Het literaire essay

Kleine grote woorden

Het literaire essay is niet aan regels of vormen gebonden: er zijn zoveel vormen van essayistiek als er auteurs zijn. Wat ze in deze tijd gemeen hebben, is het persoonlijke perspectief dat ze kiezen.

Het traditionele essay, de beschouwing over literatuur zoals Hella S. Haasse die als geen ander kan schrijven, lijkt de laatste jaren wat minder gewild te zijn. Het beschouwende, bijna on-persoonlijke, objectieve en soms academische essay zoals Haasse dat, bijvoorbeeld in haar verzameling Lezen achter de letters van vorig jaar presenteert, valt op het eerste gezicht uit de toon bij de verhandelingen van andere literaire essayisten.
Wie de essaybundels van het afgelopen jaar leest, ziet steeds vaker een persoonlijke en nadrukkelijk subjectieve houding ten opzichte van het onderwerp, bij auteurs als Hugo Bousset, Bas Heijne, Eric de Kuyper, Tonnus Oosterhoff en Tom Lanoye.
Hugo Bousset, die steeds weer verrast met zijn opstellen, en die als hoofdredacteur het tijdschrift Diet sche Warande & Belfort nieuw leven heeft ingeblazen, schrijft persoonlijke, tentatieve, soms bijna mijmerende essays over literatuur. Hij brengt boeken en schrijvers in verband met elkaar, en met andere kunsten, die men niet meteen samen verwacht. Dat deed hij in Geritsel van papier uit 1996, en dat deed hij in Bevlogen lichtheid van vorig jaar opnieuw. Lezen, met name romans lezen, is voor Bousset ritselen door de literatuurgeschiedenis. Schrijven over literatuur is zoiets als terugritselen. Op eigen, eigenzinnige wijze. Want, zo schrijft Bousset: «De roman is als Proteus: hij verandert aanhoudend in wat hij begeert te zijn, in wat de auteur begeert dat hij is, in wat de lezer begeert dat hij wordt wat hij wil dat hij is.»
Bas Heijne, die in De wijde wereld (2000) essays bij elkaar heeft gebracht die hij schreef voor NRC Handelsblad, gaat nog verder in zijn subjectieve houding. Zijn stukken in deze bundel zijn persoonlijk, soms ontboezemend, soms schaamteloos openhartig. En zeer de moeite waard. «Ik heb de grote woorden voor me klaarliggen, oude woorden als het Kwaad en Leegte, Troost en Schoonheid, Eeuwigheid en Liefde. Het zijn de riemen waarmee ik zal moeten roeien, maar ze betekenen vooralsnog niets. Het enige wat ik kan doen is ze als uitgangspunt nemen en vervolgens proefondervindelijk te werk gaan. Wat zouden ze kunnen betekenen, voor mij, nu, in dit leven, in deze wereld? Ik zal er betekenis in moeten ontdekken, op zoek moeten gaan naar andere woorden. Ik zal mijn eigen schepper moeten zijn.»

Tom Lanoye brengt in Tekst en uitleg/ Woor den met vleugels columns bij elkaar die hij de afgelopen zes jaar schreef voor Humo. De tweede helft van het hip vormgegeven boek bevat toespraken die Lanoye hield bij diverse gelegenheden: memorabele pleidooien voor een echt algemene stemplicht en een samenleefcontractenregister, een ontroerende afscheidsspeech op de uitvaart van Herman de Coninck, en een hilarische handleiding voor buitenlanders in Vlaanderen.
Ook bij Lanoye is het persoonlijke de bron van alle teksten. Meestal persoonlijke verontwaardiging, woede of machteloosheid. En wie in België woont, ervaart daar de laatste jaren meer dan genoeg van om talloze boeken vol te schrijven. Bij Lanoye is het persoonlijke politiek, en is de politiek persoonlijk. En: La littérature est politique. Vandaar vlammende tirades tegen het Vlaamse cultuurbeleid, verbitterde pamfletten tegen de corrupte Belgi sche machthebbers, hilarische en emotionele uithalen naar de media in het land van Dutroux en dioxine. Lanoye zoals hij op zijn best is: hard, keihard, grappig, exuberant, boos en bloedeerlijk. Lano ye gaat ver en is niet bang zijn nek uit te steken.
Eric de Kuyper verheft het persoonlijke tot het algemene als hij zijn eigen identiteit problematiseert: «Als ik een halve eeuw eerder was geboren, dan had ik waarschijnlijk in het Frans geschreven. Een eeuw dáárvoor was daar nog meer kans op. Ik ben echter een product van wat in het Duits ‹Wende› heet, en ik heb dus geweifeld of het Frans of Nederlands zou worden. Naar goede Belgische traditie heb ik ervoor gekozen… niet te kiezen.»
Half Belg, half Nederlander als hij is beseft De Kuyper dat dat «de aanzet tot een collage en assemblage» van zijn identiteit was. «Wat eruit tevoorschijn komt is waarschijnlijk niet volgens de normen (de normen die elders gelden) maar heeft op zijn minst karakter.»
Tonnus Oosterhoff gaat het verst in zijn eigenzinnigheid. You love him or you hate him, en niets daar tussenin. Oosterhoff is het tegenovergestelde van de academicus, van de traditionele essayist, doordat hij de uiterste grenzen opzoekt van het beschouwend proza. In Ook de schapen dachten na doet hij dat door bijvoorbeeld een bijna wiskundige analyse te maken van een Jehovah’s Getuigen-folder, of zichzelf te onderwerpen aan experimenten met dichtbundels.

Hoe verschillend ook, we vinden in de beschouwingen van deze auteurs en denkers toch steeds dezelfde thema’s. De postmoderne stokpaardjes worden enthousiast en in extenso bereden. Weliswaar worden door de afzonderlijke schrijvers verschillende conclusies verbonden aan dezelfde premisses, maar in de grond ontkent niemand dat we leven in een tijdsgewricht dat wordt gekenmerkt door de afwezigheid van idealen en grote woorden. Voor iedereen is dat de voedingsbodem voor verschillende conclusies, en verschillende obsessies. Persoon lijke conclusies, en persoonlijke obsessies. Maar altijd op de huid van de tijd geschreven.
De wereld van vandaag is een typisch postmoderne: de werkelijkheid is gefragmenteerd, er zijn geen Grote Verhalen meer, waarheid en moraal zijn lege begrippen geworden. Aan de hand van enkele thema’s wordt daarop gevarieerd: identi teit, taal en werkelijkheid, het lichaam, de politiek, het ik, de roes, de geschiedenis en het lichaam.
Bas Heijne wil in De wijde wereld de «temperatuur van de tijd» opnemen. Hij doet dat onder meer door Frans Kellendonk in herinnering te roepen, die «zichzelf de hamvraag [stelde]: was het voor hem nog mogelijk te geloven in de grote woorden die duizenden jaren lang vorm aan het bestaan hadden gegeven, woorden als God, Hemel, Heilig, Eeuwigheid? Niet meer als absolute waarheid, was zijn antwoord. Die tijd is voorbij.»
De tijd van de grote woorden is voorbij. Maar, schrijft Heijne: «(…) de grote woorden zijn weer overal. Ethiek, zingeving van het leven vóór, tijdens en na de dood, het natuurlijke, bovennatuurlijke, het onnatuurlijke, Goed en Kwaad, Schoonheid en Troost, Eer en Geweten, allemaal begrippen die op de meest onverwachte plekken opduiken. Zet ’s avonds de radio aan en je valt midden in een tweegesprek over het kwaad in de wereld naar aanleiding van Kosovo. Zap wat heen en weer op televisie en tien tegen een dat ergens op een zender een stel bekende Nederlanders in een gedragen gesprek verwikkeld zijn over de zin van het bestaan.»
En zo is de wereld «één grote Villa Felderhof» geworden. De grote woorden zijn er nog wel, maar ze zijn los komen te staan van de absolute waarheid, en ze vallen terug aan de menselijke ervaring.
«Wat betekent geluk voor mij? Wat zie ik als het zuivere kwaad? Wat laat ik achter wanneer ik er niet meer ben? Wat was het meest ingrijpende moment in mijn leven? En: wat maakt voor mij dit leven de moeite waard?»
Conclusie: in de huidige wereld kiest een ieder zijn eigen grote woorden.
Tonnus Oosterhoff geeft daar zijn eigen draai aan in het openingsessay van zijn bundel, Radio tegen fascisme. De opening: «Soms sluit ik een fascist of iemand met stellige overtuigingen — ik zie het verschil niet — op in mijn kelder. Daar staat een radio en uit verveling gaat mijn gevangene de hele dag luisteren.»
Wat hem dan overkomt, is niet mis. De opgeslotene hoort een deel van het gesprek tussen Amanda Spoel, presentatrice van het programma Belfleur, en geurpsychologe Anita:
«Geurpsychologe Anita: ‹En je hoort ook vaker dat eh ja dat is een soort wat is er eerder de kip of het ei maar goed, dat mensen die het zeg maar niet meer zo goed kunnen eh vinden met elkaar dus zijn of getrouwd… geweest of zijn nog partners die dus in therapie gaan dat ze heel vaak klagen over elkaars geur dat gebeurt dan indirect zo tussen twee zinnen in, maar dat ze elkaar dus niet meer lekker vinden ruiken.›»
De fascist wordt blootgesteld aan een lawine van onbenullige radiogesprekken en kwissen. De taal van de presentatoren en hun gasten is van een onthutsende uitgekauwdheid, een bizarre derdehandsheid die, doordat Oosterhoff haar woordelijk noteert, huiveringwekkend in haar banaliteit wordt. Dit is dus de taal van onze wereld, dit is hoe wij praten — want dit is radio.
Na een tijdje begint de fascist gefascineerd te raken door de spelletjesprogramma’s en de ser viceprogramma’s die hem eerst ergerden. «Deze verandering in zijn voorkeur beschouwt hij zelf als een vorm van geestelijk doorliggen. Maar ik, die hem in het geheim gadesla, herken de eerste tekenen van het ironisch proces. Door alleen maar woorden te gebruiken en het over alles te hebben prikt mijn kelderradio het wereldbeeld van de fascist door. De aarde loopt leeg en is niet rond meer.»
Volgt een interview van Remi van der Elzen met de heer Groenendijk over een nieuw soort doodkist. Groenendijk heeft een prijswinnende kist gemaakt van vlas en aardappelmeel.
«Richard Rorty beschrijft de ironicus als iemand die fundamenteel overtuigd is van de betrekkelijkheid van woordsystemen: er bestaan geen woorden die beter passen bij de Waarheid dan andere. Mijn fascist is betoverd geraakt door de woorden die uit de radio stromen. De rijkdom van die doodgewone gesprekken, het onbedoeld uitzonderlijke van de formuleringen vullen zijn werkelijkheid. Hij zal de waarheden waar hij eens in geloofde nooit meer als iets anders kunnen zien dan als ongevaarlijke, of gevaarlijke, spookbeelden, schaduwen van woorden.»
Een toespraak van dominee Visser over de dichter van psalm 79.
Een discussie met twee anarchistische broers uit Appelscha.
Na een week hersenspoelen is hij klaar. De fascist is een nieuwe ironicus geworden. «Misschien verwacht de ex-fascist nu nog dat hij ooit weer bij een nieuwe zekerheid zal uitkomen, samenhangender dan voorheen. Maar elke definitie daarvan zal steeds weer ironisch genegeerd worden. En ten slotte moet hij, slachtoffer van het ironisch rottingsproces — want ironie is een rottingsproces — zichzelf gaan zien als een toevallig samenraapsel van opvattingen, als iets dat met de stem van een ander de taal van een ander spreekt. Zo smelt het vlees van de waarheid om het skelet van de schoonheid weg.»
De essayist, die in deze tijd niet anders dan ironicus kan zijn, is ook een toevallig samenraapsel van opvattingen. Daar is hij of zij zich van bewust. Het is een van die postmoderne axioma’s waarvan iedereen doordrongen is, en die ook doorklinken in de essays zelf.
Tegenover dat besef van toevalligheid, van gefragmenteerdheid, van on-zekerheid, plaatst de schrijver noodzakelijkerwijs zijn eigen, persoonlijke thema’s. Hij moet wel, want anders is er niets. Ieder kiest zijn eigen grote woorden.
Interessant in deze essays is voorts het (uitgesproken of gesuggereerde of tussen de regels door verzwegen) besef van crisis. Op vele maatschappelijke en culturele terreinen bespeurt men een crisis, een verbrokkeling van waarden en betekenissen. Zoals het postmodernisme op zich kan worden gezien als een (vrolijke) crisis in de ontwikkeling van onze cultuur, zo strekt de teloorgang van oude, traditionele zekerheden zich uit over alle gebieden van de samenleving. Niets is meer wat het was, en er is (nog) niets voor in de plaats gekomen. Bij uitstek een moment voor reflectie, voor bezinning, voor het opnieuw ijken van de oude betekenissen, het onbevangen en onbevooroordeeld wegen van de bekende waarden. En daarbij komt men uit bij het middelpunt van het universum: ik.
Wie ben ik?
Wat betekent geluk voor mij? Wat zie ik als het zuivere kwaad? Wat laat ik achter wanneer ik er niet meer ben? Wat was het meest ingrijpende moment in mijn leven?
De crisis is overal voelbaar. Niet alleen in de maatschappij (zie Lanoye, die België tot op het bot fileert), maar ook in de kunst. Hugo Bousset richt zich bijvoorbeeld op de crisis van de roman. De oude, traditionele roman is niet meer. We kunnen niet meer schrijven zoals in de oude wereld werd geschreven. We kunnen niet meer lezen zoals in de oude wereld werd gelezen. Want de roman is op verscheidene punten onherkenbaar veranderd. De oude maatstaven zijn onbruikbaar geworden.
In het essay De roman is een ui schrijft Bousset over zijn levenslange passie voor de actuele roman, die te maken heeft met de prikkelende ongrijpbaarheid van het genre. De «rekbare grenzen van de roman» fascineren hem al sinds zijn geboorte, lijkt het, wat voor ons als prettig bijverschijnsel heeft dat Bousset daar met enige regelmaat op aangename en geestdriftige wijze kond van doet.
De roman is een ui. «Als je de rokken van de ui een voor een verwijdert, in de hoop zoiets als een pit, zeg maar een centrum, te vinden, raak je snel ontgoocheld. Want in het midden van de ui heerst het absolute niets. De rokken zijn de ui, hij bestaat alleen maar uit afpelbare lagen.»
Het genre roman is in deze tijd niet meer te pakken te krijgen, aangezien het veelkantig is, en immer evoluerend. Het enig zinvolle wat je, met die wetenschap in het achterhoofd, dan kunt doen, meent Bousset, is: «de verschillende gedaantes van wat we ‹roman› noemen beschrijven».
Vervolgens laat Bousset moderne vormen als de docuroman, de autofictionele roman, de intertekstuele roman (waar de auteur als meesterstem uit is verdwenen en waarbij het boek geen aanspraak maakt op uniciteit), de collageroman en de poëtiserende en muzikaliserende, autoreferentiële roman de revue passeren, die bewijzen dat de «klassieke roman» niet meer bestaat.
Zoals de criticus zich geplaatst ziet tegenover de zware opgave de crisis in de roman met gepaste wapens te lijf te gaan, en zich niet te laten ontmoedigen, zo heeft de schrijver een zo mogelijk nog zwaardere taak. De crisis in de roman die Bousset opmerkt, wijst natuurlijk naar een crisis in het schrijven. De deconstructie van de traditionele literaire waarden heeft, onder meer, de dood van de auteur tot gevolg gehad.
Tonnus Oosterhoff schrijft twee prachtige stukken over de door hem bewonderde Bruno Schulz, waarin hij dat probleem wil onderzoeken — of in elk geval een manier wil vinden om dat probleem eventueel te kúnnen onderzoeken. In het essay Het Boek bestaat maar laat zich niet schrijven memoreert Oosterhoff aan de hand van Bruno Schulz’ werk hoe in de afgelopen decennia de auteur uit de tekst verdween. Het is de lezer die het boek maakt, is de huidige overtuiging.
«Stemt dit niet droef of cynisch? Mij wel een beetje. Ik ben sophisticated genoeg om literatuur niet als simpele communicatie zender -> boodschap -> ontvanger op te vatten, waarbij het enige echte gevaar ruis zou zijn. Ideeën als van T.S. Eliot en Roland Barthes, die stellen dat de schrijvende persoon persona non grata is in de literaire tekst, zijn voor mijn generatie gemeengoed. Maar als een heuse lezer me vertelt dat een verhaal van mij hem aangegrepen heeft, dat hij het al vier keer gelezen heeft en het steeds nieuwe perspectieven geeft, dan haal ik niet de schouders op; dan zeg ik niet: ‹Wat moet ik met die informatie? Ik was niet meer dan een katalysator voor een niet-persoonlijke emotie.› Dat zeg ik dus niet, hoewel Tradition and the Individual Talent het eigenlijk voorschrijft.»
De schrijver kan dan de vraag niet ontwijken: hoe kan ik nu nog (verder) schrijven? Waar vind ik de motivatie?
Oosterhoff: «Het is een conflict. Geen schrijver kan de opvatting dat bij literatuur de tekst [en de auteur] van geen belang is zijn toegedaan én schrijven tegelijk. Hoe kun je in gemoede een alinea op papier krijgen zonder de romantische en totalitaire ambitie iets unieks en intrinsiek waardevols te maken? Hoe kun je rechtschapen en met inzet kunst maken terwijl je wéét dat het resultaat er niet toe doet?»

Die «romantische en totalitaire ambitie» klinkt bij alle essayisten en in alle essays door: het onwankelbare geloof — wellicht tegen eigenlijk-beter-weten in — in de zin, waarde en betekenis van het schrijven, het eigen schrijven. Omdat er geen andere mogelijkheden zijn. Omdat er anders niets is.


Hugo Bousset, Bevlogen lichtheid. Uitg. Meulenhoff, 158 blz., ƒ34,90; Hella S. Haasse, Lezen achter de letters. Uitg. Querido, 298 blz., ƒ45,90; Bas Heijne, De wijde wereld. Uitg. Prometheus, 230 blz., ƒ39,90; Eric de Kuyper, Met gemengde gevoelens. Uitg. SUN, 250 blz., ƒ49,90; Tom Lanoye, Tekst en uitleg. Uitg. Prometheus, 108/81 blz., ƒ31,95; Tonnus Oosterhoff, Ook de schapen dachten na. Uitg. De Bezige Bij, 162 blz., ƒ39,90