Klimaatneutraal

Op een camping in Het Groene Hart was een verjaardagsfeest. Augustus, warm, windstil. Het begon rond een uur of vier. De camping was klein: een rechthoek gras, slechts twee rijen campers, caravans en tenten. Duidelijk een weiland dat op een bepaald moment van bestemming was veranderd. Naast de camping een identiek stuk land met schapen. Langs de weg stroomde de Kromme Mijdrecht, op een grasveld voor de camping lagen een paar kano’s. De gasten druppelden binnen, al kun je dat natuurlijk niet zo schrijven, want er was geen binnen. Er was alleen maar buiten. Er werd koffie en thee geschonken, er was taart. Taart in augustus, bij windstil weer. Wespen. Heel veel wespen. Ik heb geleerd die te negeren, doen alsof ze er niet zijn, zelfs als ze proberen je neus of mond binnen te dringen. Andere mensen blijven naar ze slaan, de angst gestoken te worden is groter dan de kennis dat slaan naar wespen de insecten opwindt, boos maakt. Prima. Iedereen moet doen wat hen het beste lijkt. Maar tot twee keer toe gebeurde er iets wat ik nog niet eerder meegemaakt had: andere mensen sloegen naar wespen die bij of op mij zaten. Tijdens een gesprekje aan een voor de gelegenheid neergezette statafel, iedereen een kopje of glas in de hand, sommigen nog met een bordje taart. Sta je daar rustig verjaardagspraat heen en weer te babbelen, slaan ze ineens op je borst omdat daar een wesp zit! ‘Hou daar eens mee op!’ zei ik. ‘Jij slaat en ik word gestoken.’ Later gebeurde het nog eens, door een andere verjaardagsgast, en toen werd uitgehaald naar mijn oor. Behulpzaam zijn, of willen zijn, en juist daarmee anderen in gevaar brengen. Nu zijn er grotere gevaren denkbaar dan gestoken te worden door een wesp, maar misschien ben ik wel allergisch voor een steek, en beland ik in een anafylactische shock.

Heel veel wespen. Net zoals er in mijn Eifeltuin heel veel vlinders, muggen, dazen, hoornaars, vliegen, bijen, motten, hommels en zelfs af en toe een verdwaalde libel rondvliegen. En natuurlijk wespen. ‘Kijk’, zeg ik tegen bezoek, ‘het zal toch allemaal wel meevallen met die enorme afname van insecten?’ Misschien valt het mee, misschien niet, ik kan dat, afgaande op de hoeveelheid insecten in mijn eigen tuin, niet beoordelen. Ik schreef er iets over in Rotgrond bestaat niet. Dat naar aanleiding van het verontrustende Duitse onderzoek vorig jaar niemand zich afvroeg of de afname van de hoeveelheid insecten erg is. Natuurlijk, als er niet genoeg insecten meer zijn om fruitbomen te bestuiven, dan hebben we een probleem. Maar daar lijkt vooralsnog geen sprake van. Ook vroeg niemand zich af of er misschien niet gewoon veel te veel insecten waren. Een overschot. En dat er een proces gaande is om dat overschot op te lossen, waardoor er over een tijdje een natuurlijk evenwicht ontstaat. Allemaal buiten onze waarneming, want wie telt elke week de hoeveelheid insecten in zijn tuin? Ik vond destijds het Duitse onderzoek waaruit geconcludeerd werd dat er een afname was van 75 procent aan insecten nogal onvolledig. Ik bedoel: er werden te weinig vragen gesteld. Je zou bijvoorbeeld moeten weten hoe de insectenpopulatie zich in de vijftien jaar vóór het begin van de metingen – die ook ruwweg vijftien jaar besloegen – ontwikkelde, en je zou automobilisten moeten vragen hoe smerig pakweg veertig jaar geleden hun voorruit was in de zomer. Nu blaatte iedereen de stelling na dat inderdaad tegenwoordig de voorruiten zo schoon blijven. Zo’n complexe zaak reduceren tot de voorruit van een auto, dat is wat al te makkelijk.

Inmiddels zijn de insectengemoederen weer bedaard. Er zijn andere dingen voor in de plaats gekomen en voor die andere dingen wéér andere dingen. De afgelopen zomer bijvoorbeeld. Is dat ons voorland? Jazeker, vertellen ons onderzoekers. Zeker de komende vier jaar zal het zo zijn. Ik word daar niet vrolijk van, ik kan geen zon meer zien en die droogte doet mijn tuin en de tarwe op het land natuurlijk ook geen goed. Ik ben een echte noorderling, ik hou van matige warmte én van kou, van regen en géén regen, van hagel en sneeuw, van ijs, van afwisseling. Ondertussen vliegen, verpoppen, bestuiven, steken, zoemen en paren de insecten dat het een lieve lust is. We zijn ze voor even vergeten, ze doen wat ze altijd al gedaan hebben en met een beetje geluk blijkt over tien jaar dat het allemaal zo’n vaart niet liep. Misschien blijkt over honderd jaar dat de huidige zomers een anomalie waren, dat de ijskap op de Noordpool weer aangroeit en dat er nog steeds gletsjers bestaan. Ik probeer klimaatneutraal te zijn. Niet in de zin van een vlucht maken naar Barcelona en vervolgens een maand lang de verwarming niet aan te zetten, maar in de zin van rustig blijven en dingen tegen elkaar afwegen; studies serieus te nemen maar ook kritisch te blijven bevragen; niet in paniek raken; maatregelen nemen om de aarde niet verder te vervuilen en belasten en tegelijkertijd vertrouwen op de ongelofelijke veerkracht van diezelfde aarde, de natuur.

Inzake wespen ben ik niet neutraal. Slaan naar wespen die iemand anders lastigvallen, nee, dat kan echt niet. Hou je eigen angst bij jezelf en breng anderen er niet mee in gevaar. Bovendien: mócht het werkelijk zo zijn dat de insecten langzaam aan het uitsterven zijn, mag je natuurlijk nooit een wesp vermoorden.