Klimaatmars Brussel, 2 december 2018 © Pelle De Brabander

In aanloop naar de klimaatconferentie van Glasgow publiceerde The Irish Times een interview met twee filosofen, Philip Kitcher en Kian Mintz-Woo, onder de titel: ‘Could Ireland be a winner from climate change?’ Iersgezinde online lezers, die niet verder kwamen dan de eerste paar regels (de rest van het interview was afgeschermd voor niet-abonnees), stuitten op een hoopgevende boodschap. ‘Bedenk wie de winnaars kunnen zijn van een warmere planeet. Ierland zou kunnen profiteren van extra toerisme zodra het Middellandse zeegebied oncomfortabel warm wordt.’

De clickbait deed happen. Het artikel werd breed gedeeld en ontlokte vurige reacties op sociale media. Ierland, winnaar van klimaatverandering? Hoe konden deze moraalfilosofen er zo’n immorele opvatting op nahouden? Wie het stuk in zijn volledigheid las, ontdekte dat hun inzet heel anders was. Het interview ging over Mintz-Woo’s voorstel om niet alleen ‘klimaatvervuilers’ maar ook ‘klimaatwinnaars’ te belasten. Een dag later corrigeerde The Irish Times de misleidende titel: ‘Should sectors that “win” from climate change be taxed?’

‘Klimaatwinnaars’ is een thema dat uitnodigt tot controverse. Hadden de geïnterviewde filosofen zich langer achter de oren moeten krabben voordat ze dat thema publiekelijk aansneden? Er bestaat zoiets als de ethiek van ethiek-doen: ethici dienen niet alleen te oordelen over het gedrag van anderen, maar zich ook te bezinnen op de morele risico’s van hun eigen keuzes.

Van een faux pas, echter, lijkt in dit geval geen sprake. ‘Op wereldschaal zijn de netto gevolgen van klimaatverandering overweldigend negatief’, stelt Mintz-Woo. ‘Maar daaruit volgt niet dat er geen lokale winnaars kunnen zijn.’ Denk aan landen als Rusland of Canada, die dankzij smeltende ijskappen nieuwe transportroutes en energiereserves kunnen aanboren. Of denk aan specifieke sectoren – bijvoorbeeld het toerisme in Ierland – die in een warmer klimaat goed kunnen gedijen. Het voorstel van Mintz-Woo is om zulke sectoren als ‘onverdiende winnaars’ te belasten – het spiegelbeeld van steun verlenen aan groepen of sectoren die extra hard getroffen zijn. Uit rechtvaardigheidsoogpunt is dat goed te verdedigen, stelt de ethicus: wat je toekomt moet proportioneel zijn aan wat je zelf hebt bijgedragen.

De ethische pointe, aldus, was een stuk genuanceerder dan de aanvankelijke titel in The Irish Times deed vermoeden. Een slippertje van de liberale kwaliteitskrant, die aanstuurde op een licht ontvlambaar online debat, in plaats van vluchtige lezers adequaat te informeren.

Het illustreert dat het voor klimaatethici niet eenvoudig is om hun thema’s publiekelijk aan te snijden. Of je als ‘klimaatverliezer’ of als ‘klimaatwinnaar’ wordt gebrandmerkt doet ertoe. Belanghebbenden alom. Stemmingsmakers en twijfelzaaiers staan te trappelen, whataboutists komen in stelling om de discussie te kapen. Online media lenen zich niet goed voor de ethische finesse, die juist het klimaatvraagstuk behoeft.

In zijn toonaangevende boek A Perfect Moral Storm betoogt klimaatethicus Stephen Gardiner dat het klimaatprobleem doordrenkt is met ethiek. De mensheid staat voor een morele uitdaging: een grootschalige transitie is noodzakelijk, maar staat op gespannen voet met menig eigenbelang in het hier en nu. Gardiner typeert de uitdaging als een ‘perfecte storm’, waarin verschillende catastrofes bij elkaar komen en elkaar versterken. Die storm wordt onder meer aangedreven door intergenerationeel conflict. De huidige generatie plukt de meeste vruchten van CO2-uitstoot, terwijl volgende generaties de grootste lasten ervan dragen. Dit creëert een perverse prikkel: het is in het belang van de huidige generatie om haar CO2 niet drastisch terug te brengen. CO2-uitstoot, immers, is weliswaar niet de motor maar wel een onmiskenbaar bijproduct van vooruitgang: dezelfde krachten die ten grondslag liggen aan het klimaatprobleem hebben ook onze huidige welvaart aangedreven.

Deze intergenerationele storm – een van de drie stormen die Gardiner in de klimaatcrisis ziet samenkomen – wordt versterkt door een veelvoud aan psychologische en morele valkuilen. Zo zullen er, als gezegd, op korte en middellange termijn ook klimaatwinnaars zijn, die de perverse prikkel hebben om juist meer CO2 uit te stoten. Geen wonder dat de olie- en gaswinning tot op heden blijft toenemen, zoals milieuagentschap UNEP onlangs constateerde. Onzekerheid over wie in de winnaarscategorie valt, nodigt uit tot wishful thinking. Datzelfde geldt voor de geleidelijkheid en lange duur van de klimaatdreiging. De menselijke psychologie – en ook onze democratische instituties – zijn sterk geënt op het heden, en nauwelijks behept voor het oplossen van langetermijnproblemen.

Morele corruptie, stelt Gardiner, is de verdraaiing van morele argumenten in het licht van zulke perverse prikkels. Uitingen daarvan zijn onredelijke twijfel, selectieve aandacht, hypocrisie en gemakzucht. Zulke corruptie vormt een reëel gevaar voor het publieke klimaatdiscours. Soms worden corrumperende strategieën zelfs doelbewust ingezet. Bekend is de analyse van wetenschapshistorici Erik Conway en Naomi Oreskes, die zogenaamde merchants of doubt ontmaskerden: wetenschappers die zich jarenlang voor het karretje lieten spannen van de tabaks- en olie-industrie en met halfbakken claims twijfel zaaiden over de echte wetenschap. Het was gefabriceerde twijfel, waaraan politieke belangen en ideologische motieven ten grondslag lagen. Niettemin had de twijfelbrigade succes: hun onrepresentatieve opinies weerklonken breed bij media en publiek.

Zou iets soortgelijks kunnen gebeuren in de klimaatethiek: een twijfelbrigade die morele debatten corrumpeert? Waar ideologie en gevestigde belangen in het spel zijn, daar valt te verwachten dat strategieën om maatschappelijke discussies te manipuleren niet worden geschuwd. Het morele debat komt daarbij al snel in het vizier. Want wat rechtvaardigheid betekent voor de een, staat voor de ander gelijk aan een geannuleerde vliegvakantie, gedwongen omscholing of een onafwendbaar faillissement.

Onlangs pleitte een internationale groep sociale wetenschappers, aangestuurd door een delegatie van de Universiteit Utrecht, in Nature voor een moratorium op onderzoek naar stratosferische aerosol injectie (SAI). SAI is een voorgestelde technologie om klimaatopwarming tegen te gaan door zonlicht te weerkaatsen – een effect vergelijkbaar met een vulkaanuitbarsting. Het idee is omstreden; tot op heden hebben meer ethici dan ingenieurs zich ermee beziggehouden. Het heikele punt is de politieke uitvoering. SAI vereist democratisch en rechtvaardig bestuur op mondiale schaal. Wie bepaalt immers hoeveel er aan de globale thermometer wordt gedraaid? Met onze huidige politieke instituties is dat volstrekt onhaalbaar, stellen de opposanten in Nature. Volgens hen vormt SAI bovendien een gevaarlijke afleiding van urgente maatregelen om CO2-uitstoot terug te dringen. Morele corruptie ligt op de loer: technologische tunnelvisie voedt wensdenken, terwijl acute klimaatmaatregelen uitblijven.

Is de stelligheid van tegenstanders – onderzoek naar SAI moet geen voet aan de grond krijgen – gerechtvaardigd? Dat is geen uitgemaakte zaak. Op dit moment zijn scenario’s waarin de technologie meer kwaad dan goed doet snel geschetst. De technologie verkeert echter nog in een pril stadium van ontwikkeling. Welke vorm zij uiteindelijk aanneemt staat niet in steen gebeiteld. De vraag aan ethici is niet slechts om ja of nee te zeggen tegen nieuwe technologie. Ethici kunnen ingenieurs begeleiden en helpen om morele waarden van meet af aan in technologisch ontwerp te versleutelen.

Allicht gaan naysayers daar niet in mee: de technologie is ons altijd een stap vooruit en zal ons voor een voldongen feit plaatsen, nog voordat morele deliberatie goed en wel van de grond komt. Deze repliek ontkent het vermogen om met goed gevolg ethische sturing te geven. Als die ontkenning terecht is, echter, dan kun je dat evenzogoed opvatten als aansporing om nieuwe morele instituties te creëren die wél effectief zijn. Niet minder technologie maar meer ethiek als oplossing.

Zo golft de discussie of er überhaupt onderzoeksgeld in SAI moet worden gestoken op en neer. Die discussie is complex en, zelfs voor een goed geïnformeerde derde, niet gemakkelijk om te beslechten. Hoe moet het voorzorgsbeginsel hier worden toegepast? Wat is het grotere risico: de technologie ontwikkelen, of dat juist niet doen? Mogelijk is er sprake van morele onzekerheid in zuivere vorm: ook op basis van gedegen ethische beraadslagingen kan de balans niet een-twee-drie worden opgemaakt.

Niet iedere morele onzekerheid is gefabriceerd. Soms is morele twijfel best redelijk. Sommige kwesties zijn onderwerp van serieus debat en voortschrijdend inzicht, of zijn nog nauwelijks overdacht. Hebben armere landen een legitieme aanspraak om zich met flinke CO2-uitstoot industrieel te ontwikkelen? Is het erg als Nederland eind 22ste eeuw onder water komt te staan? Hoe belangrijk is cultuur- en geschiedbehoud? In brede maatschappelijke kring zijn die vragen lang niet allemaal uitvoerig bediscussieerd. Of neem het debat over SAI: tot nog toe zijn landen uit de Global South daarbij nauwelijks actief betrokken. Dat is problematisch: bij gebrek aan een breed en inclusief debat is het maar zeer de vraag of alle relevante argumenten ter tafel komen.

Zo’n breed, democratisch debat vergt, op zijn beurt, instituties die het publiek engageren: een publieke sfeer waar burgers zich actief uiten over ethische vraagstukken. Die sfeer verkeert, op dit moment, niet in beste staat. Veel maatschappelijke discussies worden online gevoerd, terwijl de architectuur van leidende sociale media, zo is het afgelopen decennium wel gebleken, ontoereikend is voor het faciliteren van een debat waar de beste argumenten de meeste aandacht krijgen.

Het ontbreekt ons dus aan de juiste instituties. Niet alleen aan instituties voor collectieve klimaatactie, maar ook aan instituties voor inclusief klimaatoverleg. Dit institutionele tekort is een van de stormen die samenkomen in de klimaatorkaan. Kunnen we die het hoofd bieden?

Volgens eerdergenoemde Kitcher vormt het de kern van de menselijke moraal: in een maatschappelijk discussie naar oplossingen zoeken voor collectieve uitdagingen. De klimaattransitie is zo een uitdaging. Veel burgers, vermoedt Kitcher, vrezen dat de transitie hen harder zal raken dan anderen. Wie zijn hebben en houwen heeft geïnvesteerd in een CO2-rijk bestaan, die heeft veel te verliezen. Wie geen geld heeft voor zonnepanelen en een elektrische auto, die zal eerder de gevolgen van een hogere energierekening voelen. Veel zorgen zijn volstrekt redelijk: het zal een flinke uitdaging zijn om niet alleen de reductiedoelen te halen, maar de klimaattransitie ook rechtvaardig te doen verlopen. Dat behoeft reflectie over legitieme verwachtingen, compensatiemaatregelen en eerlijke verdelingen. Kortom: het vraagt om morele beraadslaging.

Filosofen kunnen het morele debat begeleiden, stelt Kitcher. Zij kennen de valkuilen en corrumperende factoren. Maar het zijn geen experts die de morele waarheid in pacht hebben. Een ethische klimaattransitie vraagt om maatschappelijke discussie, waarbij ieder standpunt ertoe doet, en waarbij afkomst, emoties en geleefde ervaring gewicht in de schaal leggen. Het Franse burgerforum, dat in respons op de gilets jaunes-protesten werd ingesteld, kan als model dienen voor zo’n discussie: een gestructureerd debat, waarin twistpunten met goede argumenten worden beslecht en de twijfelbrigade met gemak kan worden ontmaskerd. Natuurlijk moet de uitkomst van zulk overleg zich vervolgens ook vertalen naar beleid, een element waar het in Frankrijk aan schortte.

Ook het klimaatoverleg in Glasgow is in de kern een moreel debat, gevoerd op de politieke bühne. Doel van de Conference of the Parties is om met scherpere ambities te komen om de doelen van Parijs te realiseren. De strategie is bottom-up: het is aan ieder individueel land welke middelen het daartoe wil inzetten. Ook technologie behoort tot de mogelijkheden. Maar implementatie komt later aan bod; eerst moeten de partijen over hun ambities consensus bereiken. Dat is, althans, de hoop.

Moraal gaat, in de laatste plaats, uit van gedeelde basisopvattingen. Die basisopvattingen zullen in Glasgow allicht niet de boventoon voeren. Waar politieke belangen meespelen komen de bekende vertekeningen in het spel: morele stormen één en twee vertroebelen het zicht.

Daarom is het van belang om de ethische contouren van de klimaatcrisis te blijven benadrukken. Technologie, wetenschap, economie, internationale politiek: elk zijn zij van groot belang, maar bij gebrek aan morele visie wijst geen ervan de weg vooruit. Voert, daarentegen, de vraag naar een rechtvaardige klimaattransitie in Glasgow de boventoon, dan zou best eens kunnen blijken dat morele basisopvattingen breder worden gedeeld dan het politieke schild doet vermoeden.


Jeroen Hopster doet postdoctoraal onderzoek naar sociaal disruptieve technologieën en klimaatethiek aan de Universiteit van Twente