Opvoeden via de televisie

Kleine Tarzan en het verwende prinsesje

De tv-nanny is in opkomst. Ze adviseert gezinnen over het grootbrengen van het kroost. Maar vaak zijn het niet de kinderen maar de ouders die opgevoed moeten worden. Gelukkig zorgt de nanny ervoor dat alles goed komt. Voor de camera, tenminste.

«Je doet het goed. Ja, prima. Doe maar rustig. Nu moet je Blake een complimentje geven. Ja, durf maar.» Supernanny Jo Frost van het tv-programma Eerste Hulp Bij Opvoeden (EHBO) begeleidt een moeder met een baby in een buggy, een zoete peuter en een knorrige kleuter in de richting van de shopping mall. De camera zoomt in op het ge spannen gezicht van de blonde moeder op gymschoenen. Ze lijkt overal gevaar te zien. En inderdaad, in de verte ronkt een vuilniswagen de hoek om. Van schrik vergeet ze haar opdracht en gilt door de straten: «Kijk uit, Blake, blijf staan!» Jo Frost zucht: «Je moet het negatieve patroon door breken.»

Sinds enkele maanden wordt op televisie wekelijks getoond hoe Frost gestresste gezinnen adviseert. Met haar tuttige mantelpakje, zwarte bril, het haar in een knot en de leren dokterstas om de schouder ziet de Britse nanny eruit als een ouderwetse directrice van een meisjes internaat. Zelf heeft Jo Frost geen kinderen, en een pedagogische opleiding heeft ze niet genoten. Wel kan deze «Mary Poppins van de 21ste eeuw» bogen «op veel ervaring met kinderen, méér dan het smeren van boterhammen, snuiten van snotneuzen en inpakken van zwemtassen». Ze moraliseert niet, maar geeft praktische tips. Van puinhopen maakt ze ge oliede huishoudens. Weerbarstige kinderen veranderen in schatjes, afgetobde vrouwen in vrolijke moeders en onverschillige mannen in betrokken vaders. Dat wil zeggen, voor de ca mera. Want of het gezin na Frosts vertrek weer in het oude patroon vervalt, zien de ruim anderhalf miljoen kijkers niet.

EHBO, uitgezonden door RTL4, heeft in middels navolgers van Nederlandse makelij gekregen, zoals Schatjes van de EO. Vanaf volgende maand start EHBO met een eigen Nederlandse nanny («Ge zinnen kunnen zich aanmelden», melden de programmamakers). De ingrediënten en het draaiboek lijken op elkaar. Het betreft meestal een doorsnee middenklassegezin met drie kinderen. De moeder is hoofdopvoeder en werkt niet of nauwelijks. De va der – een tikje onnozel of juist te agressief – stort zich bij thuiskomst ongeïnspireerd op zijn zorgtaken. De pedagoge of nanny observeert het reilen en zeilen vanaf de zijlijn, waarna ze al snel met een lijstje actiepunten komt. Nee, ze doet niet voor hoe het moet, maar gaat de ouders op voeden hoe ze moeten opvoeden. Want dat kunnen ze overduidelijk niet. Ze zijn in de greep van kleine tirannen, krijgen ruzie met elkaar over de aanpak en corrigeren niet alleen tevergeefs hun kinderen maar ook geïrriteerd elkaar. De opvoedster wordt dan ook bij binnenkomst om de hals gevlogen als de reddende engel die de ontspoorde trein weer op de rails zal zetten.

Bij haar vertrek laat ze heel wat regels achter voor de ouders, die in de grond neerkomen op triviale pedagogische principes: kaders bieden, grenzen stellen, duidelijk en consequent zijn, niet alleen straffen maar ook belonen («goed zo, dat doe je héél goed») en kalm blijven. Het lijken allemaal open deuren, maar dat blijkt in de praktijk vaak anders te liggen. Als kijker verbaas je je eerder over de totale onkunde van de ouders en de huiselijke sfeer waarin hun kinderen maar wat rondsjokken, dan over de «niet-luisterende en provocerende kinderen». Sommige kinderen halen het bloed onder de nagels van hun ouders vandaan, maar vaak zie je dat de aanpak van volwassenen eerder het probleem is dan het gedrag van de kinderen zelf.

Weten ouders dan niet meer hoe ze moeten opvoeden? Micha de Winter, hoog leraar pedagogiek in Utrecht, vindt de adviezen uit de programma’s op zich prima: «Het is wat de meeste ouders van nature doen en van huis uit hebben meegekregen. Voor veel kijkers leveren de gevallen herkenning op of juist het gevoel: goh, zo slecht doe ik het nog niet. Dat geeft zelfvertrouwen over hun eigen aanpak. Ze kunnen er soms ook iets van leren, want de tips and tricks zijn zeker niet slecht.»

Volgens De Winter illustreren deze programma’s dat er een enorme markt is voor kinderen en opvoeden: «Alles over dit onderwerp doet het commercieel goed. Dokter Spock is nog steeds, sinds de verschijning ervan eind jaren vijftig, het best verkochte boek ter wereld. Beter dan de bijbel. Praktische, populair-wetenschappelijke boeken, zoals Oei ik groei, zijn steevast bestsellers. Behalve tientallen boeken zijn er over deze thematiek vele tijdschriften, vraag-en-antwoordrubrieken in damesbladen en diverse internetsites, zoals Ouders Online. De tv-nanny is het zoveelste gat in de markt.»

De enorme behoefte zegt volgens De Winter iets over het huidige pedagogische klimaat van onze samenleving: «Door de individualisering is er niet zoals vroeger vanuit sociale netwerken, zoals familie, buurt en kerk, dagelijkse bemoeienis met elkaar. Moeder, schoonmoeder en de buurvrouw komen niet regelmatig over de vloer om op spitsuur even een handje te helpen. Vroeger was kinderen krijgen geen keuze, het gebeurde gewoon. Nu beginnen mensen op veel latere leeftijd bewust aan een gezin. Vooral hoger opgeleide ouders leggen de opvoeding onder een loep. Het traject van een kind ligt bovendien minder dan vroeger vast en dat maakt het voor ouders in zekere zin lastiger. Als de toekomst van een kind maakbaar is, dan vergt dat vele keuzes uit het grote aanbod van mogelijkheden – van de school tot de wijze van opvoeden. Ouders kunnen daar heel onzeker van worden.»

De Winter maakt wel enige kanttekeningen bij de programma’s: «Wil het een beetje lekkere televisie zijn, dan moet het ook een goede puinhoop zijn. Anders kan de nanny geen heldenrol spelen. Uit onderzoek blijkt dat bij ongeveer tien procent van de gezinnen de opvoeding totaal misgaat. Bij sommige gevallen denk ik wel eens: daar is méér aan de hand dan de gepresenteerde huis-, tuin- en keukenproblematiek. Je ziet daarachter een groter probleem schuilgaan: een depressieve moeder of een vader met wel heel erg losse handen. Die grens wordt regelmatig overschreden en dat leidt bij mij tot ethische vragen. De adviezen zijn een schijnoplossing. Worden deze mensen door programmamakers misbruikt? Maar het past in de trend van reality- en emotie-televisie. Bij deze vorm van voyeurisme is ethiek vaak ver te zoeken.»

Psychologe Rita Kohnstamm, van 1970 tot 1985 hoofdredacteur van het blad Ouders van nu, kijkt nauwelijks naar de programma’s. Wat ze ervan heeft gezien, kan volgens haar niet zo veel kwaad: «Het lijkt op de formule van gezinstherapie. Door het bekijken van videobeelden realiseren ouders zich wat ze aan het doen zijn.»

Ook volgens Kohnstamm is het een weerspiegeling van het pedagogische klimaat van deze tijd: «Ouders willen het zo graag leuk en gezellig hebben. Maar opvoeden betekent beperkingen opleggen aan kinderen, en soms is dat helemaal niet leuk. Voor mij is het sleutelwoord begrenzen. Als ouder moet je voor kinderen de wereld in kaart brengen. Doe je dat niet, dan komt er een baaierd aan informatie en indrukken op ze af. Voor veel kinderen is dat beangstigend. De meeste fietsen er wel doorheen, maar als een kind labiel en onzeker is, pakt dat funest uit. Kinderen dwalen stuurloos rond, terwijl de ouders er omheen draaien. De ene keer mag iets wel, de andere keer niet, en als iets spaak loopt treden ze overdreven hard op. Hoewel de anti-autoritaire opvoeding uit de jaren zestig nooit echt voet aan de grond heeft gekregen, zijn dit de naweeën ervan: uitgaan van wat het kind wil. Maar meestal weet een kind dat helemaal niet. Het oneerlijke is dat ouders de kinderen opzadelen met de consequenties van hun gedrag. Op den duur gaan deze kinderen anderen, inclusief hun ouders, irriteren. Het schoolsysteem Iederwijs is daar overigens een extreem voorbeeld van. Totaal mesjokke wat daar gebeurt.»

Over deze thematiek houdt Rita Kohnstamm volgende week in Amsterdam de Abel Herzberg-lezing. Daarin signaleert ze meer algemeen «grote rusteloosheid in gezinnen en in de samenleving». Ouders laten zich volgens haar meeslepen door hun omgeving in het idee dat alles nieuw, leuk, uitdagend en an ders moet zijn: «Maar kinderen houden juist van voorspelbare, bekende patronen. Ze willen weten wat er gaat komen, zodat ze zelf voorzichtig stapjes kunnen nemen. Kenmerkend voor deze opgelegde onrust is de op gefokte toestand rond het uitkomen van de nieuwe Harry Potter-boeken. Ik vind dat hele circus ziek. Jonge kinderen hebben vaak een overladen programma. Ze worden overal mee naartoe gesleept, en moeten continu vermaakt worden. Tegelijk zie je dat ouders niet meer hard durven op te treden. Je ziet ze eindeloos onderhandelen met hun kinderen. Als zo’n peuter van twee jaar niet in het fietsstoeltje wil, dan ga je daar toch niet geduldig mee praten?»

Een andere factor is volgens haar de emotiecultuur: «Het idee dat het tonen van emoties goed is, is een soort geloof geworden. Als je kinderen wilt leren zich te beheersen, dan begint dat bij het goede voorbeeld van de ouders zelf. Uitleven is prima, maar als er geen emotionele begrenzingen geboden worden, dan krijg je een primitief stoommodel. Sommige kinderen zijn van nature opgewonden. Worden ze niet gedempt, dan ontstaat er een soort fysiologisch effect waarbij de behoefte in stand wordt gehouden. Ze kunnen niet meer rustig in een hoekje zitten met een boek of zich lekker vervelen.»

Net als De Winter verklaart Kohnstamm de pedagogische aanpak vanuit de veranderende samenleving van de laatste decennia: «Aan de ene kant zie je dat de gewone opvoedingsbasis is verdampt. Aan de andere kant moet alles perfect zijn. Sommige ouders zitten boven op hun kinderen en gunnen ze nauwelijks hun eigen bewegingsvrijheid. Dat is een vorm van geestelijke intimidatie. Materieel komen kinderen niets te kort. Het lijkt soms wel alsof kinderen een verlengstuk zijn van hun eigen lifestyle-plaatje.»

Daarmee bedoelt ze de modieuze kindermarkt, die de afgelopen jaren een enorme vlucht heeft genomen. Peperdure kleding wordt in glossy tijdschriften, zoals Kek, getoond door fotomodelletjes met strakke, uitgestreken ge zichten. Kinderkamers worden ingericht naar een thema, zoals «junglestijl voor jongens» of «sprookjessfeer voor meisjes». Kleine Tarzan glijdt ’s ochtends langs lianen zijn bed uit. Het verwende prinsesje slaapt in een suikerroze kasteelbed met gouden knopjes.

Het stoort Kohnstamm dat het kinderen niet wordt gegund de architect van hun eigen bestaan te zijn: «Het zoekende, fantaserende kind wordt beknot. Het is ook lastig voor ouders: in de bladen en op tv worden de droomplaatjes continu aangeboden. Dat creëert behoefte. Natuurlijk hebben alle ouders het beste voor met hun kind, de uit wassen van kindermishandeling daargelaten. Maar ze moeten zich meer durven afvragen wat werkelijk bij hun kinderen past.»