Kletsen krijgen

Angst voor het verlies van hun vastigheid drijft de Europese kiezers voort. In Nederland ondervinden de partijen dat ook. Wie geeft de burger moed?

IS DE UITSLAG van de Europese verkiezingen het bewijs voor de stelling van de Franse Midden-Oostenspecialist Dominique Moïsi dat Europa het continent van de angst is? Angst voor het verlies van onze welvaart en onze identiteit, voor vreemdelingen en de toekomst?
Misschien zijn dit wel de enige vragen die door velen met instemmend geknik worden beantwoord, want voor het overige overheerst in de analyses de verwarring.
Nadat in alle 27 landen van de Europese Unie de kiezer naar de stembus was geweest, bleek Europa in ieder geval niet de regio in de wereld waar de hoop leeft dat we ondanks de vele crises die ons bedreigen er samen iets van kunnen maken. Uit alleen al de laagste opkomst ooit spreekt op z’n minst desinteresse, mogelijk zelfs afkeer van Europa en de politiek, maar in ieder geval geen hoop.
Ook de uitslag zelf wijst in de richting van dat laatste. De conservatieven zijn Europabreed als sterkste uit de bus gekomen, of ze nou in een land in de regering zitten of niet, of hun eerste man Berlusconi heet en met blote jonge vrouwen in verband wordt gebracht of de naam Balkenende draagt en pleit voor normen en waarden. Dit resultaat hebben de conservatieven overigens niet bereikt door te winnen, maar door niet te veel te verliezen.
De sociaal-democraten hebben daarentegen kletsen gekregen, zoals ze dat in Vlaanderen zeggen. Ook bij hen was dat Europabreed, eveneens ongeacht de vraag of ze regeringsverantwoordelijkheid dragen of niet, onderling ruzie maken zoals in Frankrijk of pornovideo’s en eendenhuizen declareren zoals in Groot-Brittannië. De liberalen konden eveneens geen winst bekendmaken nadat de stemmen overal waren geteld. Met de traditionele middenpartijen gaat het kortom niet goed of zelfs niet best.
De eurosceptici en nationalisten hebben het juist wel goed gedaan, ook in landen waar er geen Geert Wilders is die de moslims, de media en de intellectuelen demoniseert, wegloopt bij een Kamerdebat of een volgende overtreffende trap vindt in het schofferen van zijn politieke tegenstanders om ze opnieuw vertwijfeld achter te laten. Ook daar waar de angst voor het vreemde en de toekomst minder wordt aangedikt, heerst die blijkbaar.
Voor Nederlandse politici heeft zo’n Europabrede blik de verleiding van troost in zich. Dan kan het CDA juichen dat de Europese Volkspartij waartoe het in Brussel behoort de grootste is gebleven. Dan hoeft het verlies van de PVDA niet gelegen te hebben aan haar onbekende lijsttrekker, de ruzies in de coalitie met het CDA, de onzichtbaarheid van partijleider Wouter Bos of de dubbelhartige boodschap over Europa, maar zijn de sociaal-democraten slachtoffer van een trend. De winst van de Partij voor de Vrijheid is vanuit Europa bezien dan minder een exclusief Nederlands fenomeen.
Maar die brede blik verdoezelt de werkelijkheid. Nuchter bezien moet het CDA erkennen verlies te hebben geleden, dat wel eens veel groter zou kunnen zijn bij een hogere opkomst. De sociaal-democraten moeten, zonder Europese bril, onder ogen zien dat het probleem waar ze inmiddels al jaren mee kampen veel dieper zit en ingewikkelder is. De tegenstanders van Wilders moeten ook dichtbij scherp blijven kijken en juist door te onderkennen dat er een brede voedingsbodem is voor extreme standpunten, woede en haat, zien dat een ‘handig’ politicus als Wilders extra gevaarlijk is.
Bij de sociaal-democraten werd gedacht dat het failliet van het neoliberalisme de kiezers zou doen terugkeren. Dat blijkt een verkeerde veronderstelling. Het opflakkeren van de populariteit van Bos toen hij als minister van Financiën een half jaar geleden de banken redde, is misschien juist tekenend voor wat een deel van de kiezers het belangrijkst vindt: politici die stevig ingrijpen, gericht op het directe eigenbelang van hemzelf, de kiezer. Nu de angst om de spaarcenten is weggenomen en beslissingen om de economie draaiende te houden veel ingewikkelder blijken, zijn die kiezers weer ergens anders gaan shoppen.
Vroeger beloofde de PVDA de arbeiders een auto, dat was vooruitgang, nu zouden de sociaal-democraten deze rondshoppende kiezers moeten beloven dat niemand die auto en vele andere luxe goederen zal kwijtraken, maar die hoop kunnen ze niet geven. Het ontslagrecht intact laten en de uitkeringen en de koopkracht op peil houden, is niet voldoende als bedrijven geheel of gedeeltelijk omvallen en er massa’s mensen uit moeten.
Zo drijft angst voor het verlies van hun vastigheid een deel van de kiezers voort. Niet alleen de PVDA ondervindt dat, maar ook CDA en VVD. De LPF is door die kiezers al uitgeprobeerd totdat het daar een puinhoop bleek, de SP deden ze ook al aan, maar daar is Jan Marijnissen als leider weg, en Rita Verdonk bleek het ook niet te zijn.
Twee winnaars van de Nederlandse verkiezingen voor het Europarlement, D66 en GroenLinks, kunnen de kiezer die hoop ook niet geven. Maar zij zitten niet in een spagaat zoals de traditionele middenpartijen, omdat hun achterbannen dit soort hoop van hen ook niet verwachten. Hun kiezers hopen op groener, kwalitatief beter en zijn bereid eventueel ook met minder genoegen te nemen, wetende of er in elk geval op hopende dat het met dat minder niet zo’n vaart zal lopen omdat ze zichzelf wel kunnen redden. Bij hen zijn de angstige kiezers dan ook niet neergestreken.
Nu dus wel bij de PVV van Wilders. Zo polariseert en versnippert het politieke landschap. Straks heeft elke belangengroep zijn eigen politieke partijtje en zijn er steeds minder partijen die in zichzelf verschillende belangen vertegenwoordigen en tegen elkaar proberen af te wegen met oog voor wat goed zou zijn voor het grotere geheel. Dat zijn de kletsen die de politiek krijgt, gevoed door angst.