Louis Guilloux

Kleinburger tussen pissebedden

De roman ‘Het zwarte bloed’ van Louis Guilloux is typerend voor de tijd waarin hij verscheen. In de jaren dertig wemelde de literatuur van de eenlingen, buitenstaanders en antihelden.

DE ROMAN Het zwarte bloed van Louis Guilloux (1899-1980) is al eens eerder in De Groene besproken, op 22 februari 1936, onder de titel ‘Een groot, bitter boek’, door niemand minder dan Eddy du Perron, kort na verschijnen van de oorspronkelijke uitgave. In de jaren daarvoor schreef Du Perron zijn eigen Het land van herkomst in het huis van Guilloux aan de Bretonse kust; hij is van plan geweest Le sang noir in het Nederlands te vertalen, maar daar is niets van gekomen. De vertaalster vermeldt dit in haar nawoord, een goede inleiding zoals bij zo’n vergeten boek onmisbaar is. Het is niet erg, zegt zij, dat sommige boeken en schrijvers in vergetelheid raken, want ‘wat goed is komt vroeg of laat altijd weer bovendrijven en de rest zakt terecht naar de drassige bodem van het literaire moeras’. Wat een optimisme. Dat dit boek na 65 jaar alsnog vertaald is, komt niet door de onverwoestbare kwaliteit ervan, maar is louter te danken aan Coppens, die als uitgever, los van alle modes onverdroten zijn eigen programma voortzet. Met zijn fonds heeft hij zowat een eigen genre gecreëerd, waarvoor de titel van de eveneens door hem uitgegeven roman van Hermann Ungar, De verminkten, uit dezelfde tijd als Het zwarte bloed, typerend mag heten.


Niet toevallig bevat de fondslijst van Coppens & Frenks meer titels uit de jaren twintig en dertig, toen de literatuur wemelde van de eenlingen, buitenstaanders en antihelden. Een bepaald type wordt gevormd door eenzaten die door anderen als zonderlingen worden beschouwd maar zichzelf eerder als uitzonderlijken zien, ver boven anderen verheven. Ook als ze door de wereld worden uitgestoten, houden ze de eer aan zichzelf door zich buiten de wereld van aangepasten te plaatsen. Zo iemand is de hoofdpersoon van Het zwarte bloed, bijgenaamd Cripure, lichamelijk mismaakt, miskend genie, als leraar door collega’s gevreesd en gehaat, door leerlingen gepest maar door sommigen ook vereerd. Hij houdt er een volkomen negatieve filosofie op na en zijn grootste vrees is te worden als de anderen. Maar hij weet dat hij te laf is om een leven te leiden in overeenstemming met zijn filosofie, die overigens een echoput lijkt van Nietzsche, Stirner en Schopenhauer. Hij leeft als een volbloed kleinburger, onder één dak met een dienstmeid die niet eens kan lezen; hij veracht de pissebedden om zich heen, maar voert gesprekken met een alter ego dat hij eveneens Pissebed noemt; het woord ontleent Guilloux aan Flaubert. Cripure weet dat deze ‘meneer’ een schijngespreksgenoot is; verder mag niemand weten hoe zwak hij van binnen is. Maar zijn huishoudster heeft het ressentiment van haar kwelgeest goed door: ‘Je wil net doen as de hoge heren.’



OP CRIPURE ZIJN hoofdstuktitels van toepassing uit een andere roman van hetzelfde jaar, Die Blendung van Elias Canetti: ‘Een hoofd zonder wereld’, ‘Hoofdloze wereld’, ‘De wereld in het hoofd’. Ook Canetti’s hoofdpersoon is een wereldvreemde geleerde die zijn besloten wereld moet delen met een potige huishoudster. Kien komt lachend om in zijn brandende bibliotheek, Cripure schiet zichzelf dood als zijn geliefde hondjes het manuscript van zijn levenswerk aan snippers hebben gebeten. Dat is dan meteen een voorbeeld van de terreur van het triviale dat hem vaker uit hogere sferen in de banale werkelijkheid doet terugvallen. Heer en meester in zijn binnenwereld loopt Cripure met zijn te grote voeten door de banale wereld als de spreekwoordelijke olifant: alles wat hij doet, valt verkeerd. Ooit mocht hij zich een held van de geest wanen, maar in gesprek met Pissebed ziet hij ook in de wijsbegeerte geen heil meer: ‘Filosofie, kretologie, hypocritologie.’


Cripure schreef een afgewezen proefschrift over de Bretonse filosoof Turnier, wiens leven en sterven hij praktisch overdoet. Turnier is geportretteerd naar model van de negentiende-eeuwse filosoof Jules Lequier, aan wie Charlotte Mutsaers een bewonderend hoofdstuk wijdde in haar boek Zeepijn. Al sinds lang verzamelt hij aantekeningen voor zijn magnum opus, een anthologie van de wanhoop. Een van de mogelijke titels is ‘Het lijden van de kleinburger’.


Voor wie de roman nu leest is het allemaal een beetje te veel van het goede. Boven een bepaalde omvang is het schrijven van een roman geen kwestie van zinnen meer, zelfs niet meer van stijl — Guilloux heeft stijl en schrijft krachtige zinnen — maar bij zo’n groot project komt het vooral op compositie aan, architectuur, dus techniek. De helft van de zeshonderd pagina’s gebruikt Guilloux voor een schets van Cripures omgeving: allerlei bijfiguren, zoals alle collega’s, krijgen ruimschoots aandacht, en dat is te veel. Als verhaal komt het boek pas in beweging als Cripure een gehate collega een muilpeer verkoopt en deze hem tot een duel uitdaagt. Met die klap maakt Cripure alle niet-gegeven klappen goed, en de tegenstander meent samen met gelijkgezinden in Cripure het defaitisme en nihilisme te bestrijden. Tegenover elkaar staan gloeiende patriotten en landgenoten die tegen de oorlog in opstand komen. Het verhaal speelt in 1917, en de Eerste Wereldoorlog is bezig in de loopgraven een hele generatie uit te roeien. De jongeren die in Cripure een voorbeeld zagen, stellen nu vast dat hij net zo’n kleinburgerlijke lafaard is als de anderen, wat hij wel wist maar niet wilde toegeven. Zijn zelfmoord is zijn eerste en laatste echte daad.



CRIPURE IS IN allerlei opzichten een gespleten figuur, ook in de tijd: aan de ene kant is hij een gekwelde geest die een voortzetting lijkt van bepaalde figuren van Flaubert, Dostojevski, Rilke en Pirandello, aan de andere kant een voorloper van bepaalde existentialistische helden. De roman maakt hem echter tot een typetje in het groepsportret van een generatie van zelfgenoegzame burgermannetjes. Een boekje voor hem alleen zou Cripure beter tot zijn recht hebben laten komen. In een naturalistische roman wordt hij een verdwaald negentiende-eeuws warhoofd, terwijl hij trekken heeft van een typische twintigste-eeuwer die verscheurd wordt tussen een elkaar uitsluitende binnen- en buitenwereld. De trotse filosoof van het fantastische Nee wordt, zoals een in hem teleurgestelde leerling zegt, ‘een mislukkeling die niets anders meer koestert dan zijn mislukking’. De roman is fascinerend voor zover hij Cripures (vooral filosofische) zelfmoord in termijnen beschrijft, verder lijkt het een nogal gedateerd boek.



Louis Guilloux, Het zwarte bloed. Uit het Frans vertaald door Mirjam de Veth. Uitg. Coppens & Frenks, 621 blz., ƒ95,50