Zomerverhaal

Kleur en licht

Als hij haar voor het eerst ziet stapt ze bij zijn broer in de auto. Zelf zit hij achterin en zij gaat voorin zitten en trekt het portier achter zich dicht. Dan ziet ze hem. Ze draait zich om, fronst haar wenkbrauwen, kijkt Declan aan en zegt: wie is dat?

Aidan, zegt Declan. Mijn broer.

Ik wist niet dat je een broer had, zegt ze vriendelijk.

Ze draait zich weer om, alsof ze berust in de onvermijdelijkheid van een gesprekje. Ouder of jonger? vraagt ze.

Ik? Jonger, zegt Aidan.

Het is donker in de auto en ze knijpt haar ogen toe voordat ze concludeert: ja, zo zie je er wel uit.

Hij is maar een jaar jonger, zegt Declan.

De vrouw heeft zich weer omgedraaid en doet haar raampje omlaag met de slinger aan het portier.

Dan hebben je ouders niet stilgezeten, merkt ze op. Met hoeveel zijn jullie?

Alleen wij tweeën, zegt Declan.

Dus ze hebben het gewoon snel afgehandeld, zegt ze. Verstandig. Declan rijdt het parkeerterrein af en de weg op. Er komt koele nachtlucht binnen door het open raam. De vrouw steekt een sigaret op. Aidan ziet alleen haar achterhoofd en haar linkerarm, gebogen bij de elleboog.

Ik zet hem thuis af en dan gaan we een stukje rijden, zegt Declan.

Klinkt heerlijk, zegt de vrouw.

Rechts van hen staat een rij huizen en winkels, steeds verder uit elkaar naarmate ze dichter bij de stadsrand komen. Dan de camping en de golfbaan. Weet de vrouw al waar Aidan woont? Ze lijkt zich niet af te vragen hoe ver het nog is. Ze blaast rook uit het raampje. De golfbaan glinstert in het donker.

Wat doe je, Aidan? vraagt ze na een korte stilte.

Ik werk in het hotel.

O? Hoelang al?

Een paar jaar, zegt hij.

Leuk?

Gaat wel.

Ze schiet haar peuk uit het raam en draait het weer dicht. Dan wordt het veel stiller in de auto en er lijkt van alles onuitgesproken in de lucht te hangen. Declan zegt niets. Aidan bijt voorzichtig op de ruwe zijkant van zijn linkerduimnagel. Moet hij nu vragen wat zij doet? Hij weet niet eens hoe ze heet. Declan lijkt dat probleem aan te voelen. Pauline schrijft, zegt hij. >

O, zegt Aidan. Wat schrijf je?

Films, zegt ze.

Om onnaspeurlijke redenen wil Aidan geen verbazing laten blijken, al gelooft hij niet dat hij ooit eerder met een scenarioschrijver in een auto heeft gezeten. Hij maakt alleen een geluidje: hm. Alsof hij wil zeggen: oké. De vrouw, die dus blijkbaar Pauline heet, draait zich onverhoeds om en kijkt hem aan. Haar haar wordt met een brede fluwelen band uit haar gezicht gehouden, ziet hij. Ze heeft een vreemde glimlach op haar gezicht.

Wat, zegt ze. Je gelooft me niet.

Hij schrikt, krijgt het gevoel dat hij haar heeft beledigd en dat Declan straks kwaad op hem wordt. Natuurlijk wel, zegt hij. Hoezo?

Even zegt ze niets, maar in het donker en de stilte in de auto kijkt ze hem aan. Ze staart zelfs, recht in zijn ogen, twee, drie, misschien wel vier volle seconden, heel lang. Waarom kijkt ze zo naar hem? Haar gezicht is uitdrukkingsloos. Ze heeft een bleek voorhoofd en haar lippen zijn ook bleek, zodat haar mond eruitziet als een tere lijn. Kijkt ze alleen naar hem om haar gezicht te laten zien, het gezicht van een scenarioschrijver? Als ze weer iets zegt, klinkt haar stem heel anders. Ze zegt alleen: oké. En dan kijkt ze niet meer en draait zich weer om.

De rest van de rit zegt ze niets meer tegen hem. Zij en Declan praten samen over mensen en gebeurtenissen die niets met Aidan te maken hebben. Hij luistert alsof ze een toneelstuk opvoeren met hem als enig publiek. Declan vraagt wanneer ze naar Parijs gaat en ze geeft antwoord. Ze pakt haar telefoon en zoekt een foto die ze hem wil laten zien. Hij zegt dat ene Michael nooit meer iets heeft laten horen en Pauline zegt: o, Michael komt wel, geen zorgen. Buiten wordt het donker alleen doorbroken door passerende koplampen en de flakkerende lichtjes van huizen op de heuvels in de verte, beurtelings verborgen en onthuld door de bladeren van de bomen. Aidan heeft een gevoel dat hij niet kan benoemen. Ergernis? Maar waarom?

Declan slaat linksaf naar het buurtje. De straatverlichting wordt feller naarmate ze dichterbij komen en dan is de wereld weer bevolkt, huizen, twee onder een kap, kliko’s, geparkeerde auto’s. Declan stopt voor Aidans deur.

Bedankt voor de lift, zegt Aidan. Fijne avond nog. Pauline kijkt niet op van haar telefoon.

Een paar weken later ziet hij haar weer, in het hotel. Ze komt op een avond eten met een groep mensen die Aidan nooit heeft gezien. Deze keer heeft ze geen haarband in – haar haar is met een klem heel hoog opgestoken – maar het is beslist dezelfde vrouw. Aidan brengt een karaf water naar hun tafel. Pauline praat en alle anderen luisteren, ook de mannen, van wie een paar al wat ouder zijn en in pak. Ze lijken allemaal door haar gefascineerd – ongewoon, denkt Aidan, om volwassen mannen te zien die zo aan de lippen van een meisje hangen. Hij vraagt zich af of ze beroemd is, of op de een of andere manier belangrijk. Als hij haar glas volschenkt, kijkt ze op en zegt dank je. Dan fronst ze haar wenkbrauwen.

Ken ik jou niet? vraagt ze.

Iedereen aan tafel kijkt naar Aidan. Hij wordt verlegen. Ik geloof dat je mijn broer kent, zegt hij. Declan.

Ze lacht alsof hij iets heel innemends heeft gezegd. O ja, jij bent de broer van Declan Kearney, zegt ze. En dan tegen haar vrienden: ik zei toch dat ik hier iedereen ken.

Ze lachen waarderend. Ze kijkt niet meer naar Aidan. Hij schenkt de andere glazen vol en loopt weer naar de bar.

Aan het eind van de avond geeft hij Pauline’s gezelschap de jassen uit de garderobe aan. Het is middernacht. Iedereen lijkt een beetje dronken. Aidan is er nog steeds niet achter wat deze mensen van elkaar zijn – vrienden, collega’s, familie? De mannen kijken naar Pauline en de vrouwen lachen en praten met elkaar. Pauline vraagt of hij een paar taxi’s wil bellen. Hij gaat naar de balie en pakt de telefoon. Zij legt voorzichtig een hand op de balie, naast de bel.

We gaan bij mij thuis nog iets drinken, zegt ze. Heb je zin om mee te gaan?

O, zegt Aidan. Nee, ik kan niet.

Ze glimlacht vriendelijk en gaat weer naar haar vrienden. Aidan belt de taxicentrale en drukt de telefoon zo hard tegen zijn schedel dat de beltoon in zijn oor schettert. Hij had toch ten minste dank je kunnen zeggen. Waarom heeft hij dat niet gedaan? Hij was in gedachten, vroeg zich af waar ze woonde. Niet in het centrum, want dan had hij haar wel gekend. Misschien woont ze hier nog maar pas of werkt ze aan een nieuwe film. Als ze tenminste echt scenario’s schrijft. Hij had tenminste even over haar vraag kunnen nadenken, dan zou hij niet zijn vergeten te bedanken. Hij bestelt twee taxi’s en hangt op.

Ze komen eraan, zegt hij.

Pauline knikt zonder hem aan te kijken. Nu vindt ze hem irritant.

Ik wist niet dat je hier in de buurt woonde, zegt hij.

Weer knikt ze alleen. Hij ziet nu hetzelfde als een paar weken geleden in de auto: haar achterhoofd, hals en schouders. Als de taxi’s voorrijden zegt ze zonder hem aan te kijken: groeten aan Declan. Dan vertrekken ze. Later zegt de kelner die hun tafel heeft afgeruimd dat ze een enorme fooi hebben achtergelaten.

Een paar dagen later bemant hij op een middag de receptie en er vormt zich een rij terwijl hij aan de telefoon is. Als hij ophangt, excuseert hij zich voor de vertraging, checkt de gasten uit, veegt de keycards schoon en gaat op de bureaustoel zitten. Dat hoeven de gasten eigenlijk niet te doen, zich laten uitchecken. Ze kunnen ook gewoon hun keycard op de balie leggen en weggaan zonder iets te zeggen. Maar Aidan denkt dat ze behoefte aan officiële toestemming hebben, of hun vertrek bevestigd willen zien. Of misschien weten ze niet dat ze gewoon weg mogen en denken ze dat dat pas mag als iemand dat zegt, want diep vanbinnen zijn mensen eigenlijk ontzettend volgzaam. Hij trommelt met zijn vingers een ritme op de balie, verstrooid.

Declan en Aidan zijn het huis van hun moeder aan het verkopen. Declan heeft al een eigen huis, kleiner, dichter bij het centrum, met een hypotheek met een looptijd van twintig jaar. Sommigen hadden gedacht dat Aidan weer in het oude huis zou gaan wonen, want hij woont nu ver buiten het centrum in een huurhuis dat hij met huisgenoten moet delen, maar dat wil hij niet. Hij wil gewoon van dat huis af. Hun moeder is lang ziek geweest, al was ze nog niet oud, en hij hield erg veel van haar, dus het doet pijn aan haar te moeten denken. Dat probeert hij dan ook niet te doen. Zulke gedachten roepen een gevoel op – soms beginnen ze als abstract idee of als herinnering, maar het gevoel volgt altijd onvermijdelijk. Hij zou graag weer aan haar kunnen denken, want zij was degene die meer dan wie ook van hem hield, maar dat gaat nog niet zonder pijn – misschien wel nooit meer. En het is niet zo dat de pijn weggaat als hij niet aan haar denkt. Keelpijn wordt erger, soms zelfs ondraaglijk, als je slikt, maar dat betekent niet dat de pijn weg is als je niet slikt. Ja, het leven is lijden, daar ontkom je niet aan. Hoe dan ook, ze verkopen het huis en dan krijgt Aidan wat geld, al is het niet veel.

Die avond komt Declan hem heel laat van zijn werk halen, na tweeën pas, en Pauline ligt op de achterbank, duidelijk dronken. Gewoon negeren, zegt Declan.

Mij negeren? zegt Pauline. Hoe durf je.

Hoe was het op je werk? vraagt Declan.

Aidan trekt het portier dicht en zet zijn tas bij zijn voeten. Oké, zegt hij. Het ruikt naar drank in de auto. Aidan heeft nog steeds het gevoel dat hij deze vrouw, de vrouw op de achterbank, niet echt kent. Ze duikt de laatste tijd geregeld in zijn leven op, maar wie is ze? Aanvankelijk dacht hij dat ze Declans vriendin of althans kandidaat voor die rol was, maar die avond in het hotel leek ze anders – ze had een soort glamour om zich heen met al die mannen die naar haar keken – en Declan was er niet bij, en ze had Aidan zelfs uitgenodigd om na afloop iets te komen drinken. Hij kon zijn broer wel vragen: hoe ken je haar? Ik bedoel, doe je haar of zo? Maar dat zou kwetsend op Declan overkomen.

Hoe kom je thuis als je geen lift krijgt? vraagt Pauline.

Lopend, zegt Aidan.

Hoe lang doe je daarover?

Het ruikt naar drank in de auto. Aidan heeft nog steeds het gevoel dat hij deze vrouw, de vrouw op de achterbank, niet echt kent

Ongeveer een uur.

Is dat niet gevaarlijk?

Wat? zegt Aidan. Gevaarlijk? Nee, hoezo?

Gewoon negeren, herhaalt Declan.

Aidan is een goede vriend van me, zegt Pauline. Natuurlijk negeert hij me niet. Ik heb laatst in zijn restaurant toch een mooie fooi achtergelaten?

Ja, dat heb ik gehoord, zegt hij. Erg aardig van je.

En ik heb hem thuis uitgenodigd, gaat ze verder. Maar ik werd wreed afgewezen.

Hoezo thuis uitgenodigd? vraagt Declan. Wanneer dan?

Na dat etentje in het hotel, zegt ze. Maar hij wees me wreed af.

Aidan krijgt het warm. Sorry als het zo overkwam, zegt hij, maar ik kan niet zomaar van mijn werk weglopen als iemand me uitnodigt.

Mij heb je niet uitgenodigd, zegt Declan.

Jij was ergens anders bezig, zegt Pauline. En je broer blijkbaar ook. Mag ik iets over je werk vragen, Aidan?

Ja, wat? vraagt hij.

Ben je weleens met een hotelgast naar bed geweest?

Pauline, in godsnaam, zegt Declan.

Ze rijden weer langs de camping, waar de gladde, gewelfde daken van de caravans glanzen in het maanlicht, wit als vingernagels. Daarachter ligt de zee, dat weet Aidan, al ziet, ruikt of hoort hij die niet in de dichte auto waar het naar drank en parfum ruikt en Pauline lacht. Weet ze niet dat Declan niet van dat soort grappen houdt? Of weet ze het wel, maar zit ze hem om de een of andere reden expres te stangen? Aidan snapt er niets van.

Niet op ingaan, zegt Declan.

Een auto flitst langs en verdwijnt. Aidan draait zich om. Uit deze hoek is haar gezicht gekanteld. Het heeft de langwerpige, ovale vorm van een hoofdpijntablet.

Tegen mij kun je het wel zeggen, zegt ze. Fluister maar.

Je bent met hem aan het flirten, zegt Declan. Je flirt met mijn broer waar ik bij ben. In mijn auto! Hij geeft Aidan een stomp tegen zijn arm. Niet naar haar kijken, zegt hij. Draai je om. Jullie zijn aan het klieren en daar heb ik geen zin in.

Wie waren al die mensen bij dat etentje? vraagt Aidan. Vrienden van je?

Gewoon, kennissen.

Het leken wel fans van je.

Zo doen mensen alleen als ze iets van je willen, zegt ze.

Hij blijft naar haar staren en zij doet er niets tegen. Ze ligt zijn blik te absorberen, glimlacht zelfs vaag, laat het voortduren. Declan geeft hem weer een stomp. Aidan draait zich om. De voorruit is egaal donker als een computerscherm dat uitstaat.

We mogen niet met de gasten naar bed, zegt hij.

Natuurlijk niet. Maar je hebt vast wel verzoeken gehad.

Jawel. Vooral van mannen.

Daar lijkt Declan van te schrikken. Echt? vraagt hij. Aidan haalt zijn schouders op.

Declan heeft nooit in de horeca gewerkt. Hij is manager op een kantoor en heeft bedrijfskunde gestudeerd.

Kom je weleens in de verleiding? vraagt Pauline. >

Doorgaans niet.

Aidan frunnikt aan de slinger van zijn raampje, maar niet om het open of dicht te draaien, hij speelt er alleen mee.

Een tijdje geleden hadden we wel een schrijfster die me bij haar thuis uitnodigde, zegt hij. >

Was ze mooi?

Pauline! zegt Declan. Dit vind ik echt niet leuk meer. Hou op, oké? Jezus. Dit is de laatste keer dat ik jou een pleziertje doe.

Aidan weet niet goed of Declan het nog tegen Pauline heeft of tegen hem. Het klonk alsof hij Pauline bedoelde, maar Aidan is degene die hij een plezier doet door hem thuis te brengen. Tenzij hij haar tegelijk een ander pleziertje doet. Iedereen valt stil. Aidan denkt aan de linnenkamer op zijn werk waar de schone lakens liggen, strak opgevouwen in de vakjes, blauwwit en geurend naar poeder en zeep.

Als ze voor zijn deur stilstaan bedankt hij zijn broer voor de lift. Declan maakt een wegwerpend handgebaar. Graag gedaan, zegt hij. De omtrek van Pauline’s gezicht is zichtbaar door de achterruit, maar hij ziet niet of ze naar hem kijkt.

Twee weken later is het kunstfestival in de stad en het is druk in het hotel. Aidans manager moet hem die vrijdag oproepen om in te vallen omdat een van de meisjes laryngitis heeft. Zaterdagavond is hij om tien uur klaar en gaat hij naar het strand voor de slotceremonie van het festival. Die is elk jaar hetzelfde: vuurwerk aan het eind van de pier. Dat heeft hij nu al tien, twaalf keer gezien, al zo lang als het festival bestaat. De eerste keer was hij een tiener, hij zat nog op school. Hij dacht toen dat zijn leven op het punt stond van start te gaan. Hij had het gevoel dat hij verlokkend dicht op het randje balanceerde en dat het wachten elke dag – elke minuut zelfs – afgelopen kon zijn, dat alles dan echt ging beginnen.

Op het strand ritst hij zijn jack tot de kin dicht. Het is al druk en de straatverlichting op de boulevard werpt een grijzige gloed over het zand en de zee. Gezinnen banen zich met buggy’s een weg over het strand, kibbelend of lachend, en in de jachthaven maken de boten een tinkelend geluid alsof er een handbelletje wordt geluid, maar dan zonder ritme of samenhang. Tieners zitten op de trap, drinken uit blikjes en lachen om filmpjes. Mensen van het festival houden walkietalkies tegen hun oor en lopen gewichtigdoenerig rond. Aidan kijkt op zijn telefoon en vraagt zich af of Declan hier ook ergens is, of Richie, of iemand van het werk, maar in de groepsapp heeft niemand zich gemeld. Het is weer koud dit jaar. Hij steekt zijn telefoon in zijn zak en wrijft in zijn handen.

Pauline is al op weg naar hem toe als hij haar ziet en dat betekent dat zij hem eerst heeft gezien. Ze heeft een enorme oversized fleecetrui aan die bijna tot haar knieën komt. Haar haar zit weer naar achteren met een haarband.

Dus je hebt weleens een vrije dag, zegt ze.

Ik ben net klaar, zegt hij. Maar morgen heb ik vrij.

Zullen we samen naar het vuurwerk kijken of ben je met iemand?

De vraag bevalt hem meteen. Als hij hem in zijn hoofd ronddraait, lijken er alleen maar nieuwe invalshoeken te ontstaan van waaruit hij hem kan bewonderen.

Nee, ik ben in mijn eentje, zegt hij. We kunnen wel samen kijken. Ze komt naast hem staan en wrijft haar armen om te laten zien dat ze het koud heeft. Hij kijkt naar haar en vraagt zich af of ze een reactie van hem verwacht.

Sorry dat ik zo ver heen was laatst, zegt ze. Wanneer was het? Vorige week of zo. Ik geloof dat Declan nogal geïrriteerd was.

Ja?

Heeft hij tegen jou nog iets gezegd?

Tegen mij niet, zegt Aidan. Maar we praten eigenlijk nooit over dat soort dingen.

De straatverlichting gaat uit en het is donker op het strand.

Om hen heen lopen mensen heen en weer, komen bij elkaar, zeggen dingen, pakken hun telefoon, knippen zaklantaarns aan, en dan begint het vuurwerk op de pier. Er schiet een straal gouden vonken omhoog die in een kleurpunt eindigen: eerst roze, dan blauw, dan weer roze, en heel even valt er een hypnotiserend licht op het zand en het water. Dan een fluitend geluid, zacht als een zucht, en boven hen in de lucht een explosie van rode, gele en groene bloemen die zachte, geveerde gouden bladeren achterlaten. Als het vuurwerk uitbarst is er eerst stilte, kleur en licht, en een seconde later het geluid: een luide knal alsof er iets kapot valt, of een diep gedreun dat je in je borst voelt. Aidan ziet de minuscule raketjes die vanaf de pier sissend en bijna onzichtbaar de lucht in vliegen en dan openbarsten tot spatjes licht, glinsterend als pixels, felwit, vervagend tot geel en dan goud tot donkerder goud en dan zwart. Het donkere goud, vlak voor het zwart, vindt hij het mooist: een diepe sintelkleur, donkerder dan een gloeiend kooltje. Ten slotte, zo hoog dat ze hun hoofd achterover moeten houden om het hele beeld te zien, drie verblindend gele vuurpijlen die de lucht innemen, de hele duisternis opvreten. Dan is het afgelopen. De straatlantaarns gaan weer aan.

Ten slotte drie verblindend gele vuurpijlen die de hele duisternis opvreten. Dan is het afgelopen. De straatlantaarns gaan weer aan

Naast hem wrijft Pauline over haar gezicht en haar neus. Ze heeft het weer koud. Aidan beseft vaag dat er nu veel afhangt van de vraag of Pauline het vuurwerk mooi heeft gevonden – als ze er niets aan vond, als ze het saai vond, vindt hij niet alleen haar niet leuk meer, maar met terugwerkende kracht ook het vuurwerk niet, en dan gaat er iets goeds dood. Hij zegt niets. Samen met alle anderen draaien ze zich om en gaan ze van het strand af. Ze kunnen maar in één tempo lopen, dat van de menigte, en dat voelt als het traagste, vervelendste tempo waarin een mens zich kan bewegen. Aidan botst telkens tegen mensen aan, er duiken aldoor kleine kinderen onverhoeds voor hem op en er moeten kinderwagens en mensen in rolstoelen worden doorgelaten. Pauline blijft dicht bij hem en op de boulevard vraagt ze of hij meeloopt naar haar huis. Tuurlijk, zegt hij.

Ze moeten naar een van de huizen aan de boulevard. Hij kent die straat wel; daar zijn alle vakantiehuizen met glazen puien die op zee uitkijken. Onder het lopen laten ze de rest van de menigte geleidelijk achter zich. In haar straat zijn zij de enigen, samen alleen in de stilte. Er is zoveel wat hij niet over Pauline weet – en hij bedenkt met een nieuwe, nogal verrassende nadruk dat hij het allemaal wil weten – zoveel dat vragen stellen onbegonnen werk is. Hij weet niet hoe ze van achteren heet, waar ze vandaan komt, wat ze de hele dag doet, uit wat voor familie ze komt. Hij weet niet hoe oud ze is, of waar ze Declan van kent en hoe goed ze hem kent.

Weet je nog wat je die avond vroeg? zegt hij. Ik ben inderdaad een keer met een hotelgast naar bed geweest. Dat zou ik nooit tegen Declan zeggen, want die vindt zoiets niet kunnen.

Pauline’s ogen flitsen hem toe. Wie was die gast? vraagt ze.

Ik weet niet, een vrouw, ze was alleen. Ze was al wat ouder, ergens in de dertig denk ik.

Was het een leuke ervaring? Of juist niet?

Niet geweldig, zegt Aidan. Niet dat het slechte seks was, het was eerder dat ik er geen goed gevoel bij had, dat het verkeerd was.

Maar de seks was goed.

De seks was oké. Ik bedoel, het zal wel oké zijn geweest, dat weet ik eigenlijk niet eens meer. Ik had de indruk dat ze getrouwd was. Dat weet ik niet zeker, dat dacht ik toen gewoon.

Waarom heb je het gedaan? vraagt Pauline.

Hij geeft niet meteen antwoord. Dat weet ik niet, zegt hij dan. Ik hoopte dat je dat niet zou vragen.

Hoe bedoel je?

Je lijkt me iemand die zulke dingen wel begrijpt. Maar als je dat vraagt krijg ik het gevoel dat ik iets raars heb gedaan.

Ze blijft staan en legt haar hand op een hekje, kennelijk het hare. Hij blijft ook staan. Achter haar ziet hij een huis met grote ramen, door een tuin van de straat gescheiden. Er brandt nergens licht.

Ik vind het niet raar, zegt ze. Ik heb ooit een vriendje gehad dat getrouwd was. En ik kende zijn vrouw – niet goed of zo, maar ik kende haar wel. Ik vraag het niet omdat ik het ziek vind dat je met iemand naar bed bent geweest die getrouwd was. Ik vroeg me waarschijnlijk gewoon af waarom mensen dingen doen die ze eigenlijk niet willen. En ik dacht dat jij dat misschien wist, maar dat is oké. Ik weet het ook niet.

Goed. Dat maakt het wel minder erg. Niet dat ik het fijn vind dat jij in zo’n nare situatie zat, maar het is wel een troost dat ik niet de enige ben.

Zit jij nu in een nare situatie?

Nee, zegt hij. Ik zit op dit moment in geen enkele situatie. Ik heb het gevoel dat mijn leven maar niet van de grond komt. Als ik nu dood neer zou vallen, zou dat waarschijnlijk alleen maar erg zijn voor de mensen die mijn werk dan moesten overnemen. En zelfs die zouden niet verdrietig zijn, ze zouden het alleen vervelend vinden.

Pauline fronst haar wenkbrauwen. Ze wrijft over het tuinhek alsof ze diep in gedachten is.

Dat probleem heb ik niet, zegt ze. Bij mij gebeurt er juist eerder te veel. Het lijkt wel alsof iedereen die ik ken iets van me wil. Als ik nu dood neer zou vallen, zouden ze mijn lijk aan stukken snijden om bij opbod te verkopen.

Bedoel je die mensen met wie je in het hotel was?

Ze haalt haar schouders op. Ze wrijft weer over haar armen. Ze vraagt of hij mee naar binnen gaat en hij zegt ja.

Het huis is ruim en er staan wel meubels, maar toch lijkt het wonderlijk leeg. De plafonds zijn hoog en ver weg. Pauline legt de sleutels op het tafeltje in de hal, loopt door het huis en knipt lampen aan, ogenschijnlijk in willekeurige volgorde. In de woonkamer gaat ze op een enorme groene hoekbank zitten met een chaise-longuegedeelte dat zo groot is dat het wel een bed lijkt, maar dan met kussens in de rug. Er staat geen televisie en de boekenkasten zijn leeg. Hij gaat ook op de bank zitten, maar niet vlak naast haar.

Woon je hier alleen? vraagt hij.

Ze kijkt vaag om zich heen alsof ze niet begrijpt wat hij met ‘hier’ bedoelt.

O, zegt ze dan. Alleen voor nu.

Hoelang is nu?

Dat soort dingen vraagt iedereen. Begin jij nu ook al? Iedereen wil weten wat ik doe en voor hoelang. Ik wil gewoon een tijdje alleen zijn zonder dat iemand weet waar ik ben en wanneer ik terugkom. > Misschien kom ik wel helemaal niet terug.

Ze staat op en vraagt of hij iets wil drinken. Van zijn stuk gebracht door wat ze zei over alleen zijn, weggaan en nooit terugkomen, wat een soort metafoor lijkt, haalt hij zijn schouders op.

Ik heb een fles whisky, zegt ze. Maar ik wil niet dat je denkt dat ik een drankprobleem heb. Ik heb hem cadeau gekregen, niet zelf gekocht. Wil je een half glaasje? Dan neem ik er ook een. Maar als je niet wilt, neem ik ook niet.

Ja, ik wil wel een glas, zegt hij.

Ze loopt de kamer uit, niet door een deur maar door een open boogpoort. Het huis is onoverzichtelijk ingedeeld en hij ziet niet waar ze naartoe gaat en hoe ver dat is.

Als je liever alleen bent ga ik wel weg, zegt hij hardop.

Bijna meteen verschijnt ze weer onder de boog. Wat? vraagt ze.

Als je liever alleen bent, zoals je zei, herhaalt hij. Ik wil me niet opdringen.

O, dat bedoelde ik alleen… in filosofische zin, zegt ze. Luisterde je dan? Dat is je eerste vergissing. Ik praat alleen maar onzin. Je broer weet wel hoe hij me moet aanpakken, die luistert nooit. Ben zo terug.

Ze loopt weer weg. Wat betekent dat, dat Declan ‘wel weet hoe hij haar moet aanpakken’? Moet Aidan dat vragen? Misschien is dit zijn kans. Ze komt terug met twee halfvolle tumblers, geeft er een aan hem en gaat dan naast hem op de bank zitten, iets dichterbij dan eerst, al raken ze elkaar nog steeds niet aan. Ze nemen een slokje whisky. Niet iets wat Aidan ooit uit zichzelf zou drinken, maar toch best lekker.

Gecondoleerd met je moeder, zegt Pauline. Ik hoorde van Declan dat ze overleden is.

Ja. Dank je.

Stilte. Aidan neemt weer een slok whisky, groter nu. Zie je Declan vaak? vraagt hij.

Hij is mijn autovriend. Ik bedoel, de enige van mijn vrienden die een auto heeft. Hij is aardig, hij rijdt me overal naartoe. En meestal negeert hij me gewoon als ik rare dingen zeg. Volgens mij vindt hij me een verschrikkelijk mens. Hij was laatst bepaald niet blij toen ik jou allemaal platvloerse dingen vroeg. Maar je bent zijn kleine broertje – hij denkt dat je heel onschuldig bent.

Het valt Aidan op dat ze het woord ‘vriend’ meer dan eens heeft gebruikt om Declan aan te duiden. Hij heeft de indruk dat dat maar één ding kan betekenen – een gedachte die hem plezier doet. O ja? antwoordt hij. Ik heb geen idee hoe hij over me denkt.

Hij zegt dat hij niet weet of je homo of hetero bent, zegt Pauline.

O, oké. Ik zei al dat we nooit echt ergens over praten.

Je hebt nooit een vriendinnetje mee naar huis genomen.

Jij hebt een voorsprong op mij, zegt Aidan. Hij vertelt jou van alles over mij en ik weet niets over jou.

Ze glimlacht. Haar tanden zijn heel wit, bijna blauw, en zo volmaakt dat ze haast niet echt lijken.

Wat wil je weten? vraagt ze.

Ik ben benieuwd waarom je hier bent komen wonen. Volgens mij kom je hier niet vandaan.

Ben je dáár benieuwd naar? Jemig. Ik begin te geloven dat je echt onschuldig bent.

Wat is dat nou voor een onaardige opmerking, zegt Aidan.

Even kijkt ze gekwetst, ze staart in haar glas en zegt verdrietig: wie zegt dat ik aardig ben?

Waarom had ze dat gezegd, van die ‘aardige hardwerkende dorpsjongen’? Ze wilde hem alleen maar provoceren

Een vraag die hij niet denkt te kunnen beantwoorden. Hij denkt inderdaad niet per se dat ze aardig is. Aardig is voor hem een soort algemene norm waarvan iedereen accepteert dat hij zich eraan hoort te houden.

Ze zet haar lege glas op de salontafel en leunt achterover. Je leven is niet zo beroerd als je denkt, zegt ze.

Het jouwe ook niet, antwoordt hij.

Wat weet jij daar nou van?

Iedereen wil de hele tijd aandacht van je, nou en? zegt Aidan. Als je dat zo vreselijk vindt, dan ga je toch lekker in je eentje ergens heen – wat houdt je tegen?

Ze houdt haar hoofd schuin, legt zacht een hand onder haar kin. Naar een afgelegen kustplaatsje, bedoel je? zegt ze. Een rustig bestaan – misschien wel met een aardige, hardwerkende dorpsjongen. Had je dat in gedachten?

Ach, tief toch op.

Ze stoot een licht, ergerlijk melodieus lachje uit.

Ik wil niets van je, voegt hij eraan toe.

Wat doe je hier dan?

Hij zet zijn glas neer. Jij vroeg me binnen, zegt hij. Jij vroeg of we samen naar het vuurwerk zouden kijken, weet je nog? En toen vroeg je of ik meeliep naar je huis en toen vroeg je me binnen. En nu ben ík degene die zich in jouw leven probeert te dringen? Ik heb nooit iets van je gewild.

Daar lijkt ze over na te denken, met een ernstig gezicht. Eindelijk zegt ze: ik dacht dat je me aardig vond.

Wat bedoel je daarmee? Zou dat dan verkeerd van me zijn, als ik je aardig vond?

Alsof ze hem niet heeft gehoord zegt ze: ik vond jou aardig.

Hij begrijpt inmiddels totaal niet meer waarom ze ineens lijken te bekvechten en is in verwarring, op het wanhopige af. Goed, zegt hij. Ik ga.

Moet je doen.

Hij ervaart het afscheid van haar – het afscheid dat hijzelf spontaan heeft aangekondigd en in het leven heeft geroepen – als een ondraaglijke marteling, een bijna lichamelijke pijn. Hij kan haast niet geloven dat hij het echt gaat doen, opstaan en naar de deur lopen waardoor ze binnen zijn gekomen. Waarom is alles ineens zo vreemd? Op welk punt is zijn gesprek met Pauline ontspoord en in botsing gekomen met de gebruikelijke regels voor het maatschappelijk verkeer? Het was toch heel normaal begonnen. Of niet? Hij weet zelfs nog steeds niet of ze de vriendin van zijn broer is.

Ze staat niet op om hem uit te laten. Hij moet in zijn eentje de weg door het half verlichte, spelonkachtige huis zien te vinden, dwalend door donkere gangen en zelfs langs een verblindend verlichte eetkamer in de buurt van de voordeur. Waarom had ze dat gezegd, van die ‘aardige hardwerkende dorpsjongen’? Ze wilde hem alleen maar provoceren. Maar waarom? Ze weet niets van zijn leven. Waarom denkt hij zelfs maar aan haar? Op dit moment, bij de voordeur van Pauline’s huis, waarvan het melkglas een onherkenbaar beeld weerkaatst waarvan hij weet dat het zijn eigen gezicht is, treft dat hem als de vraag waar geen antwoord op is.

Sally Rooney (1991) is de schrijver van Normale mensen, de wereldwijde bestseller over twee geliefden die elkaar voortdurend kwijtraken en hervinden. Sekse en klasse spelen in deze roman een even allesbepalende als vanzelfsprekende rol. Rooney groeide op in het westen van Ierland en studeerde aan Trinity College in Dublin. Twee jaar geleden werd haar debuutroman, Gesprekken met vrienden, door The Guardian uitgeroepen tot een van de belangrijkste debuten en zijzelf als de stem van een nieuwe generatie. De manier waarop Rooney schrijft over tieners en twintigers in Dublin, over liefde, vriendschap, seks, eenzaamheid ademt eenzelfde atmosfeer als de films van Greta Gerwig, met name Lady Bird. Momenteel werkt Rooney aan het filmscript van Normal People.

Een paar weken later is hij in het kantoortje op zoek naar een internationale adapter voor een hotelgast als Lydia binnenkomt en zegt dat er iemand bij de receptie naar hem vraagt. Wat wil die dan? vraagt hij. Jou, zegt Lydia. Ze vroegen naar jou. Aidan doet de la met de verschillende adapters dicht, en als in een droom of in een game waarin zijn handelingen door een hogere intelligentie worden gestuurd komt hij overeind en volgt Lydia het kantoor uit, naar de receptie. Al voordat hij Pauline ziet of hoort weet hij dat ze op hem staat te wachten. En dat is inderdaad zo. Ze heeft een jurk aan die zo te zien van een heel zachte, fijne stof is gemaakt. Er staat een oudere man naast haar met zijn arm om haar middel. Dat registreert Aidan volkomen neutraal. Het beeld dat hij van Pauline heeft is al zo verward en vaag dat deze situatie niet echt iets nieuws over haar onthult.

Oké, zegt hij. Wat kan ik voor jullie doen?

We zoeken een kamer, zegt de man.

Pauline brengt haar vingertoppen naar haar neus. De man slaat haar arm weg en zegt: zo maak je het erger. Kijk nou. Het begint weer te bloeden.

Het bloedt al, zegt ze.

Ze klinkt dronken. Aidan ziet dat er bloed aan haar vingers zit als ze haar hand laat zakken. Hij buigt zich over de computer achter de balie, maar klikt de reserveringspagina niet meteen open. Hij slikt en doet alsof hij iets aanklikt, maar klikt in het niets. Houdt Lydia hem in de gaten? Ze staat achter de balie, rechts van hem, maar hij ziet niet of ze kijkt.

Hoeveel nachten? vraagt Aidan.

Een, zegt de man. Alleen vannacht.

Op zo’n korte termijn hebben ze natuurlijk niets, zegt Pauline.

We zullen zien, zegt de man.

Als je had laten weten dat je kwam had ik iets kunnen regelen, zegt ze.

Relax, zegt de man.

Aidan slikt weer. Hij voelt een soort pulserende sensatie in zijn hoofd, alsof er een lichtje knippert, aan en uit. Hij beweegt de muis met veel vertoon van efficiëntie en doet dan impulsief alsof hij iets intikt, ook al is het keyboard op het scherm niet actief. Hij weet zeker dat Lydia op hem let. Dan kijkt hij de man aan.

Nee, sorry, zegt hij. Voor vannacht hebben we niets meer vrij.

De man staart hem aan. Lydia kijkt ook. Dus jullie hebben geen kamers? vraagt de man. Jullie zitten helemaal vol? In april?

Zei ik toch, zegt Pauline.

Sorry, herhaalt Aidan. Voor volgende week kan ik iets voor u reserveren als u wilt.

De man beweegt zijn mond alsof hij lacht, maar er komt geen lach uit. Hij haalt zijn hand van Pauline’s middel weg, tilt hem in de lucht en laat hem langs zijn eigen zij vallen. Aidan vermijdt zorgvuldig oogcontact met Pauline en Lydia.

Geen kamers, herhaalt de man. Helemaal vol. Dit hotel.

Het spijt me, zegt Aidan.

De man kijkt naar Pauline.

Wat wil je dat ik doe? vraagt ze.

De man reageert door naar Aidan te wijzen. Is dat je vriendje? vraagt hij.

Doe niet zo achterlijk, zegt Pauline. Krijg je naast al dat andere nu ook nog last van paranoia?

Je kent hem, zegt de man. Je vroeg naar hem.

Pauline schudt haar hoofd, dept discreet haar neus en werpt Aidan en Lydia over de balie een snelle glimlach toe. Sorry, zegt ze. We zijn zo weg. Kunnen jullie twee taxi’s bellen? Dat zou heel fijn zijn.

Dus we kunnen niet samen in één taxi, zegt de man.

Nu heel kil antwoordt Pauline: we moeten elk een andere kant op. Binnensmonds, met een bevroren grijns op zijn gezicht, zegt de man: niet te geloven. Niet te geloven. Dan draait hij zich om en loopt naar de grote openslaande deuren. Lydia pakt de telefoon om de taxicentrale te bellen. Zonder iets in haar houding te veranderen pakt Pauline de pen van de balie, haalt de blocnote naar zich toe, schrijft iets en scheurt het blaadje af. Ze pakt haar portemonnee, vouwt een bankbiljet in het briefje en schuift het over de balie naar Aidan. Ze kijkt alleen Lydia aan, glimlacht en zegt: heel erg bedankt. Dan volgt ze de man door de openslaande deuren.

Als de deuren dichtzwaaien is Lydia nog aan de telefoon. Aidan gaat zitten en staart in het niets. Hij hoort dat Lydia het telefoongesprek afsluit, gevolgd door het klikje waarmee ze de hoorn neerlegt. Hij staart nog steeds voor zich uit. Lydia ziet het briefje op de balie liggen en schuift het in Aidans richting, met een pen, alsof ze het niet wil aanraken.

Dit heeft ze voor je achtergelaten, zegt Lydia.

Ik hoef het niet.

Met de pen wipt ze het briefje open.

Er zit honderd euro in, zegt ze.

Oké, zegt hij. Neem jij het maar.

Even zegt Lydia niets. Aidan zit nog steeds uitdrukkingsloos voor zich uit te staren. Na een korte stilte, alsof ze een besluit moet nemen, zegt Lydia: ik stop het wel in de fooienpot. Ze heeft ook iets voor je opgeschreven, wil je dat niet zien? Volgens mij staat er alleen dank je wel.

Laat maar liggen, zegt hij. Of nee, geef maar hier.

Lydia geeft hem het briefje. Zonder te kijken stopt hij het in zijn zak. Dan staat hij op en loopt weer naar het kantoortje om de adapter voor de hotelgast te zoeken. Hij ziet Pauline pas weer als ze een paar dagen later uit de stad vertrekt.


Vertaling Gerda Baardman