Kleine helden, grote eikels

Guido van Heulendonk construeert mensenlevens. Er hangt melancholie in zijn werk omdat hij de loop der dingen als dwingend voorstelt, ze een zweem meegeeft van logica, niet afkoerst op dolle toevalligheden, die romans maar al te vaak ongenietbaar maken.

Er zit iets noodlottigs in zijn oeuvre (dit is zijn achtste roman), zonder dat je bij hem het idee krijgt dat mensenlevens zich langs van tevoren bedachte richtlijnen voltrekken. In zijn vorige roman En dan, als ik weg ben (2014) ging het om drie min of meer verloren zielen, ‘kleine zielen’ is wie weet zelfs een betere omschrijving, die los van elkaar pijnlijke gebeurtenissen proberen te verwerken. In de nieuwste roman is het opnieuw pijnlijk, maar niet helemaal hopeloos, al wist ik het op het laatst niet zeker meer. Van Heulendonk zoomt in op de cultuurbobo Blancke die met zijn nieuwe vrouw Cynthia in Engeland de bruiloft van de dochter uit zijn eerste huwelijk wil bezoeken. Dit geeft de schrijver de kans via schrijnende terugblikken het leven van die Blancke op een rijtje te zetten. In flashbacks passeren beslissende gebeurtenissen de revue. Hoe hij zijn eerste vrouw afpakte, veroverde klinkt beter, van zijn vriend, de activist Boon: ‘Wat had zich voltrokken? Wie droeg de verantwoordelijkheid? Had ze migraine voorgewend om vroeger weg te kunnen? Met hem, wetend dat Boon niet vrij was? Haar lacherigheid onderweg strookte niet met een knellend hoofd. Wat stelde de kus voor?’ En hoe het vervolgens verder ging. Hoe het langzamerhand mis ging omdat die eerste vrouw zich ontpopte tot een briljant wetenschapster en hij achterbleef, eerst als leraar, later bij een bank en nog later als als bobo bij cultuurinstellingen.

Medium guido 20van 20heulendonk 20 c2 a9 20koos 20breukel 20niet 20rechtenvrij 5b1 5d

Dit is een bittere roman over het leven van een bitter figuur. Van Heulendonk besloot terecht zijn held niet af te vallen, hij kijkt zeker niet op hem neer, maar in de loop van de roman geeft hij hem buitengewoon negatieve eigenschappen mee. Rancune, zelfmedelijden, bot gedrag, frustratie. Toe maar, dacht ik af en toe. Het aardige is dat je dit als lezer in het begin niet eens in de gaten hebt. Je kunt makkelijk denken dat het best een aardige kerel is, die een beetje zit met het verleden, maar een verschrikkelijke eikel is het in ieder geval niet, zou je denken. Dit soort gedachten probeert deze schrijver te voorkomen. Hij gunt zijn figuren de ruimte, maar ondertussen laat hij ze vaak genoeg verstrikt raken in zelfhaat en zelfs in nauwelijks goed te praten gedrag.

Van Heulendonk geeft zijn held in de loop van de roman buitengewoon negatieve eigenschappen mee

Wat te denken wanneer Blancke zich bijvoorbeeld een congres in Brazilië herinnert, waar zijn eerste vrouw een knappe tafelrede houdt. Zijn tafelgenote is onder de indruk en fluistert tegen hem: ‘You have a clever wife.’ Waarop hij terugfluistert: ‘I think she just needs a child.’ Klootzakkeriger kan niet, hij is regelrecht jaloers, hier komt het er ineens uit, maar de schrijver pepert ons dit niet expliciet in. Wel impliciet. Direct na deze pijnlijke herinnering staat er dit: ‘Blancke voelt een rilling, trekt de rits van zijn jack wat aan. Boven de huizen schiet een meeuw de hoogte in, als door een reusachtige zuiger de wolken in getrokken. De hemel is grijs.’ Fraai schrijfwerk, dat zeker, ja, ‘de hemel is grijs’, zeg dat wel. Die Blancke is grijs. Het is gewoon wél een eikel. Je vindt het ook terug wanneer de ‘held’ met zijn tweede vrouw in Engeland tot volstrekt gefrustreerde daden komt. Hij dringt bijvoorbeeld het huis binnen van de schoonouders van zijn dochter, terwijl ze er niet zijn, misdraagt zich daar aan alle kanten, maar de schrijver doet net alsof het allemaal reuze meevalt. Niks meevallen, wist ik, dit is gewoon een frustraat eerste klas. Maar Van Heulendonk laat hem in zijn waan, al heeft hij wel vlagen van zelfinzicht. ‘Het versterkt zijn zelfbeeld van barbaarse invaller, die niet beter verdient dan met stokken van het erf te worden gejaagd. Of een speer door zijn anus te krijgen.’ Ja, dat leek mij ook.

Van Heulendonk wil de zelfhaat en frustratie van zijn held blijkbaar niet te veel de overhand laten krijgen, maar ik kreeg het er steeds moeilijker mee. Ik geloofde er niet meer in dat hij ‘toevallig’ een ongeluk krijgt waarbij zijn tweede vrouw in het ziekenhuis belandt en hij niet naar het huwelijk van zijn dochter hoeft. Hij deed het expres! Kortom, ik begon een steeds grotere hekel te krijgen aan de zelfmedelijdende held en nam hem steeds minder serieus. Hoe hard de schrijver er ook aan werkte om Blancke’s frustraties van een plausibele achtergrond te voorzien. Get a life, begon ik regelmatig te denken. Een goed teken, ik discussieerde met hem, ik begon me aan hem te ergeren, vooral aan zijn houding tegen zijn vrouwen. En zijn dochter. Tegenover haar loopt zijn patriarchale gedachtewereld vaak helemaal de spuigaten uit. Zonder dat hij het zelf weet, dat houdt Van Heulendonk mooi in het midden. Kortom, ik begon te vergeten dat het allemaal maar fictie is, een niet geringe prestatie van deze uiterst reflexieve schrijver.

Was dit de bedoeling? Ik denk het wel. Hij kreeg dit allemaal voor elkaar door een bijzonder precieze stijl die net doet alsof het allemaal echt zo ging. Realisme is bij hem een stijl die zich niet aanstelt of verliest in precieuze beschrijvingen. Stijl staat bij hem niet op de voorgrond maar creëert een gevoel van transparantie, zelfs melancholie, alsof het allemaal minder erg is dan je voorgeschoteld krijgt.


Beeld: Guido van Heulendonk, een uiterst re exieve schrijver (Koos Breukel)