Kletsmajoor

H. A. Couzy, Mijn jaren als bevelhebber. Uitgeverij Contact, 184 blz., f29,90
DE KONINKLIJKE Landmacht is niet meer dezelfde geweest sedert Moskou het rode bijltje erbij neergooide. In vier jaar tijd is de dienstplicht afgeschaft, het aantal militairen gehalveerd en het restant omgevormd tot een snelle- reactiemacht-in-opbouw. Maar wie dacht dat deze ambitieuze ombuiging het werk was van Relus ter Beek en zijn Prioriteitennota, kwam vorige week bedrogen uit. In zijn autobiografie Mijn jaren als bevelhebber verklapt de scheidende commandant van de landmacht, Hans Couzy, dat we die verandering eigenlijk danken aan onze captains of industry.

Eind 1993 werd Couzy, als eerstverantwoordelijke voor de reorganisatie, tot wanhoop gedreven door de Haagse bureaucratie. Op aanraden van een Rotary-vriendje wendde hij zich voor advies tot de gevierde turn- around managers van Philips, Volker Stevin en andere multinationals. In een spetterende brainstormsessie bedachten militairen en industrielen gezamenlijk een nieuw sturingsconcept voor de Landmacht. Op aanraden van een Akzo-adviseur werd de organisatie radicaal omgegooid: de uitvoerende en beleidsmatige taken werden voortaan strikt gescheiden. De rest, zo maakte KPN-directeur Wim Dik de bevelhebber wijs, was een kwestie van communicatie: ‘Afrekenen met het oude imago. Nieuwe klantvriendelijkheid scheppen. Dat is de succesfactor.’
Vandaar dat Defensie tegenwoordig alle problemen, inclusief die in Srebrenica, bij voorkeur afdoet als 'communicatiestoornissen’.
De transformatie van de krijgsmacht volgens het Akzo- model is niet het enige opzienbarende hoofdstuk in het boek, ware het niet dat de auteur zichzelf voortdurend op luide toon tegenspreekt. Op de ochtend van zijn vertrek klaagde hij nota bene in De Telegraaf dat hij een eenzame strijd had gevoerd: 'Ik heb in stilte geleden.’ Toegegeven, de ambtelijke egelstelling van Defensie aan het Haagse Plein herbergt procedurele verschrikkingen waarvoor de gehardste militair op de vlucht zou slaan en Couzy heeft daar ongetwijfeld onder geleden - maar nimmer in stilte. Twee maanden na zijn aantreden was het al raak: in een artikel in NRC Handelsblad voorspelde hij een 'chaos’ bij de landmacht als de dienstplicht volgens plan zou worden afgeschaft. Tot zijn geluk nam minister Ter Beek genoegen met een excuus in de vorm van een publieke loyaliteitsverklaring, maar door Diks lessen in communicatie werd het van kwaad tot erger.
Zijn afscheid van afgelopen donderdag verliep in stijl. Nauwelijks had de laatste tromroffel weerklonken of de kersverse generaal b.d. trakteerde zijn vroegere superieuren op een spervuur van verwijten. In zijn autobiografie stelt hij om te beginnen dat minister Voorhoeve geen militair inzicht heeft en ondoordacht bezuinigt. Voorts schrijft hij dat staatssecretaris Gmelich Meijling zo dom en hooghartig is dat Couzy sinds mei '95 geen woord meer met hem heeft gewisseld.
Ook Ter Beek krijgt enige voltreffers in de vlezige flanken. Volgens Couzy was hij lui, onaanspreekbaar en opportunistisch. Ter Beeks grootste verdienste was dat zijn ijskast altijd openstond - een detail dat te mooi is om niet waar te zijn. Je ziet die twee veldheren op vrijdagmiddag bij de ijskast hokken: 'Bommen’ Relus en Hans de troepenman, hun zoveelste papieren veldslag afdrinkend met een jonge rakker.
Voorhoeve daarentegen had de gewoonte om met de bevelhebbers te lunchen aan een 'keurig gedekte tafel, waarop bordjes met onze namen prijkten’. De minister ontstak dan in een ellenlange monoloog, waarna er voor de zieltogende toehoorders een paar minuten overbleven. 'Het was aardig om te horen wat de minister met zijn adviseurs had besproken, maar het had niets met communicatie te maken’, aldus Couzy.
COUZY HEEFT ongetwijfeld gelijk dat er veel schort aan de verstandhouding tussen politiek en krijgsmacht en dat een bevelhebber wel gedwongen is om zijn stem te verheffen, maar zijn eigen opvatting van communicatie lijkt me geen remedie. In zijn boek schrijft hij bijvoorbeeld dat de luchtsteun voor Dutchbat uitbleef als gevolg van een 'misverstand’ tussen Karremans en de VN-leiding in Sarajevo, een versie die door de onthullingen van vorige maand in NRC Handelsblad ruimschoots achterhaald is. Daarentegen beweerde hij vorige week in Vrij Nederland en EO Tijdsein dat generaal Janvier de luchtsteun moedwillig had tegengehouden in ruil voor de vrijlating van twee neergeschoten Franse piloten door de Bosnische Serviers. Zijn interviewers slikten dat voor zoete koek, maar Parijs ontkrachtte de beschuldiging per kerende fax. In het persbericht werd erop gewezen dat de Franse piloten pas op 30 augustus - bijna twee maanden na de val van Srebrenica - waren neergeschoten. Een woordvoerder van de ambassade was gaarne bereid om het Franse standpunt te verduidelijken: 'Couzy kletst maar wat.’ Het is een rake typering.
Volgens zijn memoires is openhartigheid zijn handelsmerk: 'Sinds ik in 1957 voor een loopbaan als beroepsofficier koos, heb ik me zeer loyaal opgesteld. Maar als me iets dwarszat, heb ik van mijn hart geen moordkuil gemaakt.’ De verhouding met zijn eerste politieke baas, staatssecretaris Van Houwelingen, ontspoorde zodra Couzy in 1988 werd benoemd tot directeur Materieel. Van Houwelingen omringde zich met medewerkers die hem naar de mond praatten, aldus Couzy, maar 'ik paste niet in dat stramien’. Bladzij na bladzij belijdt hij een soort krampachtige rechtlijnigheid die aan Frits Bolkestein doet denken en misschien wel naar hem gemodelleerd is. Hij steekt zijn VVD-sympathie niet onder stoelen of banken en het is goed mogelijk dat Couzy, gelijk zijn vader, na zijn militaire loopbaan een kamerlidmaatschap voor die partij ambieert. Zijn autobiografie is dan bedoeld als een verkapt politiek manifest.
IN ZIJN talloze conflicten met de politieke leiding speelde hij naar eigen zeggen telkens een heldenrol. Hij was de enige soldaat temidden van onnozele ambtenaren en politici, de enige die 'echt de belangen van het personeel behartigde’. Of het nu ging om de duur van de opleidingen, de verkorting van de diensttijd of de bezuinigingen op het materieel, Couzy weigerde consequent te marchanderen met de veiligheid van zijn mensen. Tot vervelens toe bezweert hij de lezer dat hij in zulke gevallen zijn 'rug recht hield’ en indien nodig dreigde om zijn 'pet aan de kapstok te hangen’.
Je zou hem bijna gaan geloven, tot je de passages over Srebrenica leest. De inderhaast geformeerde luchtmobiele brigade (zonder helikopters!) was in de geisoleerde enclave bij voorbaat kansloos. De bevelhebbers wisten het, de soldaten wisten het en, zo schrijft Couzy, ook Ter Beek wist het: 'Toen de knoop moest worden doorgehakt, liet hij ons binnenskamers weten het met ons eens te zijn dat we niet moesten gaan. Maar toen de Tweede Kamer oordeelde dat Nederland moest meedoen, wendde hij soepel de steven.’ Als er een moment in Couzy’s veertigjarige carriere is geweest waarop hij daadwerkelijk zijn rug had moeten rechten, zijn pet aan de kapstok had moeten hangen en wat dies meer zij, was het op dat moment. Maar uitgerekend toen er aantoonbaar werd gemarchandeerd met de levens van Nederlandse soldaten, ging Couzy evenals zijn politieke baas overstag.
Terwijl hij tegen de media ernstige bedenkingen uitte, liet hij zijn plaatsvervanger aan Ter Beek melden dat de uitzending een 'niet eenvoudige, maar wel uitvoerbare opdracht’ was. Intussen zag hij er persoonlijk op toe dat de bewapening van de Nederlandse pantserwagens werd teruggeschroefd, want die boordkanonnen konden onze jongens toch niet bedienen. Het staat er echt, op bladzijde 139. Toen het erop aankwam, bleek de grote communicator een kletsmajoor.
Voor de landmacht is het te hopen dat zijn opvolger Schouten een man is die of zijn woord, of zijn mond houdt.