Tata Steel in IJmuiden eigenwijs om wél te investeren in de beste techniek die voorhanden was, zogeheten ‘doekfilters’. In onze lijst is dan ook te zien dat Tata’s uitstoot flink is gedaald. Daarmee toonde het bedrijf (samen met een handvol concurrenten die hetzelfde deden) aan hoe rekbaar het begrip ‘best beschikbaar’ is en wat de positieve gevolgen zouden zijn als de Europese Commissie in haar emissierichtlijn minder ruimte zou laten voor interpretaties en nationale lobby’s.

Tot slot komen er steeds meer aanwijzingen dat PM10 eigenlijk niet meer voldoet als maat voor luchtvervuiling. PM10 is een mix van uiteenlopende deeltjes en de ene soort is gevaarlijker dan de andere. In theorie is het mogelijk dat de totale mix afneemt, terwijl het aantal giftigste deeltjes gelijk blijft of zelfs stijgt. Dat effect is al vastgesteld bij schone motoren: terwijl de totale uitstoot afnam, nam het aantal ultrafijne deeltjes in de uitstoot toe. Met alleen afspraken over de hoeveelheid fijnstof zijn we er dus nog niet. Er zal ook moeten worden gekeken naar de samenstelling en dus naar de bronnen waaruit de gevaarlijkste deeltjes afkomstig zijn. Een goed begin zou zijn als onze minister bedrijven zou verplichten om behalve hun uitstoot van PM10 voortaan ook die van het gevaarlijker PM2,5 te rapporteren.

Het onderzoek

De luchtvervuiling door de industrie is te herleiden uit rapportages van de bedrijven zelf. Voordat ze een vergunning krijgen, moeten ze onder andere opgeven hoeveel PM10, zwaveldioxide en stikstofoxiden er bij hun processen vrijkomen. Het RIVM verzamelt deze gegevens van 306 bedrijven en op basis van zijn database hebben wij onze analyses gemaakt. Ook landbouwbedrijven moeten aangifte doen van hun uitstoot (behalve fijnstof meestal ook ammoniak en methaan). Maar deze gegevens worden niet per bedrijf openbaar gemaakt.


Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door Fonds 1877