De krimpende krijgsmacht

Kleuter, blijf in je zandbak

Waar dient de krijgsmacht toe? Die vraag wordt steeds prangender nu er zo zwaar ingegrepen gaat worden. Over het verkrijgen van invloed en het kweken van goede wil.

‘DE HEEREN hebben my niet te verzoeken maar te gebieden. En al wierd mij bevoolen ’s Landts vlagh op een enkel schip te voeren, ik zou daarmee t’ zee gaan, en daar de Heeren Staaten hunnen vlagh betrouwen, zal ik myn leeven waagen.’

Met deze woorden liet Michiel Adriaanszoon de Ruyter in 1676 blijken dat hij wist hoe de verhoudingen lagen: niet de admiraal maar de politicus was de baas. Het werd zijn dood. De schepen waarmee hij dat jaar uitzeilde om de Franse vloot te kelderen vond hij beneden de maat, en hij had gelijk. Een Franse kanonskogel velde hem. Tegenwoordig moeten adelborsten zijn onderdanige woorden nog altijd uit hun hoofd leren. De kans dat de top van de marine, of van een van de andere krijgsmachtdelen, openlijk zal protesteren tegen de ingrijpende bezuinigingen die afgelopen week werden aangekondigd door minister Hans Hillen is dan ook klein.

Maar zwaar zijn ze, de ingrepen. Sinds de omvorming naar een beroepsleger in de jaren negentig werd de krijgsmacht – waar de laatste jaren de reorganisaties zich opstapelden – niet zo hard aangepakt. In de bestuursstaven komt één op de drie functies te vervallen, in de totale defensieorganisatie één op de zes: twaalfduizend banen verdwijnen, zo’n zesduizend na gedwongen ontslag. Beide tankbataljons (zestig tanks) worden opgeheven, de zeventien Cougar-transportheli’s worden verkocht, vier van de zes mijnenjagers verdwijnen en één van beide bevoorradingsschepen, er verdwijnt artillerie en luchtverdediging en negentien F-16’s worden afgestoten. ‘De krijgsmacht boet ontegenzeglijk aan gevechtskracht in, kwalitatief en kwantitatief, en de inzetbaarheid zal afnemen’, stelt minister Hillen in zijn bezuinigingsbrief.

Volgens experts is met deze uitgedunde krijgsmacht geen intensieve missie zoals die in Uruzgan (ongeveer tweeduizend man, inclusief artillerie, helikopters en straaljagers) meer verantwoord uit te voeren. In elk geval niet zonder materieel van andere landen te lenen, en zeker niet vier jaar lang, zoals in Uruzgan. Toch blijft minister Hillen naar eigen zeggen overtuigd dat Nederland kan blijven meedraaien ‘in de Champions League’. ‘We kunnen nog steeds deelnemen aan alle internationale operaties’, zei hij in een toelichting op de bezuinigingen.

Kees Homan, generaal-majoor b.d. en verbonden aan Instituut Clingendael, betwijfelt dat. ‘Na 1993 was het onze ambitie dat we vier buitenlandse missies tegelijk zouden moeten aankunnen. Dat is een paar jaar geleden vanwege bezuinigingen verlaagd tot drie en gaat vanwege de nieuwe financiële ingrepen zelfs terug naar twee.’ Homan luidt de alarmbel. ‘Onze invloed op de internationale besluitvorming wordt kleiner als we minder bijdragen. En het gevaar ligt op de loer dat we te boek komen te staan als meelifter op de inspanningen van anderen.’

Dat in werkelijkheid ook de minister van Defensie zich zorgen maakt blijkt uit een zin die vrijdag door zijn collega-bewindslieden werd geschrapt uit de bezuinigingsbrief. Hillen schreef: ‘Ik hoop dat deze brief bijdraagt tot het besef dat Nederland voor zijn veiligheid onderverzekerd dreigt te raken.’ De term ‘onderverzekerd’ was goed gekozen. Daarmee wordt duidelijk dat Nederland zich voor zijn veiligheid dient te verzekeren van de steun van machtiger bondgenoten of organisaties. Dat kan door zelf mee te doen aan internationale operaties als daarom wordt gevraagd. Smoorden de collega’s van Hans Hillen een broodnodige waarschuwing? Of was het een opmerking die vooral getuigde van het sombere gemoed van de defensieminister, die eerder al verzuchtte dat ‘de hemel’ zou ‘zwartkleuren’ als de bezuinigingen bekend werden gemaakt?

Vorig jaar werd het rapport Verkenningen: Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst gepresenteerd. Aan het project werd twee jaar gewerkt door experts van verscheidene ministeries en uit het buitenland. Defensie wilde in deze roerige tijden een zo grondig mogelijke analyse maken van de mondiale ontwikkelingen om daar de inrichting van de krijgsmacht op aan te passen. In het rapport worden vier mogelijke modellen voor de krijgsmacht in de periode 2020-2030 geschetst. Drie ervan zijn gericht op één hoofdtaak (beschermen, interveniëren of stabiliseren), de vierde op veelzijdige inzetbaarheid. Uit het onderzoek kwam naar voren dat die laatste optie de meest verstandige was, gezien de veranderlijkheid van de internationale situatie. Het liefst nog met anderhalf miljard erbij.

HEBBEN WE, nu er een miljard bezuinigd wordt, nog wel een krijgsmacht die de toekomst aankan?

‘Dat is een politieke vraag, geen militaire’, zegt voormalig commandant der strijdkrachten Dick Berlijn. ‘Tijdens de Koude Oorlog hadden we ons verplicht een vaststaand aantal doelen uit te schakelen. Dus kon je mathematisch vaststellen wat je nodig had. Nu is de vraag: wat vinden wij dat bij de maat van Nederland hoort?’ Berlijn vindt dat dat een behoorlijke inzet dient te zijn. ‘We zijn klein maar rijk. De zestiende economie van de wereld. En we hebben in de grondwet opgenomen dat we zullen bijdragen aan de internationale rechtsorde.’ Hij wijst erop dat Nederland steeds meer te maken heeft met uitdagingen die het zelf niet aankan. De klimaatcrisis, de kredietcrisis, pandemieën, grensoverschrijdende criminaliteit. ‘We kunnen ons niet terugtrekken en het maar overlaten aan de Fransen en de Britten, zoals dreigde in Libië. We moeten niet de reputatie krijgen van een free loader, want dan staat ook niemand klaar voor ons als we ze nodig hebben.’

‘Dat wij de internationale rechtsorde overeind willen houden is natuurlijk ook een beetje opportunistisch’, zegt Ben Bot, voormalig minister van Buitenlandse Zaken (CDA, 2003-2007). ‘Wij zijn namelijk voor meer dan zeventig procent van ons nationale inkomen afhankelijk van de handel. We hebben dus belang bij vrede en stabiliteit in de wereld. Het is voor ons belangrijk om internationaal invloed te hebben. Daarvoor heb je een groot diplomatiek netwerk nodig, moet je aan ontwikkelingssamenwerking doen en moet je een behoorlijke krijgsmacht hebben.’

Volgens Bot is het voor Nederland van groot belang dat de Verenigde Staten zich niet van het wereldtoneel afkeren: ‘De VS zijn autarkisch. Wij moeten ervoor zorgen dat het land een open-deurpolitiek blijft volgen. We hebben de VS nodig voor rust en orde in de wereld. We moeten dus toegang hebben tot de top van de Amerikaanse regering, en of je die krijgt hangt samen met je reputatie. Daarom moet je een betrouwbare partner zijn en niet zo nu en dan eens meedoen aan militaire missies, maar vrijwel altijd.’

LANG GELEDEN, toen hij onderzoek deed in de Amerikaanse presidentiële archieven, vond Joris Voorhoeve een intern memo waarin de president werd geadviseerd de Nederlandse minister van Defensie te ontvangen terwijl die in Washington was. De reden was dat Nederland een belangrijke rol speelde en visies uitdroeg die goed van pas kwamen. Een ontvangst op een niveau hoger dan het protocol voorschreef, zou een goede manier zijn om Nederland een klap op de schouder te geven. Voorhoeve, voormalig minister van Defensie (VVD, 1994-1998) en expert op het gebied van internationale organisaties, vrede en veiligheid, noemt het ‘politieke psychologie’: je hebt elkaar nodig, dan wil je een goede band hebben.

Voorhoeve schetst hoe het eraan toeging op de Navo-bijeenkomsten die hij bijwoonde: ‘Er is een O-vormige vergadertafel waar alle vertegenwoordigers van de lidstaten aan zitten. De VS denken: laten wij niet meteen het woord nemen, dat komt zo dominant over. Dus zijn het de Britten die beginnen. Vaak komen ze met een voorstel. Daarop reageren de Fransen, soms wat afwijkend. Vervolgens neemt Nederland of Duitsland het woord om de zaak weer in goede banen te leiden. Je ziet dus dat we meer invloed hebben dan onze omvang doet vermoeden. Dan komen de anderen. Aan het einde is het weer de Amerikaanse minister van Defensie die de zaken samenvat en zegt: volgens mij moeten we het op deze manier gaan doen. Stel nu dat Nederland niet zelf kan meedoen aan wat het bepleit heeft, dan slaan we een slecht figuur. Je komt er niet met alleen maar commentaar, er moet geleverd worden. Dat gebeurt door de krijgsmacht. De defensieorganisatie is de gereedschapsbak van de sector veiligheidsbeleid, die wordt geleid door de minister van Buitenlandse Zaken en de premier.’

Het verkrijgen van invloed en het kweken van goede wil, dat is waar de krijgsmacht blijkbaar toe dient. Wat levert dat uiteindelijk op?

‘Voorbeelden zijn niet makkelijk te bedenken’, zegt Joris Voorhoeve na een korte stilte.

‘Dat is moeilijk uit te drukken’, zegt ook Ben Bot. ‘Je kunt mensen spreken die je normaal gesproken niet spreekt, en je hebt toegang tot gremia waar je normaal gesproken niet komt. In mijn tijd deden we mee met alle G-overleggen, met Midden-Oosten-overleg en met enkele geheime vergaderingen. Je spreekt dan de toppers. Ook over andere zaken dan die op de agenda staan. De Amerikanen hielden rekening met onze belangen. Het was niet: kleuter, blijf in je zandbak.’

Volgens Dick Berlijn merk je het vooral als de goede wil en de invloed er niet meer zijn. Toen Obama in een toespraak duidelijk maakte wie er meededen in Libië noemde hij Nederland niet. ‘Dat was voor het eerst’, zegt Berlijn. ‘We schuiven nu ook niet meer aan bij de G20. Zijn dat directe gevolgen van hoe we de krijgsmacht inzetten? Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat het best eens het geval zou kunnen zijn. Als het gaat om ons buitenlands en veiligheidsbeleid, dan zijn we ons de laatste tijd aan het terugtrekken achter de dijken. Ik betreur dat. We moeten ons echt realiseren dat onze invloed tanende is.’

‘We kunnen er ook voor kiezen te zijn als Zwitserland’, zegt Joris Voorhoeve. ‘Een klein land met nauwelijks internationale invloed maar wel een bloeiende economie. Die drijft echter op geheime bankrekeningen waar corrupte leiders hun geld naartoe sluizen. Dat gaat ten koste van de bevolking in arme landen. Het is een identiteitsvraag: wil je met je rug naar de buitenwereld staan of wil je meebouwen aan een betere wereld?’