De literaire verbeelding van de uitzonderingstoestand

Kleist, Kafka, Coetzee

HEINRICH VON KLEIST
VERZAMELD PROZA. ALLE VERHALEN EN ESSAYS
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 334 blz., € 32,50

De novelle Michael Kohlhaas van Heinrich von Kleist gaat, zoals de auteur in de eerste zin opmerkt, over ‘een van de meest rechtschapen en tegelijk meest verschrikkelijke mensen van zijn tijd’. De ambiguïteit van deze zin, en van de novelle in haar geheel, verontrust ook de hedendaagse lezer. Michael Kohlhaas wordt namelijk niet gedreven door blinde wraak, maar wil niets meer (en niets minder) dan dat rechtvaardigheid geschiedt. Deze wens is zo sterk, omdat hij zichzelf buiten de rechtsorde geplaatst ziet.
Michael Kohlhaas, geschreven in 1810 en recentelijk opnieuw in het Nederlands vertaald, begint wanneer het titelpersonage, een paardenhandelaar uit de zestiende eeuw, met enkele paarden de burcht van Junker Wenzel von Tronka wil passeren. Hoewel hij in het verleden altijd vrije doorgang heeft gekregen, krijgt hij nu te horen dat hij alleen verder kan gaan met de daarvoor benodigde papieren. Die papieren kan hij afhalen in Dresden, hoofdstad van Saksen, op voorwaarde dat hij twee paarden als onderpand achterlaat. Met tegenzin vertrekt Kohlhaas naar Dresden, waar hij ontdekt dat de benodigde vergunning helemaal niet bestaat. Terug bij de burcht van Von Tronka treft hij zijn paarden in erbarmelijke conditie aan; ze zijn gebruikt om het land mee te bewerken. Zijn knecht, die de paarden zou verzorgen, is door Von Tronka’s mannen mishandeld en van de burcht verdreven.
Kohlhaas besluit tegen Von Tronka een proces aan te spannen, waarin hij eist dat deze de paarden weer in oude staat herstelt en opdraait voor medische kosten van de knecht. Maar Von Tronka heeft een invloedrijke familie: zijn neven zijn raadsheer bij de keurvorst van Saksen, die Kohlhaas’ eis naast zich neerlegt. In een reactie van het gerechtshof wordt Kohlhaas uitgemaakt voor een ‘nutteloze querulant’, die het hof niet moet lastigvallen met kleinigheden. Wanneer zijn vrouw een laatste verzoekschrift wil indienen bij de keurvorst wordt ze dodelijk verwond door een wachter. Kohlhaas gaat vervolgens zelf achter Von Tronka aan, daarbij elke stad platbrandend waar die zich ophoudt.
De situatie waarin Kohlhaas zichzelf aantreft, staat in de politieke filosofie sinds Carl Schmitt bekend als de ‘uitzonderingstoestand’. De uitzonderingstoestand gaat niet, zoals Hobbes’ beroemde ‘natuurtoestand’, vooraf aan de rechtsorde, maar is het resultaat van de opschorting van de rechtsorde. Het is een hoogst paradoxale situatie, een niemandsland tussen wetteloosheid en wettelijkheid, waarin de soeverein besluit om de wet buiten kracht te stellen om de staat te beschermen. Schmitts theorie van de uitzonderingstoestand was geïnspireerd door een artikel uit de Weimar-constitutie – hetzelfde artikel, overigens, waarmee Hitler in 1933 als rijkskanselier de grondwet buiten werking kon stellen en zichzelf tot Führer van Duitsland kon uitroepen.
De uitzonderingstoestand moet niet verward worden met een situatie van wetteloosheid. Volgens de filosoof Giorgio Agamben is er sprake van een wet die alleen vorm, maar geen betekenis (meer) heeft. Aan deze beschrijving voldoet de absurde eis van de reispapieren, die uiteindelijk niet eens bestaan. Maar ook het strafrecht blijkt leeg op het moment dat Kohlhaas er een beroep op wil doen. Doordat hij geen rechten blijkt te hebben, is Kohlhaas in feite een banneling. Hij plaatst zichzelf dan ook niet buiten de wet, zoals wel gesuggereerd wordt, maar hij wordt buiten de wet geplaatst op het moment dat blijkt dat hij er zich niet op kan beroepen. ‘Verstoten’, zo zegt hij, ‘noem ik degene die de bescherming van de wet ontzegd wordt.’
Veelbetekenend is daarom de rol van Maarten Luther in het verhaal. Nadat Kohlhaas herhaaldelijk de stad Wittenberg in brand heeft gestoken, schrijft Luther een woedend pamflet tegen hem. Kohlhaas, die Luther vereert, bezoekt de oude geleerde en weet hem te overtuigen van de rechtmatigheid van zijn daden. Luther pleit uiteindelijk zelfs voor amnestie bij de keurvorst van Saksen. De figuur van Luther staat voor het niet-erkennen van aardse soevereiniteit: de Reformatie bestond immers voor een groot deel in een terugkeer naar de (Bijbel)teksten, en een groeiend wantrouwen tegen (wereldlijke en kerkelijke) autoriteiten. Luthers autoriteit bestaat voor Kohlhaas dan ook vooral in zijn niet-autoriteit. Niet voor niets noemt Kohlhaas zichzelf ‘een rijks- en wereldsvrije, alleen aan God onderworpen heer’.
Ook daarmee past Kohlhaas in de theorie van de uitzonderingstoestand, want het spiegelbeeld van de soeverein (Von Tronka), die zichzelf boven de wet plaatst, is de banneling, die buiten de wet valt. Of, in Agambens termen, de homo sacer. Homo sacer, zo zei het Romeinse recht, was degene die gedood kon worden zonder dat er sprake was van moord, maar die niet geofferd mocht worden. Agamben beschrijft in zijn gelijknamige boek uit 1995 uitvoerig hoe de homo sacer (letterlijk ‘heilige mens’) buiten zowel de aardse als de goddelijke wet viel. Hij was de uitzondering, de naakte mens die van al zijn rechten ontdaan is, en waarvan slechts zijn biologisch leven nog rest. Kohlhaas getuigt hiervan als hij zegt: ‘Liever een hond zijn, wanneer ik met voeten getreden word, dan een mens.’
Deze woorden van Kohlhaas krijgen een echo in de laatste woorden van Josef K. in de laatste zin van Kafka’s Der Prozess: ‘Als een hond!’ Het proces dat K. doorlopen heeft was zo verstoken van inhoud, zo louter formeel, dat hij zelfs niet wist waaraan hij zich schuldig gemaakt had. K. is bij uitstek de homo sacer, en uiteindelijk wordt hij dan ook niet zozeer onderworpen aan de wet, maar veeleer daarvan uitgesloten. Dat blijkt uit de ‘uitkomst’ van het proces in het laatste hoofdstuk, dat meer lijkt op een slachting dan op een executie. K. wordt door twee mannen (onaangekondigd) meegenomen naar een verlaten steengroeve, waar de een hem in bedwang houdt, terwijl de ander een mes in zijn borst drukt.
De parallellen tussen het werk van Kafka en Von Kleist zijn al vaak opgemerkt. Kafka was een groot bewonderaar van Von Kleist, en hield Michael Kohlhaas voor een meesterwerk. Het motief van de ontoegankelijkheid van de autoriteit en de louter formeel geworden wet loopt als een rode draad door Kafka’s werk. Bijvoorbeeld in het verhaal Beim Bau der Chinesische Mauer, waarin een heel volk aan een muur bouwt, zonder dat iemand nog weet waarom. Maar het duidelijkst komt het naar voren in het Vor dem Gesetz, de parabel die de priester in Der Prozess aan K. vertelt, en die beschrijft hoe een ‘man van het land’ zijn leven lang toegang tot de wet probeert te krijgen, maar daarvan weerhouden wordt door een wachter aan de poort.
De verwijzingen naar Kafka liggen voor het oprapen in het oeuvre van J. M. Coetzee. Neem de dialoog tussen Lucy en haar vader David in Disgrace (1999), nadat Lucy eerst verkracht is en daarna gedwongen in het huwelijk moest treden (met de bijbehorende onteigening) om te kunnen blijven wonen waar ze woont. ‘Met niets. Zonder troeven, zonder wapens, zonder eigendom, zonder rechten, zonder waardigheid’, zegt Lucy, waarop David zegt: ‘Als een hond.’
Coetzee’s eerdere roman Life and Times of Michael K (1983) verwijst niet alleen naar Kafka, zoals al vaak is opgemerkt, maar ook naar Michael Kohlhaas. De roman speelt tegen de achtergrond van een (fictieve) burgeroorlog in Zuid-Afrika. Michael K probeert samen met zijn zieke moeder het door onlusten beheerste Kaapstad te verlaten, maar krijgt hiervoor niet de benodigde reisvisa. Na maanden wachten legt hij zijn moeder op een zelfgemaakte handkar, en verlaten zij (illegaal) de stad. Als zijn moeder kort daarop sterft, zwerft Michael K doelloos rond. Hij wordt te werk gesteld aan een spoorlijn, leeft in de bergen als een dier, en kweekt pompoenen op een verlaten akker. Wanneer hij door soldaten ontdekt wordt, denken ze dat hij hulp biedt aan guerrillastrijders. Hij wordt opgesloten in een concentratiekamp.
De overeenkomsten tussen Michael K en Michael Kohlhaas houden niet op bij de naam en de moeilijk te verkrijgen reispapieren. Veel belangrijker is dat ze beiden bannelingen zijn, homines sacri. Michael K begint zich na zijn verbanning, nadat hij buiten de rechtsorde geplaatst is, ook steeds meer als een dier te gedragen. Eerst probeert hij nog, als een roofdier, andere ‘hogere’ dieren te vangen: hij schiet vogels met een katapult en doodt een geit met een zakmes. Later, wanneer hij de bergen in trekt, voedt hij zich met larven en mieren. ‘Ook at hij wortels. Hij was niet bang voor vergiftiging, want hij scheen het verschil te kennen tussen goedaardige bitterheid en kwaadaardige, alsof hij ooit een dier was geweest en de kennis van goede en slechte planten nog niet gestorven was in zijn ziel.’ Maar deze regressie, deze abstractie van menselijke waardigheid tot het ‘naakte leven’, blijkt niet alleen uit Michael K’s leven in de bergen en op het land, maar vooral door zijn verblijf in het kamp.
Volgens Agamben is het kamp de exemplarische (verblijf)plaats van de homo sacer, van het naakte leven. Het kamp is de absolute ‘uitzonderingsruimte’, de materialisatie van de uitzonderingstoestand. Wanneer Agamben over het kamp spreekt, bedoelt hij niet alleen extreme gevallen als de kampen van nazi-Duitsland of de Goelag, maar verwijst hij vooral naar de puur juridische idee van het kamp, als een ruimte waar geen (burger)rechten meer gelden. Dat laatste geldt niet alleen voor voornoemde kampen, maar ook voor asielzoekerscentra, voor vluchtelingenkampen en, niet te vergeten, voor ‘gevangenissen’ als Guantánamo en Abu Ghraib. Gevangenissen in eigenlijke zin zijn laatstgenoemde niet, omdat de gevangenis zich, anders dan het kamp, binnen de sfeer van het strafrecht bevindt. Een gevangene heeft rechten. Het kamp bevindt zich in een juridisch niemandsland, en zijn bewoners hebben geen rechten; zij zijn slechts ‘naakt leven’. De veelgehoorde vraag over de Duitse concentratiekampen, hoe zulke misdaden tegen mensen gepleegd konden worden, is volgens Agamben dan ook misplaatst. Eerlijker zou zijn om de (juridische) vraag te stellen hoe mensen zozeer van hun rechten ontdaan konden worden dat niets wat ze werd aangedaan nog een misdaad was.
In het kamp wordt Michael K ondervraagd en gedwongen lichamelijke oefeningen te doen. Zijn leven in de wildernis heeft hem zo verzwakt dat hij nog maar veertig kilo weegt. Een dokter op de ziekenboeg beschrijft zijn indruk van K: ‘Hij rolt als een steen door deze inrichtingen en kampen en ziekenhuizen en God weet wat nog meer. Door het ingewand van de oorlog. Een onvruchtbaar, ongeboren schepsel. Ik kan hem niet echt als een man beschouwen, hoewel hij naar alle waarschijnlijkheid ouder is dan ik.’ Dit is de status van de vluchteling K: niet langer een man, misschien zelfs geen dier meer, maar een steen, een onvruchtbaar, ongeboren schepsel.
K weigert voedsel. Niet uit protest, maar omdat hij het kampvoedsel niet kan eten. De kampdokter, die steeds meer geïntrigeerd is, probeert alles om hem te overreden te eten. Tevergeefs, want K is geen dienstweigeraar à la Melville’s kantoorklerk Bartleby (die op alle opdrachten van zijn werkgever reageert met: ‘I would prefer not to’). Het is geen daad van de wil – K’s wil is al lang gebroken –, maar een daad van het lichaam, dat het kampvoedsel simpelweg niet tot zich kan nemen. Dat is wat de dokter zo fascineert: ‘Je was net een konijntje dat is ingenaaid in het karkas van een os en het daar ongetwijfeld stervens benauwd heeft, maar tegelijkertijd, te midden van al die emmers vlees, snakt naar het ware voedsel.’ Het is het naakte leven dat in opstand komt tegen de soeverein. Geen opstand zoals die van Michael Kohlhaas, omdat daartoe K de middelen ontbreken. Hem rest echt niets meer dan zijn lichaam.
Als Michael K uiteindelijk toch weet te ontsnappen uit het kamp zegt hij tot zichzelf: ‘Misschien is het in werkelijkheid al voldoende als je kans ziet uit de kampen vandaan te blijven, uit alle kampen tegelijk. Misschien is dat voorlopig al genoeg. Hoeveel mensen zijn er nog die noch zijn opgesloten, noch op wacht staan bij de poort?’ Hiermee wijst hij op de 21ste-eeuwse geopolitieke constellatie, waarin, zoals Agamben zegt, de uitzonderingstoestand in toenemende mate de regel wordt. Er is een groeiende tweedeling gaande tussen haves en have-nots, maar dan niet in economische termen (hoewel dit vaak gerelateerd is), maar in juridische: zij die zichzelf boven de wet plaatsen staan tegenover hen die buiten de wet geplaatst worden. De Patriot Act en andere antiterrorismewetten (waarvan vele artikelen nog van kracht zijn) en het kamp Guantánamo Bay (dat nog altijd open is) zijn hiervan slechts de extreme voorbeelden. Maar ook de vele kilometers prikkeldraad die nodig zijn om vluchtelingen en asielzoekers buiten (of juist binnen) te houden geven een duidelijk signaal af: wie aan de verkeerde kant van het hek staat, heeft geen rechten.
In het licht van deze verontrustende ontwikkelingen kunnen de werken van Von Kleist, Kafka en Coetzee (opnieuw) gelezen worden als politieke allegorieën. Michael Kohlhaas, Jozef K. en Michael K leveren indringende portretten van bannelingen, van vluchtelingen, van mensen die van al hun rechten ontdaan worden totdat hun alleen het ‘naakte leven’ nog rest. Ze vallen buiten de wet, hun levens worden niettemin door de wet verwoest. Er buiten vallen, en er toch toe behoren, dat is volgens Agamben de topologische structuur van de uitzonderingstoestand. Von Kleist, Kafka en Coetzee laten ons zien hoe een wereld eruitziet waarin de uitzonderingstoestand de regel is geworden.

J.M. Coetzee, Life and Times of Michael K. Vintage, 192 blz., £ 10.99