Raquel van Haver, Serie Masquerade: Pasha, 2015, en Serie Masquerade: Sepa, 2015. Beide: olieverf, teer, houtskool, krijt, leem op jute, 210 x 170 cm © Benning & Gladkova

De Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst bestaat 150 jaar, net als de Prix de Rome een van de zeer schaarse kunstprijzen in ons land met enig historisch cachet. In de lijst van winnaars en winnaressen staat zo ongeveer iedereen die de afgelopen anderhalve eeuw met enige verdienste heeft geschilderd. Het jubileum zou een mooie gelegenheid zijn om daar eens een klinkende overzichtstentoonstelling van te maken – iets voor het Stedelijk, zou je denken – en die is er inderdaad, maar dan in beperkte omvang in het Paleis zelf. Twee curatoren, Mirjam Westen en Richard Kofi, selecteerden werk van zeventien oud-winnaars en hingen dat in de historische stijlkamers. Die selectie is heel goed, en doet verlangen naar een groter tableau.

Nu heeft dat classicistische Stadhuis, gebouwd als tempel voor de republikeinse koopmansgeest van Amsterdam, al sinds Lodewijk Napoleon zijn strakke utilitaire karakter verloren. Het is door de huidige gebruikers zo langzamerhand tot een klein Versailles omgeturnd, met steeds meer spullen, steeds bonter en steeds drukker. In de Oud-Burgemeesterskamer bijvoorbeeld, die altijd gedomineerd werd door twee zeer grote schilderijen van Flinck en Bol, hangt nu een negenhonderd kilo wegende monsterachtige luchter, die koning Willem III kennelijk eens besteld had maar die altijd ergens op zolder was blijven liggen.

Maar het moet gezegd: de Paleisstaf en de twee curatoren tonen een fris gevoel voor humor en, natuurlijk, voor de delicate maatschappelijke puntjes van vandaag. Onder die groteske luchter staan nu grote schilderijen van Raquel van Haver uit haar Masquerade-serie, twee bonte gemaskerde bezoekers van ver weg, die daar onmiskenbaar reageren op de Oranje-parafernalia en ook op het feit dat in die Bol en die Flinck zwarte figuren te zien zijn, in een dienstbare rol. Heel frappant is de vrijmoedigheid van het enorme familieportret van Helen Verhoeven, The Family, dat in de Justitiezaal – pardon: Troonzaal is opgesteld. Verhoeven maakte eerder een veelgeprezen portret van de Hoge Raad; hier toont ze een veertigtal figuren uit de Oranje-dynastie, oud en huidig, bij elkaar gewrocht als in een omgevallen postzegelalbum, sommigen herkenbaar, sommigen niet, allemaal in de malle kramp van de staatsiefoto. Een eerbetoon is het niet, eerder een Goya-achtige satire, en áls het dat is, dan is het toch frappant dat de geportretteerden zich zo in hun eigen huis willen tonen.

Even geestig is het schilderij van een huisvrouw die de ramen eens een goede beurt geeft, in Lente 2020/Spring 2020 van Matthijs van den Bosch, een zonnig beeld in rood-wit-blauw dat in de balkonkamer is geplaatst, precies daar waar de monarchen zich zo af en toe aan het volk laten zien. De installatie van Suzan Drummen is al even hyperbont: zij belegde de vloer van de Secretarie met een spetterend patroon van kralen, glas en stenen. Het werk van de drie prijswinnaars van dit jaar, Rinella Alfonso, Philipp Gufler en Hend Samir, hangt er geduldig tussen. Hun tijd komt nog.

Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst. Paleis op de Dam, Amsterdam, t/m 3 oktober; paleisamsterdam.nl