OPHEFFER

Kleur

Toen ik studeerde, werd ik verliefd op een meisje dat psychologie deed. Op een avond voerde ze een proef met mij uit; ze liet me allemaal foto’s zien van onbekende mannen en ik moest dan zeggen wie ik sympathiek vond. Ik meende dat het ging om ‘serial killers’ – ik had wel eens over zo’n onderzoek gelezen; de sympathieksten zouden de seriemoordenaars zijn. Zorgvuldig koos ik steeds de man uit met het sympathiekste voorkomen. ‘Interessant, interessant’, zei mijn vriendinnetje bij elke keuze.
Toen we klaar waren, vertelde ze dat ik ‘afwijkend’ had gekozen. Ik had voortdurend blanke mannen aangewezen, in plaats van de gekleurde. Het was meestal zo dat gekleurde mannen eveneens gekleurde mannen het sympathiekst vonden – mijn keuze was dus atypisch.
Ik vond het een onzinnig onderzoek waarop veel aan te merken viel en toch hield het me bezig. Blijkbaar identificeerde ik me met blanke mannen, terwijl ik zelf niet blank was, althans niet voor mijn vriendin. Dat hinderde me, merkte ik. Zo bruin was ik toch niet? Maar waarom vond ik dat erg? Wilde ik gezien worden als een blanke en had ik daarom voortdurend het sympathiekste gezicht een blank gezicht gevonden? Het enige wat ik kon bedenken, was dat ik me niet erg bruin voelde. Mijn helden waren inderdaad ook niet bruin: Reve, Hermans, Komrij, sporthelden had ik niet, Bob Dylan, John Lennon, Frank Zappa, Jimi Hendrix, Mick Jagger… Een homo, een paar joden en een neger.
Ik herinnerde me in die tijd een anekdote die mijn moeder over mij vertelde. Wij hadden thuis het fotoboek The Family of Man, waarin foto’s stonden van mensen in alle gedaanten uit alle uithoeken van de wereld. Mijn moeder had toen ik klein was gevraagd of ik wist wat een neger was. Dat wist ik. ‘Een zwarte man.’ Toen moest ik een neger op de foto aanwijzen. Ik zag geen negers. Door de zwart-witfoto’s waren alle mensen grijzig van kleur. Dus ik herkende de neger niet. Mijn moeder vond dit hoogst komisch en later zelfs een bevestiging van het feit dat ik geen racist was, want ‘hij herkent zelfs geen neger’.
Raskenmerken, mij ontgingen ze, maar ik vond ze ook niet belangrijk. Wel merkte ik dat de groep waartoe ik behoorde – Indische jongens – het toch wel vaak over die bruine kleur hadden, maar dat meer uit politieke overwegingen.
En bij mij thuis? Ach, er werd veel gesproken over de beledigingen die de Nederlandse overheid de Indische gemeenschap had aangedaan, maar mijn ouders ankerden dat niet aan kleur. We voelden ons thuis domweg veel verstandiger dan die overheid. En dat is iets dat ik ook met grote regelmaat ben tegenkomen: Indische mensen voelden zich vaak ver verheven boven de blanke Nederlanders. Er was dus eerder sprake van een omgekeerde discriminatie. Blanken, dat waren toch eigenlijk onbeschaafde varkens… Waren wij de Grieken, dan waren zij de Romeinen. Dat gevoel heb ik trouwens zelf nog.
Als ik Obama zie, dan besef ik dat zijn kleur wel van groot belang is. En ik vraag me af: als ik in Amerika president had willen worden, en ik had er de kwaliteiten voor, was mijn kleur dan ook belangrijk? Ik geloof het wel. Ik moet er ook om lachen: Indo for president.
Ik google mijn familie wel eens, en dan zie ik dat er velen naar Californië zijn verhuisd. Bijna al mijn achterneven en -nichten zitten in het leger. Zelfs in Irak. Het vreemde is dat er zelfs een bloedlijn loopt – zo hoorde ik, ik kan het niet controleren – tussen mij en Colin Powell, de ex-generaal en voormalige minister van Buitenlandse Zaken in Amerika.
Die vind ik trouwens zo’n sympathiek gezicht hebben.
Precies mijn vader.