Sylvain Ephimenco

Kleine irritaties

De koek is op. Dat voelde ik een tijdje terug al aankomen. Het grote reservoir raakt leeg. Hier en daar een druppel, meer niet. Geen aanval van drift, geen woede-uitbarstingen, geen verontwaardiging meer. De kaars gaat uit. De motor hapert en komt spoedig tot stilstand. Want hoe kun je nog behoorlijk functioneren met alleen kleine irritaties? Vergeleken met een gezonde woede-uitbarsting zijn irritaties niet meer dan een halve sperzieboon voor een anorexiapatiënt. Erecties, orgasmen, hartritme, alles in orde. Maar de razernij wordt met de dag slapper. En de ergernissen krijgen een ectoplastische consistentie. Mijn grootste irritatie is van een grenzeloze banaliteit omdat ik deze met negentig procent van de bevolking moet delen: het weer natuurlijk. Iedere dag lees ik de weer berichten in alle dagbladen en krijg ik steeds meer de pest in het badinerende braaksel dat weer mannetjes over ons uitstorten. Het gebrek aan zonuren, de wintertemperaturen, de regen, alles wordt door hen gerelativeerd. Het slechte weer zit tussen onze oren, we zijn jaren achter elkaar verwend geweest, niet klagen want dit is Holland. Anders rot je maar op naar de ovens van de Balkan. In feite zitten de weerparasieten op een wolkje. Als de zon uitbundig schijnt, noemen ze het weer saai en raken ze gedeprimeerd. Niets te melden. Alsof je een krant alleen met goed nieuws zou vullen. Maar met de belofte van wellicht de slechtste zomer sinds de meteorologische waarnemingen gaat hun hart op hageltempo rikketikken. Met hun grote weerlinialen slaan ze dan, kwijlend van genot, aan het rekenen. Opnieuw records in slechtheid! Weer een extreem uit de boeken gewerkt! Morgen nog erger! Ha, ha, ha: de kachel staat al drie weken aan!

Ik erger me verder op een beschaafde manier aan de ruimte die week- en dagbladen voor televisiehoofden vrijmaken. De cover van HP/De Tijd voor Jeroen Pauw en Jan Mulder, het maandagportret van NRC voor Pia Dijkstra, de transfer van Gert-Jan Dröge naar Net 5 op de voorpagina’s. Het geschreven woord laat zich steeds meer door de babbelhoofden in de luren leggen. Vier pagina’s armoedegedachten van paashaas Nico Haasbroek in De Groene. In Metro kreeg hij niet meer dan een kolom.

Ik moet ook zachtjes grinniken van de opgeheven vinger van gewezen staakt-het-vuristen inzake Kosovo die de Navo toch nog een laatste keer waarschuwen. De in ter nationale gemeenschap moet in Montenegro alvast een grondoorlog beginnen tegen Milosevic. An ders zit er geen logica in de strategie van de Navo. Dat ze gisteren, vermomd als pernicieuze vredesduiven, die strategie nog verfoeiden doet er niet toe.

Ik word zowel door de veertig petitionerende schrijvers over Srebrenica als door hun criticas ters lichtelijk geprikkeld. Schrij vers verwijten dat ze te weinig van een bepaald onderwerp weten om zich erover te kunnen uiten, is het recht op maatschappelijk engagement met voeten treden. Nee, meningen inzake Srebrenica zijn niet voorbehouden aan regenteske deskundigen, al dan niet werkzaam bij Clingendael. Alles wat de menselijkheid aantast, gaat de mens aan, met of zonder pen in zijn hand. Maar engagement voor een schrijver is iets anders dan een handtekening zetten onder een pe titie die, heel origineel, om een administratieve afwikkeling vraagt via de ambtelijke parlementaire wegen. Een schrijver engageert zich door te publiceren. Door zich achter de stelling van zijn toetsenbord te verschansen en te vuren. Week in week uit. Zonder rugdekking en met alle risico’s die hieraan verbonden zijn. Na het karige voorgerecht heb ik honger gekregen. Ik wacht op de spraakmakende bijdragen, pamfletten en essays over Srebrenica van Van Dis, Zwagerman of Blokker.

Toegegeven, het zijn maar kleine ergernissen. Na elf maanden onafgebroken neerkrabbelen moet ik ertussenuit. Even bijtanken.