TONEEL-TENTOONSTELLINGNicolaas Wijnberg

KLEURENPRACHT & KAALSLAG

Het bezoek aan een tentoonstelling in het Theatermuseum lijkt op de reis naar een gehucht in West-Friesland: als je denkt dat je er bent, ben je er net geweest. Tegelijk is dat ook het aangename van dit museum aan de Amsterdamse Herengracht. Wat ooit groots werd vertoond voor zalen van achthonderd mensen wordt hier teruggebracht tot de proporties van een kostuum waar het zweet uit is weggelekt maar waar de herinneringen aan een groot toneelspeler nog omheen zweven. Of tot de maat van een maquette waarin je de droom weerspiegeld ziet van de ontwerper, die overigens nog maar moest afwachten hoe die droom uit de timmermanswerkplaats zou komen. Tot eind dit jaar is in het Theatermuseum de expositie Kleur op de planken: Decors en kostuums van Nicolaas Wijnberg te zien. Het is trouwens tevens de laatste gelegenheid om het prachtige grachtenpand te bewonderen waar het Theatermuseum al vijftig jaar in is gevestigd. De collecties gaan naar elders in de stad, de tentoonstellingen gaan op reis, het pand is al verkocht. Nicolaas Wijnberg doet op 19 december symbolisch het doek dicht en het licht uit.
De tentoonstelling van zijn werk is globaal genomen op twee manieren te bewandelen. De eerste: met nieuwsgierigheid uit nostalgische overwegingen. Je bent dan bij Wijnberg weliswaar mentaal aan het verkeerde adres (‘het echte theatermuseum zit in de hoofden van de mensen die erbij waren’, zei hij altijd), maar verder kom je volledig aan je trekken. De ontwerper is tussen 1945 en 1990 gezichtsbepalend geweest voor de vormgeving van zowel toneel en dans als opera, en hij bracht daarin zo veel kleur op de planken dat al die ontwerpen, zelfs teruggebracht tot de schaal van een verzameling maquettes, hoeden, schoenen, jurken, foto’s en bewegende beelden, doen duizelen door de duizendpotigheid van deze kunstenaar onder de toneelontwerpers.
De tweede manier van wandelen langs de spullen van Nicolaas Wijnberg is bladerend, als het ware lezend door het landschap van de Nederlandse podiumkunsten van na de Tweede Wereldoorlog. De ‘totaal-ontwerper’ Wijnberg (ook het licht had zijn volle aandacht) was daarin een vernieuwer, ook al liet hij zich daar niet op voorstaan – hij volgde zijn artistieke intuïtie, en die was rijk, schathemelrijk. De eerste keer dat ik zoiets voelde (zonder overigens enig kunsthistorisch benul, ik wist echt van niks) was bij de Rotterdamse Hamlet in 1967, regie: Richard Flink, titelrol: Eric Schneider. Het decor bestond uit een halfronde muur die een meter of twee boven de vloer hing. Verder was het speelvlak kaal en duister, af en toe werd er een stoel, een bankje of een bed opgedragen. Wijnberg had een hellende speelvloer laten maken die ver de zaal in stak. De kostumering was een mengeling van allerlei modes, Hamlet droeg een lange zwarte trui en een zwartleren broek. Het was de eerste keer dat ik toneel zag dat kaalgeslagen was in zijn vorm en waarin die vorm de spelers alle ruimte gaf.
Twee jaar later maakte Wijnberg voor Ton Lutz (met wie hij veel samenwerkte) het decor voor diens Oom Wanja (1969), de eerste Tsjechov na de dood van de grote Russische stemmingsregisseur Pjotr Sjarov. Het was een gelambriseerde klankkast, ook met een – zij het iets kleinere – uitbouw de zaal in. Door al dat hout, en door de brille van Lutz’ regie (die zelf de titelrol speelde), was alles overal verstaanbaar, kreeg de voorstelling een intimiteit en een lichtheid die we van Tsjechov nog niet kenden. In alle bescheidenheid is Kleur op de planken een rijke tentoonstelling waarin het goed toeven en dwalen is. Tussen neus en lippen door zie je hoezeer de toneelontwerpers van nu schatplichtig zijn aan deze Bourgondische Mensch onder de toneelkunstenaars. Zoals ook Wijnberg altijd ruiterlijk toegaf dat híj weer schatplichtig was aan avontuurlijke voorgangers: Craig, Appia, Lensvelt, Wijdeveld, Picasso. Dat hij nu ook voor een breder publiek een plek in de theatergeschiedenis heeft gekregen zou hem deugd hebben gedaan. Niet dat hij zich er erg mee bezighield. Het was steeds: op naar het volgende stuk, hard werken, tot in detail erbovenop zitten. En uiteindelijk: terug naar de schildersezel, naar het vrije werk. Want Wijnberg bleef in hart en nieren een beeldend kunstenaar.

Kleur op de planken: Decors en kostuums van Nicolaas Wijnberg, Theatermuseum, Herengracht 168, Amsterdam, t/m 19 december