Kunst: Nederland en de Biënnale van Venetië 2019

Kleur bekennen in het Rietveldpaviljoen

Drie kunstenaars ‘van Surinaamse komaf’ vormen de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië volgend jaar. Welke rol speelt hun achtergrond?

Medium iris kensmil   rythme of dutch spoken words   club solo
Iris Kensmil, Rhythm of Dutch Spoken Words, 2015. Installatie, 350 x 517 cm © Gert Jan van Rooij / @club solo

‘Alles wat ik ooit gedaan heb en mijn leven zal blijven doen, is samen te vatten in een zin: man loopt over de planeet aarde.’ De kunstenaar van wie dit een van de weinig bewaarde uitspraken is, liep over de planeet aarde in afgemeten stappen. Hij ondervond de ruimtelijke ordening van zijn omgeving aan den lijve en borg aantekeningen over afstanden en lengtematen op in kunstwerken, in boeken, mappen, kaartenbakken. Het publiek kon de kunstenaar aan de hand van zijn werk volgen, maar kreeg hem zelf niet te zien. Ja, soms stond hij midden in een drukke straat en vroeg vreemdelingen de weg. Hij liet hen de aanwijzingen op een wit vel papier tekenen en stelde deze tentoon. Of hij legde een vel papier op straat tot iemand er een spoor op achterliet. Zo bleef hij zelf onzichtbaar, niet als mens maar als kunstenaar. Interviews gaf hij niet en biografische informatie noemde hij ‘ballast’ voor het werk. Zijn eigen naam mocht op zijn tocht over aarde geen gewicht dragen en moest dus gespeld worden met kleine letters. stanley brouwn.

In 1982 werd hij door Gijs van Tuyl van Bureau Beeldende Kunst Buitenland, bijgestaan door Rini Dippel en Jan Debbaut, aangewezen als nationale vertegenwoordiger op de Biënnale van Venetië. ‘Zelden heeft een kunstenaar vanuit een streng volgehouden anonimiteit zich zo consequent en eigenzinnig gemanifesteerd’, schreef Dippel. Of hij eigenhandig de kunst in het Rietveldpaviljoen installeerde, of hij aanwezig was bij de opening – het is in de krantenberichten niet terug te lezen. Wel dat de presentatie niet altijd positief werd ontvangen: de kunstenaar liep ‘al twintig jaar achter zichzelf aan’.

Maar een Surinaamse kunstenaar, dat was Brouwn in de kritieken van 1982 niet. Hooguit vermeldde het journaille dat hij in 1935 geboren werd in Paramaribo, sinds 1957 werkzaam in Amsterdam.

Met de bekendmaking van de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië in 2019 dringt een discussie over nationale vertegenwoordiging zich op. Een jaar voor de opening van het tweejaarlijkse kunstfestival in Venetië, en een half jaar na sluiting van de roerige vorige editie, maakte het Mondriaan Fonds bekend dat uit zeventig ingestuurde voorstellen een winnaar was gekozen. De opdracht ging naar Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, met een presentatie van drie kunstenaars met een Surinaamse achtergrond: Stanley Brouwn, Remy Jungerman en Iris Kensmil. De conceptuele werken van de vorig jaar overleden Brouwn stonden in het plan centraal in het paviljoen.

Organisatorisch rammelt de inzending voor de 58ste editie van de biënnale vanaf dat moment. De bekendmaking van de winnaar ging gepaard met de mededeling dat de shortlist, anders dan voorgaande jaren, niet bekend werd gemaakt, ‘op verzoek van deelnemers die deze openbaarheid te kwetsbaar vinden’. Iemand merkte op dat Brouwn helemaal niet voor het paviljoen in aanmerking kon komen vanwege een voorwaarde uit de oproep: ‘De kunstenaar mag geen solo hebben gehad op de Biënnale van Venetië.’ In een reactie op website Trendbeheer liet het Mondriaan Fonds weten dat deze voorwaarde alléén geldt voor toekomstige solotentoonstellingen. Vervolgens bleek dat de weduwe van Brouwn niet akkoord wilde gaan met de tentoonstelling met werk van haar man. Ze zou pas vlak voor de publieke bekendmaking van het plan op de hoogte zijn gesteld.

Er kwam een verklaring van het Mondriaan Fonds: ‘Omdat zowel het Mondriaan Fonds als opdrachtgever van het Nederlandse paviljoen, als de jury, de curator en de kunstenaars constateerden dat reacties op die bekendmaking geen recht doen aan de nalatenschap van stanley brouwn, is na gesprekken met onder anderen de weduwe van stanley brouwn door curator en kunstenaars besloten dat zijn werk niet fysiek op de tentoonstelling aanwezig zal zijn. Wat blijft is de leegte die stanley brouwn achterlaat (…).’ Naar die ‘reacties’ valt alleen maar te gissen. Zouden het de kritische klanken op sociale media of in de krant geweest zijn? Of is dit een manier om interne onzorgvuldigheden te maskeren, in regels, in gemaakte afspraken?

Je zou kunnen zeggen dat Brouwn met deze wending ook na zijn dood de dans heeft ontsprongen. Maar feit is dat de belangrijkste pijler onder het concept van Tempel werd weggeslagen. En dat de jury oordeelde ook achter een plan zonder hem te kunnen staan.

Medium remy jungerman
Remy Jungerman. Beeld vooraan: FODU. HOLDER - textiel, kaoline, hout, flessen, kaarsen - 70 x 70 x 85 cm, 2015 Beeld achteraan: INITIANDS – geschilderd hout, textiel, kaoline, flessen - 284 x 244 x 41 cm, 2015  © Installatie foto Gemeentemuseum Den Haag

In de ophef die over de procedure is ontstaan dreigt een discussie over het plan zelf uit te blijven. In de reactie van opdrachtgever en curator verschoven ook inhoudelijk een paar opmerkelijke dingen. Neem de eerste zin uit het persbericht van het Mondriaan Fonds over de oorspronkelijke inzending: ‘De jury heeft gekozen voor een helder en consciëntieus plan waarin de kunst centraal staat in een presentatie die nieuwe perspectieven biedt op het begrip nationale identiteit.’ (‘stanley brouwn, Remy Jungerman en Iris Kensmil naar Biënnale Venetië’, 15 mei). In het persbericht dat verscheen over het aangepaste plan ging deze zin zo: ‘De jury heeft gekozen voor een helder en consciëntieus plan waarin de kunst centraal staat in een presentatie die nieuwe perspectieven biedt.’ (‘Remy Jungerman en Iris Kensmil naar Biënnale Venetië’, 25 mei). Waren reacties op het ‘begrip nationale identiteit’ genoeg om de term te doen wijken?

De krant schrijft dat Tempel ontkent dat hij ze selecteerde op hun Surinaamse komaf: ‘Het zijn drie Amsterdammers’

Opmerkelijk ook is dat de expositie daar volgens de bedenker ervan toch al niet expliciet over ging. Uit het eerste persbericht: ‘Wat deze kunstenaars gemeen hebben gaat niet zozeer over hun Surinaamse afkomst maar vooral over de inspiratie die zij vinden in het modernisme en de avant-garde van de vorige eeuw en die zij in hun werk combineren met elementen uit andere tradities en posities.’ De krant schrijft dat Tempel ontkent dat hij ze selecteerde op hun Surinaamse komaf. Tempel in NRC Handelsblad op 1 juni: ‘Het zijn drie Amsterdammers.’

Uit het optreden van jury en fonds spreekt de onzekerheid van een organisatie met de opdracht een vertegenwoordiging te vinden voor een inclusief Nederland. Die vraag komt vanuit de samenleving en wint met de dag aan urgentie. Na het project van Wendelien van Oldenborgh en Lucy Cotter op de biënnale vorig jaar – Cinema Olanda, dat stemmen die voortkomen uit de koloniale geschiedenis in verschillende ontmoetingen samenbracht – kon de Nederlandse kunstwereld ook op het internationale podium niet meer terug.

Tempel bracht drie kunstenaars samen met, ten minste op papier, een inhoudelijk zwakke onderlinge connectie. De jury oordeelde dat zij Nederland op dit moment het best konden vertegenwoordigen. Maar met de centrale positie die werd toegekend aan Brouwn, de man die als kunstenaar niet wit en niet zwart, die überhaupt niet zichtbaar wilde zijn, dringen vragen over een andere agenda zich op. En die hoef je niet te expliciteren in een klimaat waarin je kunt ontkennen dat nationale identiteit een rol speelt, omdat de boodschap toch wel wordt begrepen. ‘Drie kunstenaars van Surinaamse afkomst vormen inzending Biënnale Venetië’, NRC Handelsblad, 15 mei. ‘Drie Surinaams-Nederlandse kunstenaars naar de Biënnale van Venetië 2019’, de Volkskrant, 15 mei. Hoe keurig. Maar ook een wat gemakkelijke invulling van de complexe dynamiek die Cinema Olanda vorig jaar nog bracht.

In plaats van in te gaan op de genoemde ‘reacties’, het plan te verdedigen of het alsnog af te schieten, is er door de organisatie voor gekozen om te draaien. Hoe geloofwaardig is een jury die dit uitgeklede concept alsnog sterk genoeg vindt om als winnaar uit de bus te laten komen? Welke dynamiek gaat schuil achter die beslissing? Het zijn deze vragen die vooralsnog de leegte vullen die Stanley Brouwn achterliet.

Nationale vertegenwoordiging is nog geen nationale erkenning. Het zijn begrippen die tijdens de biënnale even samenvallen, maar de rest van het jaar met elkaar overhoop liggen.

Het filmproject Hollandse meesters is een goede afspiegeling van wat Nederland op kunstgebied in huis denkt te hebben. Onder de honderd geportretteerde kunstenaars in de reeks, een initiatief van René Mendel en Michiel van Nieuwkerk, tel ik 67 witte mannen en 25 witte vrouwen. Verder vermoed ik zes met een biculturele achtergrond, afgeleid uit de biografieën, en twee witte duo’s – en dat is honderd. Dat tellen is niet flauw want de lijst is niet zonder betekenis, gesubsidieerd als deze werd door het Mondriaan Fonds met de ambitie: ‘Wij hopen dat over honderd jaar deze films nog steeds zullen worden geraadpleegd als historisch document, om te zien wat er aan het begin van de 21ste eeuw speelde binnen de beeldende kunst in Nederland. De keuze voor de kunstenaars is bepaald aan de hand van een groslijst, opgesteld door de Nederlandse Musea voor moderne kunst.’ Zes uit honderd. Vrouwen flink in de minderheid. Dat is de stand van zaken.

Daags na de bekendmaking van de gewijzigde inzending voor de biënnale schreef directeur Birgit Donker op de website van het Mondriaan Fonds dat de serie zal worden uitgebreid (‘Meesterlijke portretten’, 29 mei). ‘We wilden aanvankelijk stoppen bij honderd, een mooi rond getal, maar gelukkig hebben we dat niet gedaan.’ Hollandse meesters wordt aangevuld met onder anderen Remy Jungerman en Tirzo Martens en zal blijven groeien.

Die inhaalslag is hard nodig om de hedendaagse kunst, in Venetië sinds ruim een eeuw gekoppeld aan nationale vertegenwoordiging, een realistischer aangezicht te geven. Nederland moet kleur bekennen, op het gebied van cultuur en gender. En vanzelfsprekend moet het Rietveldpaviljoen een spiegel zijn voor de identitaire verscheidenheid in ons land. Maar wel op eerlijke gronden. Brouwn in het straatje van nationale identiteit plaatsen is niet alleen een kunsthistorische faux pas. Het zegt iets over de worsteling in het heden, waar het nu nog te weinig over gaat.

Een kwestie die zich tot slot aandient is de positie van de kunstenaar. Is het nog toegestaan om, net als Brouwn, een biografie als ballast overboord te gooien? Of kan de kunstenaar niet langer los worden gezien van kleur en gender? Eenmaal overleden wordt elke kunstenaar een wit vel papier voor anderen om overheen te lopen. Stanley Brouwn kon zelf vinden dat hij als kunstenaar niemand moest zijn, voor ons is hij iemand geworden en daarom schrijven we zijn naam met gewicht, in hoofdletters.

Maar vóór die tijd kan de kunstenaar van zich doen horen. Het zou interessant zijn om de longlist van zeventig inzendingen in te kunnen zien. Curatoren én kunstenaars konden dit jaar een plan indienen. Zestien van de zeventig voorstellen waren afkomstig van een kunstenaar. Daar valt bij de volgende biënnale mogelijk een wereld te winnen.


De 58ste editie van de Biënnale van Venetië vindt plaats van 11 mei t/m 24 november 2019