Klevend verdriet

Denis Johnson koos nergens voor de makkelijke oplossing © Cindy Lee Johnson

De beste dagen uit het leven van Michael Reed zijn al geweest. De hoogleraar geschiedenis doolt verloren rond, doet min of meer wat er van hem verwacht wordt, gaat naar de feestjes en diners waar men op hem rekent, toont zich welbespraakt en geduldig, maar intussen voelt hij zich dof, soms zelfs volkomen afwezig. Zelf spreekt hij over een ‘verlamming’ die hij eerst ‘nog met eenvoudig verdriet verwarde’. Reed is in de rouw.

Winters geleden, op een ijskoude dag, verloor hij zijn dochter en echtgenote bij een auto-ongeluk, waarvan flarden zich nog altijd bij hem blijven aandienen. Hij keek toe hoe ze wegreden, met hun ook omgekomen buurman. Het schuldgevoel is bij die terugblikken nooit ver weg: had hij ze maar even tegengehouden. Had hij de woorden waarmee hij de buurman op een ander weggetje wilde wijzen maar hardop uitgesproken en niet ingeslikt. Tegelijk is Reeds hardste, schrijnendste verdriet al geluwd. Zoals hij zelf aan het begin van De naam van de wereld formuleert, in kenmerkend kalme bewoordingen: ‘Het was bijna vier jaar geleden, lang genoeg om weer op de markt te zijn. Dat leken andere mensen in elk geval te vinden, en dat liet ik maar zo.’

In zekere zin is De naam van de wereld het verslag van een geduldig man die probeert de buitenwereld weer iets meer toe te laten. Die zelfs – na jaren waarin hij alle gedachten aan seks meteen verwierp – een verbond aangaat met een innemende roodharige kunstenares genaamd Flower Cannon, tevens studente en stripper. Maar hoe prettig hun contact ook is, Reed beseft dat zijn verdriet aan hem zal blijven kleven. En laat het maar aan Denis Johnson over om grote begrippen als rouw en leegte fijnzinnig in te vullen.

Laat het maar aan Johnson over om grote begrippen als rouw en leegte fijnzinnig in te vullen

Er valt bijna geen stuk over Johnson (1949-2017) te vinden waarin hij niet wordt omschreven als typische writer’s writer of waarin zijn stijl niet wordt geroemd – ook ik kan daar moeilijk omheen; hij is een groot stilist, nauwkeurig en strak, gespecialiseerd in het oproepen van sfeer. Het leverde een toonvast, vitaal oeuvre op waarvan de romans het zwaartepunt vormen; enkele verschenen er al in het Nederlands, maar het verhaal van Michael Reed bleef jarenlang onuitgegeven. Nu heeft het kleine, altijd boeiende Koppernik – alweer Johnsons derde Nederlandse uitgeverij in de laatste tien jaar – De naam van de wereld (2001) alsnog laten vertalen. Het doet vermoeden dat Johnsons eerdere uitgevers er vooral in commercieel opzicht geen brood in zagen: de roman bezit weliswaar niet de beeldende kracht van Johnsons roemruchte Treindromen (2002) of de rauwheid van zijn bekende verhalenbundel, Jezus’ zoon (1992), maar De naam van de wereld vertelt wel een heel eigen, compact en intrigerend verhaal.

In weloverwogen zinnen, scherp geformuleerd, neemt Reed je vanaf de eerste pagina’s in vertrouwen. Hij vertelt over de politieke arena te Washington D.C., waar hij als hoofd van de juridische staf werkte voor een inmiddels in opspraak geraakte senator; over zijn hoogleraarschap in het Midwesten van Amerika, over het ongeluk van zijn vrouw en kind, over de bedwelmende Flower Cannon – ondanks zijn dofheid klinkt hij nergens duf. Door het eerstepersoonsperspectief kom je dicht bij hem zonder dat hij zich helemaal laat vatten. Eigenlijk is deze roman een lange monoloog, een vloeiend vertaalde verzameling losse herinneringen en overpeinzingen: er zijn geen verschillende hoofdstukken, geen witregels, Reed maakt soms moeiteloos tijdsprongen van maanden of zelfs jaren, en het voelt allemaal heel natuurlijk aan, alsof het op geen andere manier verteld kon worden.

Het maakt De naam van de wereld een vreemd boek, zowel toegankelijk als moeilijk peilbaar, tegelijkertijd losjes en strak gecomponeerd, dramatisch en plotloos. Af en toe moest ik terugbladeren om te zien bij welke scène Reed inmiddels was beland, het volgende moment zette ik weer volop bewonderende streepjes in de kantlijn. Het knappe aan het boek is dat Johnson – en misschien geldt dit wel voor alles wat hij heeft geschreven – nergens voor de makkelijke oplossing kiest. Nadrukkelijke symboliek of grootse gebaren rondom Reeds rouw worden vermeden. Er is geen eenduidige closure of climax. Het geijkte verloop van zijn band met Flower Cannon zou zijn dat zij hem seksueel bevrijdt: de oude, stilgevallen man die wordt overrompeld door de jongere, onweerstaanbare schoonheid. In plaats daarvan ontvouwt zich een verhaal over het loskomen van religie, over de onmogelijkheid om je helemaal te ontdoen van het klevende verdriet.

‘Ik blijf iemand die de geschiedenis bestudeert, meer dan ooit nu onze eeuw zich aan haar cocon heeft ontworsteld en te mooi is geworden om zich te laten onderzoeken’, overpeinst Reed op het einde van de roman, in zinnen die allesomvattend aanvoelen maar gelukkig nergens worden geduid. ‘Voorspellen op welke manier haar grootste uitbarstingen ons de volgende keer zullen opschrikken is niet langer het belangrijkste. Het belangrijkste is nu dat we met haar meeliften, de lucht in.’