Kees ‘t Hart

Kletspraat

Wanneer is het begonnen, die kletspraat van u? Ik weet het niet meer precies dokter, een paar maanden geleden denk ik, misschien had ik te veel essaybundels gelezen of cultuurbijlagen. Heeft u de laatste tijd wat meer onder druk gestaan, waren er nare dingen op het werk of thuis? Nee, dat niet, op het werk gaat alles goed en thuis ook, we hebben daar niet zoveel tijd voor kletspraat. Maar hoe uitte de kletspraat zich dan? In het begin was het eigenlijk heel onschuldig dokter, ik zei dat literatuur meer over het echte leven zou moeten gaan, dat schrijvers eens wat meer hun bureaus zouden moeten verlaten. Ja, dat valt inderdaad mee, maar vaak begint het wel zo, daar hebben wij veel ervaring mee, vooral dat literatuur over het echte leven moet gaan, dat is toch wel behoorlijk erg, u had het dus al gelijk flink te pakken. Dus er zijn veel meer mensen die aan kletspraat lijden? Ach, meneer, het neemt toe en toe, de kletspraat is langzamerhand tot in alle lagen van de bevolking doorgedrongen, het begint altijd onschuldig maar voor je het weet neemt de kletspraat het helemaal over.

Maar vertel eens, wanneer begon de kletspraat echt onverdraaglijk te worden, ik bedoel dat het niet meer te harden was? Nou, dat was een week of zes geleden, ik begon het toen steeds over de werkelijkheid te hebben. Ja, dat is inderdaad erg, zei u dat literatuur meer naar de werkelijkheid moest kijken? Ja dokter, dat zei ik. En dan zeker ook dat de werkelijkheid iedere beschrijving tart? Dat ook dokter. Maar wat nog meer? Dat literatuur een verband heeft met de werkelijkheid, dokter, en dat lezers behoefte hebben aan de verbeeldingskracht van schrijvers. O God, u bent inderdaad al in een vergevorderd stadium, gebruikte u echt de woorden «de verbeelding», zonder dat u zich nog langer afvroeg wat dat betekent en dan steeds met bepaalde lidwoorden erbij? Eerst alleen verbeeldingskracht dokter, maar later ook de verbeelding, dat de verbeelding weer aan de macht moest komen. O God, de verbeelding aan de macht, ja dat is heel erg, zuster kunt u even komen, deze meneer heeft last van heel vervelende kletspraat. Geeft u hem maar even een zetpil, ja neemt u die grote groene maar. Maar wat is dat voor zetpil dokter? De antikletspraatzetpil, meneer, ja, gaat u maar even voor over staan, gaat het zuster, nou gelukkig die zit. U heeft het dus onophoudelijk over «de literatuur» en daarbij praat u ook onverdraaglijk vaak in de wijvorm? Ja, dokter, wij moderne mensen hebben behoefte aan de verbeelding, dat zeg ik steeds en dat wij de literatuur meer dan ooit nodig hebben.

Het spijt me erg meneer, maar ik zal u moeten doorsturen, het wordt vermoedelijk een opname. Maar dokter, is het besmettelijk? Dat weten wij nog niet zeker, vermoedelijk wel, zuster wilt u even de gordijnen naar de stomerij brengen, je kunt niet weten. Ik geef u eerst nog een AKP-kuurtje mee naar huis. Een AKP-kuurtje? Ja, een anitkletspraatkuurtje. Dank u wel dokter.