Kleine avonturen van de jonge dichter

OWEN DONKERS
JULIEN
Thomas Rap, 235 blz., € 17,90

Het is een postmodern idee, of eigenlijk is het een Romantisch idee, dat de beste kunst uit de marges komt, uit de goot, van de armoedzaaiers en de malcontents die er niet bij horen, de nobody’s die niet uitgenodigd worden op de feestjes en dus van afstand het meest snijdende commentaar op de maatschappij kunnen leveren. Owen Donkers heeft een roman geschreven, Julien, zijn debuut, over een man die niet boven het maaiveld uitkomt, of die niet eens boven de plinten tussen het vloerparket uitkomt.
Julien Korver is een jonge dichter die werkt aan zijn eerste bundel in New York. Om wat bij te verdienen werkt hij in een smerige pizzatent, Joe’s Pizza, die draaiende wordt gehouden door vooral illegale Mexicanen. De pizza’s zijn goor, de tent is onhygiënisch en er wordt amper met elkaar gepraat.
Een sociaal leven lijkt Julien niet te hebben. Hij is samen met zijn vrouw, Simone, naar de VS gekomen omdat ze aan een universiteit promoveert. ’s Avonds liggen ze vooral in bed, praten wat, maar niet echt veel of diepzinnig.
Hij stuurt zijn gedichten op aan een paar uitgeverijen en wacht hun reacties af. Eerst komt bericht dat zij de teksten hebben ontvangen, daarna standaardbrieven dat zijn werk ‘niet in het fonds’ past.
Af en toe kijkt hij eens naar buiten, ziet een chipmunk, een ‘oostelijke wangzakeekhoorn’, en schrijft er een gedicht over.
Passief ondergaat Julien zijn lot. ‘Wat ik in ieder geval niet wilde, want ook daar had ik over nagedacht, was halfbakken debuteren. In een tijdschrift bijvoorbeeld, één gedicht, als ik geluk had twee. (…) Ik wilde per se niet leuren met mijn werk. Niemand mocht het ook lezen, alleen Simone, niemand anders hoefde zelfs te weten dat ik schreef. Eerst moest mijn dichter-zijn bevestigd worden. Eerst wilde ik een boek, een bundel, helemaal officieel en daarmee inslaan als een bom.’
Het is spectaculair hoe weinig er gebeurt in Julien. De eerste tachtig bladzijden geeft Owen Donkers zijn lezer niets om zich aan vast te houden, niets, geen plot, geen rode draad, geen hoog oplopende emoties, geen invoelende of uitgesproken personages. Het zijn herhalingen van Julien die naar zijn werk gaat, wat ouwehoert, en thuis wat probeert te dichten. Het is grappig flegmatiek geschreven, ongeïnteresseerd, alsof Julien van zichzelf ook niet vindt dat zijn verhaal enige prioriteit heeft.
Er gebeurt zo weinig in dit boek dat ik me afvraag of ik het wel snap, of er niet een onderhuids iets is, een geheim, en ik totaal de clou mis. Wat wil-ie nou met dit boek?
Op de achterflap van het boek staat: ‘Owen Donkers (1977) groeide op in Nieuwegein, studeerde (een paar maanden) en werkte (een paar jaar) in Groningen en vestigde zich daarna in upstate New York, waar hij het vijf jaar uithield. Tegenwoordig woont en werkt hij in Noord-Frankrijk.’
Oké. Dat doet enige autobiografische insteek vermoeden. Wat dat betreft doet het in onderwerp aan De wetten van Connie Palmen denken (zijn lekker laconieke stijl ook een beetje): je volgt het denk- en schrijfproces van een jonge schrijver die aan zijn debuutroman werkt, in de wetenschap dat je die roman op dat moment in je handen hebt. Maar Donkers schrijft niet zoals Palmen over wat schrijverschap intrinsiek betekent, over in de openbaarheid treden met je zielenroersels; bij hem is het slechts een ambitie. Schrijver worden. VSB Poëzieprijs winnen. Jan Campertprijs. Jo Peters Poëzieprijs. De Roland Holstpenning.
Julien zegt de kern te zoeken, iets waar al zijn gedichten over zullen gaan. Maar dat levert nog geen echte spanningsboog op. Ook de vraag of Juliens gedichten gepubliceerd gaan worden is niet heel dringend. Maar de roman kabbelt lekker. Donkers schrijft zelfverzekerd, op een lichte toon met veel zelfspot. Je leeft meteen mee met de kleine avonturen van de jonge dichter. De observaties van Amerika zijn niet per se origineel, maar wel on the mark. Het leest fijn. Heel ontspannend. Geen mysterie waar je je druk om hoeft te maken, geen geheim.
Naarmate het boek vordert raakt Julien steeds meer uitgekeken op Amerika, hij leert een paar Mexicanen kennen bij de pizzatent en ziet aan hun omstandigheden hoe oneerlijk het land van de onbegrensde mogelijkheden is. De terugkomende passages over wat hij om zich heen ziet, op tv – opsommingen van sterren, actualiteiten, americana – worden cynischer. Hij vindt het allemaal nep, fake. Tegelijkertijd heeft hij het ook helemaal gehad met de uitgeverijen – ‘Uitgevers, dat zijn flikkers’ – die hem vriendelijk afwijzende standaardbrieven blijven sturen. Nu nog vriendelijk afwijzende recensies, kan hij daar een tweede roman over schrijven. Over recensenten die er helemaal niets van begrepen hebben.