Klimmend de kern testen

Het Adamello Brenta Natuurpark in de Dolomieten, Italië. 2009 © Jonas Bendiksen / Magnum Photos / ANP

Nooit geweten dat je een berg ook in verschillende stijlen kunt beklimmen: met roekeloze bravoure, timide, met pathos, ethisch, of als plat entertainment. Bekende Nederlandse alpinisten klommen ‘wetenschappelijk’, naar het schijnt, net als Walter Welzenbach, de hoofdpersoon en verteller van Zuurstofschuld.

‘Na Lenny ben ik wiskundig gaan klimmen’, beweert hij na een paar hoofdstukken. Sterk, intrigerend zinnetje. Ook omdat we zijn vaste klimmaat Lenny dan al leerden kennen. Ze waren studievrienden, oefenden op brugpijlers, op de vraag naar het waarom van dat klimmen zei Lenny alleen: ‘Omdat ik er een stijve pik van krijg.’

En nu is er kennelijk een vóór en een na Lenny. En in dat na werd een klimroute ‘als een reeks binaire beslissingen’. ‘Een berg is een vraagstuk, geen waagstuk.’ Walter vertelt dit als gevierd klimveteraan, neergestreken in Chamonix, terugkijkend op alle beklimmingen van bergen in de Himalaya en de Alpen, en vooral ook op de afdalingen, waar je in de verhalen vol klimmersromantiek zo weinig over hoort. ‘Het gaat niet om de toppen – alle toppen zijn beklommen, alles is volbracht.’

Toine Heijmans zoekt de ontbrekende perspectieven, de verhalen in de marge. Alle ingrediënten die zijn verslaggeverscolumns in de Volkskrant zo uitzonderlijk en markant maken, zien we ook in deze roman: een sterk observatievermogen, nieuwsgierigheid, oog voor de details net náást het grote nieuws, grondig gedocumenteerd, en gebracht met een heldere, rustige stem.

Materiaal ligt ‘als juweliersgoed te schitteren in de bergsportwinkels’, in een bergkamp breken tenten open ‘als eieren’ waar sherpa’s uit tevoorschijn komen. We maken het tastbaar mee: de bevroren ledematen, de ijle luchten, de geluiden, en vooral ook de sensatie van tijdloosheid die je bij het klimmen moet ervaren. ‘De wereld bestond vijf miljard jaar, de mens bestond twee miljoen jaar – wij bevonden ons tussen de schubben van de diepe tijd. De schilfers ervan.’

In een bergkamp breken tenten open ‘als eieren’ waar sherpa’s uit komen

Net als in Heijmans’ bestseller Op zee (2011) worden we hier naar onherbergzame buitengebieden geleid, die de auteur, zelf zeiler en klimmer, goed kent. Dat is het mooie van literatuur over een hobby, om het wat oneerbiedig te zeggen. Als het goed geschreven is krijg je de essentie ervan mee, zonder zelf in de weer te hoeven met stijgijzers, prusiktouwtjes, klimgordels en wat dies meer zij.

Grondig gedocumenteerd is deze roman zeker, en zo nu en dan kreeg ik de indruk dat de journalist het won van de romanschrijver. Doordat vriend Lenny een gigantische boekenkast heeft met alle bergbeklimmersboeken, neemt de verteller heel royaal de gelegenheid hieruit te citeren en na te vertellen. Al die namen en heldendaden, Edward Whymper op de Matterhorn in 1865, Bonington, MacInnes, Bonatti, Toni Kurz…

‘Wij klommen altijd in de schaduw van de grote verhalen, zoals die netjes gerangschikt waren in Lenny’s boekenkast.’ Zeker, en vooral de eerste helft van het boek leek de verhaallijn met Lenny vooral opgetuigd als een touwlijntje om al die verhalen aan op te hangen – het documentaire overheerste het dramatische. Er is zelfs een compleet hoofdstukje gewijd aan Alison Hargreaves, een van de schaarse vrouwelijke klimmers, die door Nigella Lawson ijdel en zelfzuchtig werd genoemd, en door de media veroordeeld omdat ze liever klom dan bij haar kinderen was.

Maar al die verhalen hebben wel een functie, en zijn meer dan anekdotische opsmuk. Naast het verhaal van een vriendschap is Zuurstofschuld ook een boek over de veranderingen in de klimcultuur zelf. Die documentaire, non-fictie-studie loopt in feite van Petrarca die in 1336 de Mont Ventoux beklimt, tot aan onze tijd, waarin er files op de Mount Everest staan. Walter staat ineens zij aan zij met vloggers met selfiesticks, en klimmen betekende een ‘record halen’: de jongste zijn, de oudste, ‘de eerste blinde, de eerste zonder benen, de eerste bruiloft’. ‘Het basiskamp was een amusementsterrein.’ Walter beziet het allemaal met een toets van ironie, maar de overheersende gemoedskleur is een wat mistroostige.

Een tijdje zocht ik naar de echte intrige, naar narratief houvast dat al die afzonderlijke klimavonturen overspant, maar toen ik eenmaal doorhad dat het subtieler lag, dat we hoofdstuk na hoofdstuk, afdaling na afdaling, dieper doordringen in de aard van die vriendschap, en in de verschillen in klimmentaliteit, in de houding ten opzichte van de natuur, en ook tegenover de eigen sterfelijkheid, toen had dit boek me goed te pakken. ‘We wilden deel uitmaken van een sterrenstelsel dat nauwelijks meer bestond en snel zou verdwijnen, misschien was het al weg.’

De roekeloosheid van Lenny en het berekenende van Walter: dit zijn natuurlijk levenshoudingen in ruimere zin, en het zal niet verrassend zijn dat Walter uiteindelijk inziet dat zijn rationeel-wiskundige kijk een te beperkte is. Hoe te leven als je alle toppen hebt bereikt, in een tijd dat toppen geen echte ontberingen meer lijken? Waar gaat het werkelijk om: in die eeuwige vraag boort dit boek steeds dieper door. ‘Het gaat niet om bergbeklimmen, het gaat erom hoe mensen in de bergen functioneren’, zegt Walter. ‘De kern testen, dat is wat je doet daarboven.’