Ik weet niet waar het precies was misgegaan, maar ik had in een week tijd drie films gekeken waarin Ryan Reynolds de hoofdrol vertolkte. Laat dat even op u inwerken. Drie.

Er is een goede kans dat u geen idee hebt wie dat is, Ryan Reynolds. In zekere zin weet ik zelf amper over wie ik het heb als ik het over Ryan Reynolds heb. Of hij een heimelijke Hollywood Republican is of juist een out and proud socialist die al zijn filmmiljoenen steekt in het verbeteren van de levensomstandigheden van hen die het op de verre uithoeken van deze planeet het allermoeilijkst hebben.

Als er bij u geen bel gaat rinkelen bij de naam Ryan Reynolds, dan is dat omdat hij een acteur is die je voornamelijk, of misschien wel uitsluitend, tegenkomt in films die op een heel wezenlijke manier niet de moeite waard zijn.

Het is niet dat je gemakkelijk een hekel aan hem kunt krijgen. Daarvoor ontbreekt het hem te veel aan onderscheidende eigenschappen. Het is haast alsof hij minder uiterlijk heeft dan andere mensen. Hoe langer je naar hem kijkt, hoe minder je begint te zien. Als je bijvoorbeeld iets over zijn haar zou moeten zeggen, zou je zeggen dat het is geknipt met als voornaamste achterliggende gedachte dat niemand ooit een seconde moet stilstaan bij het feit dat er iets groeit boven op het hoofd van Ryan Reynolds. Alleen zijn ogen vallen op, omdat ze een beetje klein zijn en net wat naar elkaar toe lijken te zijn gekropen.

Je zou het een zeker je ne sais quoi willen noemen, maar alleen als die frase ook precies het tegenovergestelde van zichzelf kan betekenen. Je weet niet wat het is, maar het is sowieso niets.

Je hebt, zo lijkt het, een ijzeren filmwet ontdekt: als Ryan Reynolds in deze film speelt, dan valt er in principe niets te halen. Het maakt niet uit wie de regisseur is of wie het script schreef, welke andere acteurs hun opwachting maken of wie de soundtrack componeerde: zodra Ryan Reynolds opduikt verdwijnt alle charisma en iedere artistieke ambitie in een zwart gat.

Hoe kan het dan, vraag ik u, dat ik na het kijken van The Hitman’s Bodyguard (2017) en Safe House (2012) ook nog eens doodleuk The Hitman’s Wife’s Bodyguard (2021) aanzette?

Je kunt maar beter je toevlucht zoeken tot een Rus

Het is niet dat ik me schaam voor mijn voorliefde voor de pretentieloze actiefilm. Ware verstrooiing is ook balsem voor de ziel. Maar er is een dunne lijn tussen de geslaagde pretentieloze actiefilm, vermaak in zijn meest pure vorm, en de niet-geslaagde pretentieloze actiefilm: een laars die op je hoofd stampt terwijl je toch al een vervelende kater had. Het verschil tussen het Tom Cruise-vehikel Edge of Tomorrow (2014) en het Chris Pratt-debacle The Tomorrow War (2021), zeg maar. Waar je de ene film tot je eigen verbazing de volgende dag eigenlijk nog wel een keer zou willen kijken, voel je je na het zien van de tweede alsof er onder dwang vier liter bloed is afgetapt voor de dagelijkse verjongingskuur van Jeff Bezos.

Wat bezielde me? Werd ik simpelweg bespeeld door de algoritmes van Netflix en Amazon Prime? Zo voelde het niet. Natuurlijk, ze bleven me meer en meer rotzooi aanbieden omdat ik zulke rotzooi eerder blijkbaar had gewaardeerd. Maar het voelde alsof er meer aan de hand was. Alsof het niet slechts aan de vernuftigheid van de techindustrie lag. Alsof er in mijzelf iets was misgegaan en ik op een spoor was beland waar ik helemaal niet wilde zitten. Een spoor waarop ontspanning langzaam maar zeker was gaan samenvallen met infantilisering. Het probleem was niet per se dat ik die rotzooi wilde kijken, het was vooral dat het me steeds maar niet lukte iets anders te willen. Er was iets mis met, om tech-ethicus James Williams te parafraseren, mijn ‘wil tot willen’.

De schrik sloeg me om het hart. Ik heb allang vrede gesloten met het idee dat ik iemand ben die rotzooi consumeert en daar een zeker plezier aan beleeft. Maar de gedachte dat de race to the bottom of the brain-stem ertoe leidt dat ik niets anders meer wil consumeren dan dingen die niet veel anders te bieden hebben dan onrustzwangere verstrooiing, dat was toch andere koek.

Om met Vladimir Iljitsj Oeljanov te spreken: Wat te doen?

Uit- en weer aanzetten, dat is bijna altijd het juiste antwoord, dacht ik. Een kleine reset, dus. Maar hoe pak je zoiets aan?

Klaas Dijkhoff, de Ryan Reynolds onder de vaderlandse opiniemakers, beweerde vorige week in NRC Handelsblad in alle ernst dat de toenemende ongelijkheid in Nederland wordt gecompenseerd door goedkope vliegtickets en het feit dat ‘elke film op afroep beschikbaar’ is. Als we de vraag hoe kwalijk dat standpunt precies is even negeren: ik kan vertellen dat het nog verdomd moeilijk is om thuis vanaf de bank aan een kopie van Tarkovski’s Andrej Roebljov te komen.

Als je het gevoel hebt gevangen te zitten in je eigen wereld, kun je maar beter meteen je toevlucht zoeken tot een Rus. Het liefst eentje die zich buigt over het gruwelijkere deel van de geschiedenis van zijn vaderland; een deel dat zich uitstrekt van het begin tot het heden. Nadat ik drie uur lang had toegezien hoe de legendarische icoon-schilder Roeblev wanhopig om zich heen keek en concludeerde dat de mens voor de mens een wolf is, rolde ik compleet gelouterd van de bank.