Perquin

Klimaat

Het is een druilerige dag als ik besluit dat ik maar eens moet gaan wandelen. Ik weet niet precies hoe het komt maar het is of er, juist bij zulk weer, een soort interne moeder in me opstaat om me naar buiten te dirigeren. Soms hoor ik mezelf letterlijk denken: ‘Even een frisse neus halen.’ Zo'n zinnetje zeurt dan door tot ik mijn jas aantrek. Buiten is het nog erger dan ik al vermoedde: de hemel is egaal grijs, het miezert en er staat een koude wind. Ik zet mijn kraag omhoog en loop door het park, langs de waterkant, in de richting van het bruggetje. Een oude vrouw met een regenkapje op staat daar naar de eenden te kijken. Als ze mij aan ziet komen wenkt ze en fluistert opgewonden: 'Moet u eens kijken!’
Ik ga naast haar staan. Op de boomstam die in het water ligt zitten drie eenden. Daarnaast zit, doodgemoedereerd, een schildpad. Een fors exemplaar. Hij heeft zijn nek en poten ingetrokken, maar zijn heldere kraaloogjes zijn nog net te zien. 'Nou ja’, zeg ik. 'Waar komt die vandaan?’
De oude vrouw wijst nu verderop, naar de waterkant. Daar zit nog een schildpad, van hetzelfde formaat. Ze zijn vast en zeker achtergelaten, denk ik. Door iemand met vakantieplannen. Of ruimtegebrek. 'Mooi hè?’ zegt de vrouw. Ze legt vertrouwelijk een hand op mijn arm. 'Het komt door het klimaat’, vertrouwt ze me toe. 'Omdat het opwarmt.’ Ze kijkt er zo tevreden bij dat ik haar maar niet vertel dat er misschien een andere verklaring is. 'De natuur past zich wel aan hoor’, zegt ze triomfantelijk. En ze vraagt me of ik denk dat er, op den duur, ook papegaaien zullen komen. Papegaaien en wie weet, aapjes? Dat zou ze best gezellig vinden, een paar aapjes in het park. 'Wie weet’, zeg ik, 'het is vast niet onmogelijk.’ Ze knikt instemmend. Ja, dat dacht ze zelf nou ook. We blijven nog een tijdje op de brug staan, ondanks de regen en de wind, om samen naar de schildpadden te kijken. Maar die verroeren zich niet. Die blijven lekker binnen.