De opkomst van de nieuwe mondiale elite

Kleine wereld, groot geld

F. Scott Fitzgerald had gelijk toen hij verklaarde dat de rijken anders zijn dan u en ik. Maar de superrijken van vandaag zijn ook anders dan die van gisteren: ze werken harder en zijn minder verbonden met de landen die hen mogelijkheden boden.

IN AUGUSTUS vorig jaar interviewde David Gregory in het NBC-programma Meet the Press een gast die met kracht en overtuiging stelde dat de Amerikaanse economie ‘zeer uit balans’ was geraakt. In de nasleep van de recessie, verklaarde hij, hadden individuen met hoge inkomens, belangrijke banken en grote bedrijven een 'significant herstel’ doorgemaakt; de rest van de economie daarentegen - waaronder kleine bedrijven en 'een zeer aanzienlijk deel van de beroepsbevolking’ - zat nog steeds in de problemen. Wat we zagen, stelde hij, was in het geheel niet één enkele economie, maar veeleer 'twee afzonderlijke types economie’, die steeds verder gescheiden en van elkaar verwijderd raakten.

Dat was een verontrustende diagnose, zeker, maar geen unieke: wijzen op de kloof tussen de rijken en alle andere mensen is al lange tijd dagelijkse kost bij links. (Het idee van 'twee Amerika’s’ was een centraal thema in de presidentscampagne van John Edwards in 2004 en 2008.) Dat het betoog op dat moment zo verrassend was, kwam doordat het werd gehouden door niemand minder dan Alan Greenspan, de voormalige voorzitter (vijf termijnen) van de Federal Reserve, iconisch libertair, uitzonderlijk verdediger van de vrije markt en (in elk geval tot voor kort) Amerika’s belangrijkste aanhanger van Ayn Rand. Wanneer de hogepriester van het kapitalisme himself de toenemende economische ongelijkheid uitroept tot een nationale crisis, dan is er iets heel, heel erg verkeerd gegaan.

Deze groeiende kloof tussen de rijken en de niet-rijken is al jaren evident. Zo adviseerden drie Citigroup-analisten in een rapport voor beleggers uit 2005 dat 'de Wereld uiteenvalt in twee blokken: de Plutonomie en de rest’.

In een plutonomie bestaat er niet een wezen als 'de Amerikaanse consument’ of 'de Engelse consument’ of zelfs de 'Russische consument’. Er zijn rijke consumenten, gering in aantal, maar verhoudingsgewijs verantwoordelijk voor een gigantisch deel van het inkomen en de consumptie. En je hebt de rest, de 'niet-rijken’, de veelsoortige menigte, die slechts opmerkelijk kleine stukjes van de nationale taart krijgt.

Vóór de recessie was die concentratie van welvaart bij een kleine elite relatief makkelijk te negeren. De wonderbaarlijke uitvindingen van de moderne economie - Google, Amazon, de iPhone - verbeterden in het algemeen de levens van consumenten uit de middenklasse, en maakten tegelijkertijd een klein groepje ondernemers belachelijk rijk. En de minder wonderbaarlijke uitvindingen - met name de explosie van subprime-kredieten - hielpen de groeiende inkomensongelijkheid maskeren voor veel mensen wier inkomsten stagneerden.

Maar de financiële crisis en de lange, ellendige nasleep ervan hebben dat alles veranderd. Een reddingsoperatie van miljarden dollars en daarna de snelle herinvoering van gigantische bonussen op Wall Street hebben geleid tot het idee dat parasitaire bankiers en andere elites de boel manipuleren om er zelf beter van te worden. En dat heeft weer geleid tot de algemenere - en niet onredelijke - angst dat we niet slechts in een plutonomie leven, maar in een plutocratie, waarin de rijken blijk geven van te grote politieke invloed, kortzichtige en egoïstische motieven en achteloze onverschilligheid jegens alle mensen buiten hun eigen exclusieve economische zeepbel.

Door mijn werk als business-journalist heb ik in het grootste deel van het afgelopen decennium de nieuwe superrijken geschaduwd: ik ging naar dezelfde exclusieve conferenties in Europa; hield interviews boven cappuccino’s op Martha’s Vineyard of in vergaderzalen in Silicon Valley; ik observeerde machtige etentjes in Manhattan. Wat ik heb ontdekt is voor een deel geheel voorspelbaar: de rijken zijn, in de beroemde woorden van F. Scott Fitzgerald, anders dan u en ik.

Maar relevanter voor onze tijd is dat de rijken van vandaag ook anders zijn dan de rijken van gisteren. Onze supersnelle, wereldwijd vertakte economie heeft geleid tot de opkomst van een nieuwe superelite die in aanzienlijke mate bestaat uit eerste- en tweede-generatie-rijkdom. Haar leden zijn hard werkende, hoogopgeleide, jetsettende meritocraten die vinden dat zij de terechte winnaars zijn van een keiharde, mondiale economische competitie - en velen van hen hebben als gevolg daarvan een ambivalente houding tegenover degenen onder ons die niet zo spectaculair succesvol zijn geweest. Het opmerkelijkst is misschien dat ze een transmondiale gemeenschap van peers aan het worden zijn die meer gemeen hebben met elkaar dan met hun landgenoten thuis. Of hun primaire woonplaats nu New York of Hongkong is, Moskou of Mumbai: de superrijken van vandaag vormen steeds meer een natie op zichzelf.

De winner-take-most-economie

De opkomst van de nieuwe plutocratie is onlosmakelijk verbonden met twee verschijnselen: de revolutie in informatietechnologie en de liberalisering van de mondiale handel. Individuele landen hebben hun eigen bijdragen geleverd aan inkomensongelijkheid - bijvoorbeeld financiële deregulering en belastingverlaging voor de rijken in de Verenigde Staten of privatisering met voorkennis in Rusland. Maar het gemeenschappelijke verhaal is dat dankzij de globalisering en technologische innovatie mensen, geld en ideeën tegenwoordig vrijer bewegen dan ooit.

Peter Lindert is econoom aan University of California Davis en een van de leiders van de 'deep history’-school in de economie, een beweging gewijd aan het denken over de wereldeconomie op de lange termijn - dat wil zeggen, in de context van het geheel van de menselijke beschaving. Maar Lindert stelt dat de economische veranderingen die we vandaag meemaken zonder precedent zijn. 'De klassieke industriële revolutie van Engeland was veel minder indrukwekkend dan wat er in de afgelopen dertig jaar is gebeurd’, zei hij tegen me. De huidige productiviteitswinsten zijn groter, verklaarde hij, en de golven van radicale innovatie komen veel, veel sneller.

Vanuit mondiaal perspectief is de impact van deze ontwikkelingen overweldigend positief geweest, met name in de armere delen van de wereld. Neem India en China: tussen 1820 en 1950, bijna anderhalve eeuw, bleef het inkomen per capita in die landen eigenlijk gelijk. Tussen 1950 en 1973 steeg het met 68 procent. Vervolgens, tussen 1973 en 2002, steeg het met 245 procent, en het stijgt nog steeds sterk ondanks de mondiale financiële crisis.

Maar binnen landen zelf werden de vruchten van die wereldwijde transformatie ongelijk verdeeld. Hoewel de middenklasse van China exponentieel is gegroeid en tientallen miljoenen Chinezen de armoede zijn ontstegen, heeft de superelite in Shanghai en andere steden aan de oostkust zich geleidelijk afgezonderd. Inkomensongelijkheid is ook gegroeid in zich ontwikkelende markten als India en Rusland, en in een groot deel van het geïndustrialiseerde Westen, van de relatief laissez-faire Verenigde Staten tot de knusse sociaal-democratieën van Canada en Scandinavië. Thomas Friedman heeft gelijk dat in veel opzichten de wereld platter is geworden; maar in andere is ze inmiddels juist ongelijkmatiger, puntiger.

Eén reden daarvoor is dat de wereldmarkt en de bijbehorende technologieën het mogelijk hebben gemaakt dat er een klasse is ontstaan van internationale business-megasterren. Terwijl bedrijven groter worden, het mondiale speeltoneel competitiever wordt en radicale technologische innovatie nog sneller gaat, wordt het voor aandeelhouders in gelijke mate belangrijker om de best mogelijke chief executive officer (CEO) aan te trekken. Topsalarissen zijn omhoog geschoten om vele redenen - waaronder de alomtegenwoordigheid van al te zelfgenoegzame raden van bestuur en veranderende culturele normen over beloningen - maar een toenemende schaal, concurrentie en innovatie speelden allemaal een belangrijke rol.

Veel bedrijven hebben van deze economische omwenteling geprofiteerd. Grotere wereldwijde toegang tot arbeid (geschoold én ongeschoold), klanten en kapitaal heeft traditionele barrières om toe te treden verlaagd en de waarde van baanbrekende inzichten of innovatie verhoogd. Facebook, waarvan oprichter Mark Zuckerberg nog maar zes jaar geleden de universiteit de rug toekeerde, steekt Google al naar de kroon, dat zelf ook niet echt een ouderwets bedrijf is. Maar de grootste winnaars waren individuen, niet instellingen. Hedgefondsmanager John Paulson profiteerde bijvoorbeeld in z'n eentje bijna even veel van de crisis van 2008 als Goldman Sachs.

Ondertussen deelde de grote meerderheid van Amerikaanse werknemers, hoe toegewijd aan en deskundig in hun werk ook, niet mee in de winst van deze winner-take-most-economie - of erger nog, haar spaargeld, werkgevers of beroepen gingen eraan door dezelfde krachten die de plutocratische elite verrijkten. Het gevolg van deze uiteenlopende ontwikkelingen is een ongelooflijke groei van inkomensongelijkheid in Amerika. Volgens de economen Emmanuel Saez van Berkeley en Thomas Piketty van de Paris School of Economics ging tussen 2002 en 2007 65 procent van alle inkomensgroei in de VS naar de rijkste één procent van de bevolking. De financiële crisis onderbrak die trend tijdelijk, en in 2008 daalden de inkomens van de rijkste één procent meer dan die van de rest van de bevolking. Maar recent bewijs duidt erop dat, in de nasleep van de crisis, inkomens aan de top zich sneller herstellen dan die aan de onderkant.

Plutocratie nu

Op 21 juni 2007 vierde de plutocratie van Amerika haar coming-out-feestje. Op die dag ging de private-equitykolos Blackstone naar de beurs en haalde de hoogste IPO (beursintroductie) in de VS sinds 2002, trok vier miljard dollar uit de markt en creëerde een bedrijf van op dat moment 31 miljard dollar. Stephen Schwarzman, een van de twee oprichters van Blackstone, kwam weg met een persoonlijk aandeel dat bijna acht miljard dollar waard was en nog eens 677 miljoen contant; de andere, Peter Peterson, inde een cheque van 1,88 miljard dollar en ging met pensioen.

Eveneens op 21 juni gaf Peterson een feestje om The Manny te presenteren, de debuutroman van zijn dochter Holly, een satire over de levens en liefdes van financiers en hun vrouwen in de Upper East Side. De bestseller past naadloos in het genre van moderne 'mommy lit’, maar de schrijfster vertelde me dat ze bij het schrijven deels werd geïnspireerd door haar overtuiging dat 'mensen geen idee hebben hoeveel geld er in deze stad is’.

Holly Peterson en ik bespraken een paar keer hoe de superwelvaart van de afgelopen jaren de betekenis van rijkdom heeft veranderd. 'Er is op dit moment zoveel geld in de Upper East Side’, zei ze. 'De originele film Wall Street ging over mannen in de dertig of veertig die twee en drie miljoen dollar per jaar verdienden, en dat was walgelijk. Maar toen kwam het internettijdperk, en toen globalisering en kreeg je mensen van in de dertig die door hedgefondsen en Goldman Sachs twintig, dertig, veertig miljoen per jaar verdienden. En daar waren er heel veel van. Ik denk dat mensen die vijf tot tien miljoen opstrijken absoluut niet vinden dat ze genoeg geld verdienen.’

Net als bij de aristocraten van vroeger tijden heeft dergelijke enorme rijkdom een kloof geschapen tussen de plutocraten en andere mensen, die nog wordt vergroot doordat ze zich terugtrekken in ommuurde landgoederen, exclusieve academies en privé-vliegtuigen. We worden gefascineerd door uitwassen als het 140 meter lange jacht Octopus van Paul Allen, mede-oprichter van Microsoft, met twee helikopters, een onderzeeër en een zwembad.

Maar ook al lijken hun excessen bekend, zelfs archaïsch, de plutocraten van vandaag vertegenwoordigen een nieuw fenomeen. De rijken uit de tijd van F. Scott Fitzgerald waren, schreef hij, gevormd door het feit dat ze 'rijk geboren’ waren. Ze wisten wat het was om 'al vroeg te bezitten en te genieten’.

Dat geldt niet voor een groot deel van de superelite van vandaag. 'Rijke mensen die het allemaal aan hun grootvaders te danken hebben, krijgen tegenwoordig niet alles’, zei Peter Lindert. 'Er gaat deze keer veel naar innovators. Er zit meer meritocratie in Bill Gates aan de top dan in de Hertog van Bedford aan de top.’ Zelfs Emmanuel Saez, die zich grote zorgen maakt over de sociale en politieke gevolgen van groeiende inkomensongelijkheid, beaamt dat een wezenskenmerk van de huidige lichting plutocraten is dat ze de 'werkende rijken’ zijn. Hij heeft ontdekt dat in 1916 de rijkste één procent van de Amerikanen slechts eenvijfde van het inkomen uit betaald werk haalde; in 2004 was dat verdrievoudigd tot zestig procent.

Peter Peterson is bijvoorbeeld de zoon van een Griekse immigrant die op zijn zeventiende naar Amerika kwam en zich omhoog werkte tot diner-eigenaar in Nebraska; zijn medeoprichter van Blackstone, Stephen Schwarzman, is de zoon van een winkelier uit Philadelphia. En zij zijn geen uitzonderingen. Van de top-tien op de Forbes-lijst van 2010 van rijkste Amerikanen zijn er vier self-made, twee (Charles en David Koch) bouwden een middelgroot familie-oliebedrijf uit tot een miljardenconcern, en de andere vier zijn allemaal erfgenamen van self-made miljardair Sam Walton. En van de top-tien buitenlandse miljardairs zijn er zes self-made en proberen de andere vier verwoed hun vermogen te vergroten in plaats van ervan te leven. Het klopt dat maar weinig van de hedendaagse plutocraten werden geboren in het soort ellendige armoede dat alle mogelijkheden uitsluit - een goede vroege opleiding is absoluut een voorwaarde - maar het leeuwendeel van hun vermogen is over het algemeen het resultaat van hard werken en intelligentie (en waarschijnlijk wat geluk). Ze zijn geen echte aristocraten maar eerder economische meritocraten, niet gericht op het consumeren van rijkdom maar vooral op het creëren ervan.

De weg naar Davos

Om het verschil te begrijpen tussen de plutocraten van vandaag en de overgeërfde elite, die (in de gedenkwaardige woorden van John Stuart Mill) 'rijk wordt in haar slaap’, hoef je alleen maar te kijken naar de evenementen op de huidige sociale agenda’s van de top. De bals voor debutantes en jachtpartijen en regatta’s van vroeger zijn dan misschien nog niet volkomen achterhaald, maar ze gaan wel die kant op. Het ware gemeenschapsleven van de 21ste-eeuwse plutocratie speelt zich af in het internationale conferentiecircuit.

Het bekendste van deze evenementen is de jaarlijkse bijeenkomst van het World Economic Forum in Davos, Zwitserland; een uitnodiging daarvoor markeert voor een ambitieuze plutocraat dat hij het internationale toneel mag betreden. De Bilderberg Group, die jaarlijks vergadert op locaties in Europa en Noord-Amerika, is nog exclusiever - en geslotener - hoewel ze meer is gericht op geopolitiek en minder op het mondiale bedrijfsleven en filantropie. Het Boao Forum voor Azië, elk voorjaar bijeen op het Chinese Hainan-eiland, bewijst het groeiende economische belang van dat land en zijn begrip van de plutocratische cultuur. Bill Clinton doet zijn best om met zijn Clinton Global Initiative een plaats in het circuit te veroveren. De TED-conferenties ('technologie, entertainment, design’) zijn een belangrijk station voor de computergeleerden; Paul Allens Sun Valley-bijeenkomst is voor de mediamolochs, en het Ideas Festival van het Aspen Institute (waarvan The Atlantic Monthly co-sponsor is), voor meer politiek georiënteerde mensen.

Sommige bedrijven hebben de waarde van dat soort mondiale conclaven erkend en zijn er zelf een begonnen. Daaronder is de Zeitgeist-conferentie van Google, waar ik gedurende een paar jaar discussies heb geleid. Een van de recentste bijeenkomsten was in mei in het Grove Hotel, een voormalig landgoed op het Engelse platteland. Vorig jaar verzorgde Cirque du Soleil een privé-optreden voor de vijfhonderd gasten in een reusachtige tent op het terrein; in 2007 liet Google, om te vieren dat het YouTube had overgenomen, vanuit de hele wereld internet-sensaties invliegen.

Maar ondanks alle luxe is de sfeer van de Zeitgeist-conferentie nauwelijks wellustig te noemen. Het is eerder de intense, oprechte stemming van een bijeenkomst van summa cum laude-afgestudeerden. Deze groep spijbelt niet: de conferentiezaal zit vol van negen uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds en in de koffiepauzes staat het gazon vol met managers die hun BlackBerry’s en iPads checken.

Onder de Zeitgeist-sprekers van afgelopen jaar waren opvallende namen als aartsbisschop Desmond Tutu, de burgemeester van Londen Boris Johnson en Starbucks-CEO Howard Schultz (en natuurlijk Google’s eigen CEO Eric Schmidt). Maar de krachtigste valuta op deze en vergelijkbare bijeenkomsten is beroemdheid noch geld. Het is wat schrijver Michael Lewis 'the new new thing’ doopte - het inzicht of algoritme of de technologie met de potentie de wereld te veranderen, hoe kortstondig ook. Vandaar de aanwezigheid vorig jaar van drie Nobelprijswinnaars, onder wie Daniel Kahneman, een pionier in gedragseconomie. Een van de aanwezige business-sterren was de 36-jarige ondernemer Tony Hsieh, die de zomer daarvoor zijn online schoenenwinkel Zappos aan Amazon verkocht voor ruim een miljard dollar. En de populairste sessie van allemaal was die waar Google een paar van zijn nieuwe uitvindingen toonde, waaronder de Nexus-telefoon.

Die nerd-achtige geestdrift voor innovatie en ideeën is ook evident op meer intieme bijeenkomsten van de mondiale elite. Neem de stijlvolle Manhattan-dinner party’s van Marie-Josée Kravis, econome en vrouw van de private-equitymiljardair Henry, in hun fraaie appartement in de Upper East Side. Mevrouw Kravis schept er een eer in om niet alleen plutocraten als haar echtgenoot en Michael Bloomberg bij elkaar te brengen, maar ook denkers en beleidsmakers als Richard Holbrooke, Robert Zoellick en Financial Times-columnist Martin Wolf, en ze te laten discussiëren over kwesties van mondiale financiële disbalans tot de oorlog in Afghanistan.

In deze tijd van elites die genieten van frases als outside the box en killer app is het meest gekoesterde statussymbool aantoonbaar niet een jacht, een renpaard of een ridderorde; het is een filantropische stichting - en dan vooral een die actief wordt bestuurd op zo'n manier dat duidelijk is dat de sponsor ervan grote ideeën heeft over het hervormen van de wereld.

Filantrokapitalisme

George Soros, die vorige zomer tachtig werd, is een pionier en rolmodel voor de maatschappelijk geëngageerde miljardair. Hij is aantoonbaar de meest succesvolle investeerder in het naoorlogse tijdperk maar niettemin het meest trots op zijn Open Society Stichtingen, door middel waarvan hij miljarden dollars heeft uitgegeven aan zaken zo uiteenlopend als legalisering van marihuana, civil society in Midden- en Oost-Europa, en het opnieuw doordenken van economische vooronderstellingen in de nasleep van de financiële crisis.

Geïnspireerd en geadviseerd door de liberal Soros heeft Peter Peterson - zelf een Republikein en voormalig lid van het kabinet-Nixon - een miljard dollar van zijn Blackstone-opbrengsten gespendeerd aan een stichting gewijd aan het terugbrengen van Amerika’s staatsschuld en overheidsuitgaven. En Bill Gates besteedt tegenwoordig de meeste energie en denkkracht aan het werk van zijn stichting, dat varieert van het steunen van charter schools tot de strijd tegen ziekte in Afrika. Facebooks Zuckerberg is nog geen dertig, maar afgelopen herfst schonk hij honderd miljoen dollar aan het verbeteren van openbare scholen in Newark, New Jersey. Verzekerings- en onroerendgoedmagnaat Eli Broad is een invloedrijk financier van stamcelonderzoek geworden; Jim Balsillie, een van de oprichters van BlackBerry-schepper Research in Motion, heeft zijn eigen internationale denktank opgezet, et cetera. Het is geen toeval dat Bill Clinton zijn postpresidentschap heeft gewijd aan het opbouwen van een mondiaal filantropisch 'merk’.

De superrijken hebben al lang ingezien dat filantropie niet alleen moreel lonend is maar ook kan dienen als een weg naar maatschappelijke acceptatie en zelfs onsterfelijkheid: Andrew 'De Man Die In Rijkdom En Schaamte Sterft’ Carnegie transformeerde zichzelf van industriebaron tot seculier heilige met zijn ziekenhuizen, concertzalen, bibliotheken en universiteit; Alfred Nobel zorgde ervoor dat hij werd herinnerd om iets anders dan de uitvinding van dynamiet. Opvallend aan de plutocraten van vandaag is dat ze hun fortuin vaak wegschenken op dezelfde manier als ze het hebben vergaard: als ondernemer. In plaats van gewoon te doneren aan achtenswaardige goede doelen of schenkingen te doen aan bestaande instellingen (hoewel ze dat natuurlijk ook doen), gebruiken ze hun rijkdom om nieuwe manieren uit te proberen om grote problemen op te lossen. Journalisten Matthew Bishop en Michael Green noemen die benadering 'filantrokapitalisme’, in hun gelijknamige boek. 'Er is een verband tussen hun manier van denken als zakenmensen en de manier waarop ze geven’, zei Bishop. 'Ze zijn gewend om op een grote schaal te opereren, dus opereren ze ook als filantroop op een grote schaal. En dat doen ze op veel jongere leeftijd.’

Een land apart

Een ander onderscheidend kenmerk van de plutocraten van vandaag is dat ze een wereldwijde gemeenschap vormen, en hun onderlinge banden zijn in toenemende mate hechter dan hun banden met hoi polloi in eigen land. Zoals Glenn Hutchins, medeoprichter van private-equityfirma Silver Lake zegt: 'Iemand in Afrika die een grote Afrikaanse bank leidt en op Harvard heeft gezeten, heeft misschien meer gemeen met mij dan met zijn buren, en ik zou heel goed meer zorgen en ervaringen kunnen delen met hem dan met mijn buren.’ De kringen waarin wij ons bewegen, legt Hutchins uit, worden bepaald door 'interesses’ en 'activiteiten’ en niet door 'geografie’: 'Peking heeft veel gemeen met New York, Londen of Mumbai. Je ziet dezelfde mensen, je eet in dezelfde restaurants, je logeert in dezelfde hotels. Maar het belangrijkste is dat we ons als wereldburgers bezighouden met commerciële, politieke en maatschappelijke kwesties van algemeen belang. We zijn veel minder op een plek gestationeerd dan vroeger.’

De zakenelite van Amerika is een beetje een laatkomer in deze transnationale gemeenschap. In een onderzoek naar Britse en Amerikaanse CEO’s vond Elisabeth Marx, van headhunters Heidrick & Struggles, bijvoorbeeld dat van de eerste groep bijna eenderde buitenlander was tegenover slechts tien procent van de tweede. En ruim tweederde van de Britten had minstens een jaar in het buitenland gewerkt, tegenover eenderde van de Amerikanen.

Maar ondanks de trage start is het Amerikaanse bedrijfsleven aan het inhalen: de jongere generatie van topbestuurders heeft aanzienlijk meer internationale ervaring dan de oudere generatie, en het aantal buitenlandse en in het buitenland geboren CEO’s is, zij het nog relatief klein, aan het groeien. De verschuiving is vooral zichtbaar op Wall Street: in 2006 werden alle acht grootste banken van Amerika geleid door een in eigen land geboren CEO; vandaag zijn er van die banken nog vijf over, en twee van de overlevers - Citigroup en Morgan Stanley - worden geleid door mannen die in het buitenland werden geboren.

Er heerst een toenemend gevoel dat Amerikaanse bedrijven die niet ambitieus internationaliseren het risico lopen dat ze achterop raken. Maar de stroom van goederen en kapitaal waarop de superelite drijft, gaat vaker aan Amerika voorbij dan voorheen. Neem Stephen Jennings, de vijftigjarige Nieuw-Zeelander die de investeringsbank Renaissance Capital mede oprichtte. De wortels van Renaissance liggen in Moskou, Jennings’ primaire woonplaats, en zijn bedrijfsstrategie draait om het positioneren van de firma om de investeringsstromen te kunnen bemachtigen die tussen groeimarkten lopen, met name Rusland, Afrika en Azië. Voor zijn doelen is New York steeds irrelevanter aan het worden. In 2009 hield hij een toespraak in Wellington, Nieuw-Zeeland, waar hij zijn visie op deze post-unipolaire realiteit uiteenzette: 'De grootste speler in metalen ter wereld is Indiaas. De grootste speler in aluminium ter wereld is Russisch. (…) De snelst groeiende en grootste banken in China, Rusland en Nigeria zijn allemaal binnenlandse bedrijven.’

Toevallig sloot een medebewoner van Jennings’ high-tech wolkenkrabbende Moskouse kantoorgebouw onlangs een deal die exemplarisch is voor precies dit soort intra-groeimarkten-handel. Vorig jaar sloot Digital Sky Technologies, de grootste investeringsfirma voor technologie in Rusland, een partnerschap met het Zuid-Afrikaanse mediaconcern Naspers en het Chinese technologiebedrijf Tencent. Dat zijn drie snel groeiende bedrijven met een mondiale visie - vorig najaar ging een spin-off van DST, Mail.ru, de markt op en werd onmiddellijk het hoogst gewaardeerde internetbedrijf van Europa - maar niet een ervan is primair gefocust op Amerika. Een vergelijkbare voorbode van de intra-groeimarkten-economie was de overname door Bharti Enterprises, de Indiase telecomgigant, van de Afrikaanse eigendommen van de in Koeweit zetelende telecomfirma Zain. Een Californische technologiemanager legde me uit dat een bedrijf als Bharti een concurrentievoordeel heeft op wat volgens hem de exploderende Afrikaanse markt gaat worden: 'Zij weten hoe ze veel goedkoper dan wij mobiele telefoons kunnen leveren. Hoe kunnen, op een plek als Afrika, westerse bedrijven daarmee concurreren?’

Het goede - en het slechte - nieuws voor Amerika is dat de eigen superelite van het land zich snel aanpast aan dit meer mondiale perspectief. De in Amerika werkende CEO van een van ’s werelds grootste hedgefondsen vertelde me dat de investeringscommissie van zijn bedrijf vaak praat over de vraag wie wint en wie verliest in de tegenwoordige economie. Tijdens een interne discussie onlangs, zei hij, had een van zijn senior collega’s gesteld dat de uitholling van de Amerikaanse middenklasse niet echt van belang was. 'Zijn punt was dat als de transformatie van de wereldeconomie vier mensen in China en India uit de armoede kon verheffen naar de middenklasse, en dat ondertussen betekent dat er één Amerikaan uit de middenklasse wegvalt, dat niet zo'n slechte ruil is’, herinnerde de CEO zich.

Eenzelfde sentiment hoorde ik van de van oorsprong Taiwanese chief financial officer van een Amerikaans internetbedrijf. Het is een zachtaardige, bescheiden man van in de dertig die van een openbare school naar Harvard ging, maar niettemin neemt hij de klachten van de Amerikaanse middenklasse niet erg zwaar op. 'Wij eisen een hoger loon dan de rest van de wereld’, zei hij. 'Dus als je tien keer het loon vraagt, dan moet je tien keer de waarde leveren. Het klinkt hard, maar misschien zouden mensen in de middenklasse een salarisverlaging moeten accepteren.’

Op het Aspen Ideas Festival van vorig jaar zei Michael Splinter, CEO van het greentechbedrijf Applied Materials in Silicon Valley, dat hij als hij vanaf nul moest beginnen slechts twintig procent van zijn personeel uit eigen land zou halen. 'Dit jaar vindt bijna negentig procent van onze verkoop buiten de VS plaats’, verklaarde hij. 'De aantrekkingskracht om dicht bij de klanten te zijn - de meesten daarvan in Azië - is enorm.’ Op dezelfde conferentie sprak ook Thomas Wilson, CEO van Allstate, en ook hij betreurde deze mondiale realiteit: 'Ik kan overal ter wereld [personeel] krijgen. Het is een probleem voor Amerika, maar niet noodzakelijk een probleem voor Amerikaanse bedrijven. (…) Amerikaanse bedrijven zullen zich aanpassen.’

Revolte van de elites

Wilsons onderscheid helpt verklaren waarom veel van Amerika’s andere zakenelites zo ver af lijken te staan van de voortdurende problemen van de Amerikaanse werknemers en economie: de mondiale 'natie’ waarin ze in toenemende mate wonen en werken doet het prima - sterker nog, die bloeit. Als gevolg van die afstand laten zakentyconen wanneer ze praten over de economie en hun rol daarin vaak een afwijkend geluid horen: zo wuifde Goldman Sachs-CEO Lloyd Blankfein in 2009 publieke verontwaardiging weg door te zeggen dat hij 'Gods werk deed’; en verscheidene topbankiers hielden nadat de onmiddellijke dreiging van de financiële crisis was afgenomen bij hoog en bij laag vol dat hun instellingen het overleefd zouden hebben zonder TARP-financiering (het Troubled Asset Relief Program van de Amerikaane regering) en dat ze die alleen hadden geaccepteerd omdat ze onder druk werden gezet door minister van Financiën Henry Paulson. Die afstandelijke houding houdt ook niet op bij de waterkant: denk maar aan CEO Tony Hayward van BP, die klaagde dat hij zijn leven terug wilde na de olieramp in de Golf en precies dat vervolgens deed door toe te kijken hoe zijn jacht deelnam aan een wedstrijd vanaf het Isle of Wight.

Misschien is het veelzeggend dat Blankfein de zoon is van een postbode uit Brooklyn en dat Hayward - ondanks de Amerikaanse karikatuur van hem als een upper-class Engelse sufkop - begon bij BP als geoloog in de Noordzee. Beiden zijn, met andere woorden, working-class jongens die goed geland zijn. En al zou je misschien denken dat plutocraten vanwege zo'n achtergrond extra zouden meevoelen met mensen die het moeilijk hebben - het tegenovergestelde is vaak het geval. Voor de superelite kan een gevoel van meritocratisch succes aanzetten tot een groot zelfrespect, en dat zelfrespect kan - vooral in combinatie met afzondering tussen gelijkgestemde peers - ertoe leiden dat ze geen oog heeft voor en onverschillig staat tegenover het lijden van anderen.

Veel Amerikaanse plutocraten suggereren dat de problemen van de arbeiders- en middenklasse over het algemeen hun eigen schuld zijn. Toen ik een CEO van een van de succesvolste investeringsbanken op Wall Street vroeg of hij zich schuldig voelde over de rol van zijn bedrijf in het creëren van de financiële crisis, zei hij met duidelijke oprechtheid dat hij dat niet deed. De echte boosdoener, legde hij uit, was zijn lamlendige neef, die drie auto’s bezat en een huis dat hij zich niet kon veroorloven. Een van de grootste hedgefondsmanagers van Amerika vertelde me net zoiets, hoewel bij hem de dader zijn schoonfamilie was met haar subprime-hypotheek. En een private-equitybaron die zijn tijd verdeelt tussen New York en Palm Beach schoof de schuld voor de ineenstorting op een favoriete golfcaddy in Arizona, die drie appartementen had gekocht als investering op het hoogtepunt van de hausse.

Maar niet deze 'het is niet onze schuld’-mentaliteit is verantwoordelijk voor het gevoel onder plutocraten dat ze in het Obama-tijdperk geslachtofferd worden. Je zou misschien verwachten dat Amerikaanse elites - en vooral die in de financiële sector - zich op dit moment behoorlijk goed voelden, en behoorlijk dankbaar. Dankzij een TARP-injectie van zevenhonderd miljard dollar en honderden miljarden die bijna kosteloos werden geleend door de Federal Reserve (een beleid waarvan Soros zelf me vertelde dat het een 'verborgen gift’ was aan de banken) is Wall Street bliksemsnel teruggekeerd naar vergoedingen op het niveau van vóór de crisis, ook al zit Main Street nog steeds in de problemen. Toch vinden veel van Amerika’s financiële giganten dat ze worden belaagd door de regering-Obama - in sommige gevallen bijna letterlijk. Zo veroorzaakte Blackstone’s Schwarzman vorige zomer oproer toen hij zei dat een voorstel van Obama om belasting te heffen over vergoedingen door private-equitybedrijven - door 'winstdeling’ te beschouwen als gewone inkomsten - net zoiets was als 'toen Hitler in 1939 Polen binnenviel’.

Hoe theatraal zijn vergelijking ook is, Schwarzman (die zich daarna verontschuldigde voor zijn opmerking) is een Republikein, dus zijn antipathie jegens de huidige regering wekt geen verbazing. Wat opvallender is, is de mate waarin zelfs voormalige Obama-aanhangers in de financiële industrie zich tegen de president en zijn partij hebben gekeerd. Een Wall Street-investeerder die hartstochtelijk Democraat is vertelde mij over zijn verbitterde gesprek met een Democratische leider in het Congres die bij de belastinghervorming betrokken is. 'Mijn rug op’, zei hij tegen de wetgever. 'Ook al verander je de regelgeving, de regering zal geen cent méér van mij krijgen door de belastingen. Ik stop mijn geld in mijn stichting en schenk het aan goede doelen. Ik laat mijn geld niet weggooien in die staatsschuld-afvoerput van jullie.’

Hij staat niet alleen in zijn woede. In een vaak geciteerde nieuwsbrief aan beleggers van vorige zomer fulmineerde hedgefondsmanager - en fundraiser voor Obama in 2008 - Dan Loeb: 'Zolang onze leiders ons vertellen dat we het aan hen moeten overlaten om ons door reguleren en herdistribueren weer welvarend te maken, kunnen we niet uit dit economische moeras komen.’ Twee andere voormalige Obama-aanhangers op Wall Street vertelden me dat de president 'anti-business’ is; een maakte zich zelfs zorgen of Obama 'een socialist’ is.

Veel van die wrok komt voort uit eenvoudig eigenbelang: boven op de voorgestelde belastingverhogingen hebben de financiële hervormingen die Obama vorige zomer bij wet vastlegde de regelgeving voor de Amerikaanse financiële wereld veel strikter gemaakt. Maar zoals de boze referenties van de Democratische belegger aan zijn filantropische werk suggereren, wordt de woede in de C-suites (het hoogste niveau van chief officers) niet zozeer gevoed door hebzucht als wel door het gevoel dat de amour propre van de plutocraten wordt beledigd, door het gekwetste ongeloof dat iemand ze zou kunnen zien als boeven in plaats van helden. Zijn zij tenslotte niet de mensen wier financiële en technologische innovaties de toekomst van de Amerikaanse economie vertegenwoordigen? Zijn zij niet 'Gods werk aan het doen’?

Je zou kunnen zeggen dat de Amerikaanse plutocratie haar John Galt-moment meemaakt. Libertairen (en gewone middelbareschoolnerds) zullen zich herinneren dat Galt de plutocratische held is van Ayn Rands roman Atlas Shrugged uit 1957. Galt en zijn collega-kapitalisten, die het beu zijn om te worden neergehaald door de parasitaire, jaloerse en minder getalenteerde lagere klassen, kwamen in opstand en trokken zich terug in 'Galt’s Gulch’, 'de Geul van Galt’, een schuilplaats in de Rocky Mountains. Daar brachten zij hun dagen door in afzondering in de stralende natuur, terwijl de rest van de wereld, beroofd van hun genialiteit en nijverheid, instortte. (G.K. Chesterton kwam met een vergelijkbaar idee, zij het iets vriendelijker, in zijn roman The Man Who Was Thursday: 'De arme mens heeft belang bij het platteland. De rijke mens niet; die kan naar Nieuw-Guinea vertrekken in een jacht.’)

Die plutocratische fantasie is natuurlijk niet méér dan dat: hoe slim en innovatief en ijverig de superelite ook mag zijn, ze kan niet bestaan zonder de grotere gemeenschap. Zelfs als je de financiële reddingsacties terzijde laat die onlangs werden verstrekt door de regeringen van de wereld hebben de rijken de rest van ons nodig als werknemers, klanten en consumenten. Maar als metafoor heeft Galt’s Gulch een onheilspellende klank in een tijd dat de zakenelite zichzelf steeds meer ziet als een mondiale gemeenschap, die zich onderscheidt door haar unieke talenten en die verheven is boven kleinsteedse kwesties als nationale identiteit, of 'ons’ begrotingstekort omlaag brengen met 'hun’ belastingen. Ze isoleren zichzelf dan misschien niet in geografische zin, zoals in Rands verbeelding, maar ze lijken zich ideologisch te isoleren, wat uiteindelijk grotere gevolgen kan hebben.

De tegenstroom

De culturele banden die de superrijken koppelen aan alle andere mensen zijn aan beide kanten tegelijk aan het rafelen. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft met name Amerika een ethos van ambitieus kapitalisme gehad. Zoals Soros zei: 'Het is makkelijker om rijk te zijn in Amerika dan in Europa, want Europeanen zijn jaloers op de miljardair, maar Amerikanen hopen hem na te bootsen.’ Maar naarmate de welvaartskloof groter werd en de rijken buitenproportioneel leken te profiteren van reddingsoperaties door de overheid is die bewondering gaan verzuren.

Eén maatstaf voor de stekeliger stemming is hoe riskant het is geworden voor politici om publiekelijk te pleiten voor Big Business. Het verdedigen van Big Oil en tekeergaan tegen overheidsinmenging was altijd een verplichte taak voor Texas-Republikeinen. Maar toen Congreslid Joe Barton probeerde het Witte Huis aan te pakken vanwege het 'afknijpen’ van BP na de olieramp werd hij onmiddellijk tot zwijgen gemaand door oudere partijleden.

In juni, toen ik Larry Summers, destijds de hoogste economisch adviseur van de president, vroeg naar de bezwaren van hedgefondsen tegen de belastinghervorming voor winstdeling, distantieerde hij zich snel van de zorgen van Wall Street. 'Als dat de belangrijkste kwestie is op het gebied van openbaar bestuur die je bent tegengekomen’, zei hij, 'heb je je in andere kringen bewogen dan waar ik in de afgelopen paar maanden ben geweest.’ Ik herinnerde hem eraan dat hij zelf voor een hedgefonds had gewerkt, D.E. Shaw, in 2008 nog maar, en hij benadrukte nog eens dat hij de bepaling in de afgelopen paar maanden had gebruikt.

Critici van de superelite komen er steeds meer, zelfs op bijeenkomsten van de superelite. Op een Wall Street Journal-conferentie in december 2009 stelde Paul Volcker, het legendarische voormalige hoofd van de Federal Reserve, dat de beweringen van Wall Street dat het welvaart creëerde geen werkelijke grond hadden. 'Ik zou willen dat iemand’, zei hij, 'mij een greintje objectief bewijs bood dat financiële innovatie heeft geleid tot economische groei - één klein flintertje bewijs.’

Op Google’s Zeitgeist-bijeenkomst van mei richtte Desmond Tutu, de eerste spreker, meteen zijn pijlen op de vergoedingen voor managers. 'Ik heb een zeer reëel probleem met het kapitalisme’, hield hij de verzamelde managers voor. 'Het Goldman Sachs thing. Ik las dat een van de directeuren-generaal - hoe ze ook worden genoemd, CEO - in één jaar als salaris 64 miljoen dollar meenam. Vier-en-zestig miljoen dollar.’ Stamelend kwam hij tot zwijgen, tijdelijk met stomheid geslagen door dat bedrag (hoewel het naar de normen van Wall Street en Silicon Valley eigenlijk niet eens zo heel veel geld is). In een opiniestuk in The Wall Street Journal vorig jaar waarschuwde zelfs econoom Klaus Schwab - oprichter van het World Economic Forum en de iconische Davos-bijeenkomst ervan - dat 'het systeem van ondernemen wordt geperverteerd’, en dat bedrijven die 'terugvallen in oude gewoontes en excessen’ mogelijk 'de maatschappelijke vrede ondermijnden’.

De kloof overbruggen

Natuurlijk worden niet alle plutocraten gelijk geschapen. De visionair van Apple, Steve Jobs, is noch het morele noch het economische equivalent van de Russische oligarchen die hun vermogen vergaarden door schaamteloos de natuurlijke rijkdommen van hun land in te pikken. En terwijl bij de vruchten van de financiële 'innovaties’ van het afgelopen decennium, zoals Volcker opmerkte, vraagtekens zijn te plaatsen, zijn veel plutocratische fortuinen - vooral in de technologiesector - gebouwd op ontwikkelingen die in hoge mate de natie en de wereld tot voordeel zijn geweest. Dat is de reden dat, ook al zijn de bankiers die TARP-steun hebben ontvangen object van wijdverbreide woede geworden, mensen als Steve Jobs, Bill Gates en Warren Buffett nog steeds helden zijn.

En als puntje bij paaltje komt is dát het dilemma: Amerika heeft werkelijk veel van zijn plutocraten nodig. We hebben profijt van de goederen die zij produceren en de banen die ze creëren. En zelfs als een groeiend deel van die banen overzees is, is het beter om het thuisland te zijn van deze innovators - autochtoon én immigrant - dan niet. In de hypercompetitieve mondiale omgeving van vandaag hebben we meer dan ooit een creatieve, dynamische superelite nodig.

Daarbij is er nog het simpele feit dat iemand zal moeten betalen voor het verbeterde openbaar onderwijs en de sterkere sociale zekerheid die de Amerikaanse middenklasse nodig zal hebben om zich een weg te kunnen banen door de ontwrichtende veranderingen van de mondiale economie. (Om maar te zwijgen van het kleine probleem van het begrotingstekort.) Onvermijdelijk zal een hoop van dat geld moeten komen van de rijken - per slot van rekening, zoals de bankrovers zeggen, is dat waar het geld zit.

Het verbaast niet echt dat de plutocraten zelf zich verzetten tegen een dergelijke analyse en zichzelf beschouwen als eruit gepikt, ten onrechte belasterd of zelfs bestraft voor hun succes. Eigenbelang is, per slot van rekening, de moeder van de rationalisering, en - zoals we hebben gezien - veel van de rationaliseringen van de plutocratie zijn méér dan slechts een klein beetje waar: als klasse zijn ze over het algemeen meer hardwerkend en meritocratisch dan hun voorvaderen; hun filantropische inspanningen zijn innovatief en belangrijk, en de recente verliezen van de Amerikaanse middenklasse brachten in veel gevallen winst met zich mee voor de rest van de wereld.

Maar als de weerstand van de plutocraten tegen verhogingen van hun belastingen en strengere regulering van hun economische activiteiten begrijpelijk is, is het ook een vergissing. De echte bedreiging voor de superelite, binnenlands en buitenlands, is niet een bescheiden verhoging van de belastingen, maar eerder de mogelijkheid dat ontluikende publieke woede zou kunnen samenvallen met een meer concrete populistische agenda - zo zouden, bijvoorbeeld, Amerikanen uit de middenklasse kunnen concluderen dat de wereldeconomie hun niets goeds brengt en besluiten dat protectionisme of werkelijk hoge belastingen te verkiezen is boven periodieke maatregelen zoals de uiteindelijke afschaffing van Bush’s belastingverlaging voor de hogere inkomensgroepen.

Mohamed El-Erian, een CEO van Pimco, is een schoolvoorbeeld van de superelite. Maar hij is ook iemand wiens vader opgroeide op het platteland van Egypte, en hij deed onderzoek naar landen waar de kloof tussen de rijken en de armen gewelddadige gevolgen heeft gehad. 'Als succesvolle mensen zeggen dat de problemen van de lagere inkomensgroepen voor hen niet relevant zijn, is dat kortzichtig’, zei hij. In de wetenschap dat in de meeste westerse geïndustrialiseerde landen 'mondiale arbeid en kapitaal het beter doen dan hun puur nationale tegenhangers’ vervolgde El-Erian: 'Ik denk dat dit zal leiden tot steeds meer naar binnen gerichte maatschappelijke en politieke posities. Ik ben bang dat we het risico lopen dat we uiteindelijk geïsoleerd beleid gaan ontwikkelen dat niet goed werkt in een geglobaliseerde wereld. Een van de grote verrassingen van 2010 is dat de protectionistische hond niet heeft geblaft. Maar dat zal onder druk wel gaan gebeuren.’

De les van de geschiedenis is dat, op de lange termijn, superelites op twee manieren kunnen overleven: door onvrede te onderdrukken of door hun rijkdom te delen. Het ligt voor de hand wat het beste zou zijn voor Amerika, en de wereld. Laten we hopen dat de plutocraten nog niet al te geïsoleerd zijn om dat in te zien. Want uiteindelijk kan er nooit een plek bestaan als Galt’s Gulch.

© 2011 by The Atlantic Monthly.

Vertaling Rob van Erkelens