Klink nog helder op

TER BALKT is een dichter die al sinds jaar en dag ‘nergens’ bij lijkt te horen. Ja, in zijn eerste bundels, toen hij nog onder de profetennaam Habakuk II De Balker opereerde, vond men wel iets terug van de poëzie van Vijftig, want ook Ter Balkt kuste de blote kont der kunst, keerde zich met een ferm kiss my ass af van wat de boekhouders van de literatuur - recensenten, literatuurhistorici, specialisten - meenden dat werkelijk belangrijke poëzie was. Maar een Vijftiger was Ter Balkt nooit. En in de jaren zeventig en tachtig, toen in de poëziebeschouwing de zogeheten autonomistische poëzie het belangrijkste werd gevonden, was Ter Balkt een buitenbeentje, een dichter die in al die gedichten waarin de werkelijkheid buitenspel werd gezet, waarin ‘de verwijzende functie van woorden ongedaan werd gemaakt’, zoals de formulering luidt, in die gedichten die ‘inkeerden in zichzelf’, zoals een andere formulering luidt, alleen maar de vernietiging ontdekte die in de werkelijke wereld in volle gang was en die zich daar, letterlijk, met hart en ziel tegen keerde. Asfalt was het, doods, en bovendien: laf, benepen, Hollands, ingedijkt.

Ter Balkt wilde en wil die dijken wel doorsteken, zo lijkt het, het verkavelde land onder water zetten, een tweede zondvloed, alles tegen de vlakte, alsof hij de alomtegenwoordige vernietiging door snelwegen, ruilverkaveling, luchtverontreiniging, de vernietiging van de betekenis waaraan de autonome dichtkunst zo hard meewerkte, paradoxaal genoeg zelf zou willen vernietigen, het land, de wereld zou willen opschonen. ‘Luister en wacht!’, schreef hij in een gedicht uit Aardes deuren (1987) waarin de stem van de dichter een berg wordt, 'misschien stort er/ van de onzichtbare hellingen// op een dag nieuw, helder geloof omlaag’.
Tegen de bijlen: Oden en Anti-Oden, zo heet zijn nieuwste bundel dan ook, en wie Ter Balkt heeft gevolgd, weet al op voorhand dat hij ook nu weer de complete en enige echte Ter Balkt tegen zal komen, dat in deze bundel de dichter spreekt die zich opnieuw niet heeft 'ontwikkeld’, in wiens werk ook nu weer geen 'breuk’ voorkomt, waarna hij een 'andere weg’ is ingeslagen - de boekhouders zijn hier dol op - maar die nogmaals zichzelf aanwezig stelt zoals hij is en altijd al was.
HOE VOLSTREKT eigen Ter Balkts toon is, blijkt overigens nog eens uit een recent nummer van het tijdschrift Parmentier, waarin zeer vroeg werk van de dichter werd opgenomen (uit de bundel Elektronen uit 1953): dat is al Ter Balkt ten voeten uit, de Ter Balkt zoals men hem ook nu nog kent. Dat lijkt op het eerste gezicht geen aanbeveling: zo'n bundel met meer van hetzelfde, maar, om het kort en krachtig te zeggen, 'hetzelfde’ is bij Ter Balkt altijd het andere.
Een dichter die in zijn werk altijd alles tegelijk wil omhelzen, de hele, niet-verkavelde werkelijkheid, een werkelijkheid waarvan geen splintertje uitgezonderd wordt, die zich niet laat herleiden en die niet herleid mág worden tot een opvatting, een visie, maar die het hoog en laag, het verhevene en het banale, het eerbare en obscene, die verleden en heden en dus ook toekomst omvat - zo'n dichter is onvoorspelbaar, grillig, nooit saai. Ik zou willen zeggen: zo'n dichter doet nooit wat hij al eerder deed, zelfs niet, zoals wel vaker in bundels van Ter Balkt gebeurt en ook weer in Tegen de bijlen, wanneer hij oudere, al eerder gepubliceerde gedichten opnieuw, maar met de nodige wijzigingen opneemt.
Ter Balkt is een dichter die zelfs op zijn eigen gedichten aanstormt als iemand die geen genoegen neemt met wat een blijkbaar al te vaste vorm kreeg. Hij blaast zichzelf nieuw leven in, en op die manier blaast hij de lezer die hem denkt te kennen steeds weer opnieuw áán.
De gedichten in Tegen de bijlen staan open op alles, en dat betekent dat ze uit alle macht verwijzen naar wat in de wereld zoal voorhanden is of was (want er is al veel verdwenen). Ze verwijzen naar een schilderij van Jan van Goyen - er staat een, overigens ánder schilderij van Van Goyen op het omslag -, naar kranteberichten, naar mythen uit alle windstreken en culturen, naar andere dichters, naar voorwerpen, machines, plekken en steden, naar de Rolling Stones. Het zijn gedichten die je als lezer tot grote activiteit dwingen, want wie alle verwijzingen, referenties en echo’s op wil zoeken, is vaak dagen bezig - niet in de laatste plaats omdat de manier waarop Ter Balkt met zijn bronnen omspringt weer buitengewoon eigenzinnig is.
Ik verwijs hier nog maar eens naar het nummer van Parmentier over, maar vooral ook ván Ter Balkt. Daarin vindt men een groot aantal artikelen onder de titel 'Extra verhelderingen’, waarin historici bij de gedichten uit Ter Balkts vorige bundel, Laaglandse hymnen, gedicht en historische gebeurtenis naast elkaar plaatsen en de mooiste bijdragen laten zien dat de geschiedenis volgens de dichter een andere is dan de geschiedenis volgens de historicus. De dichter heeft een actualiserende benadering, zoals dat heet in het jargon, de historicus uiteraard een meer historiserende benadering (zij het niet uitsluitend, natuurlijk).
In Tegen de bijlen ratelt 'Het bonte gezelschap ontregelaars op de Wagen/ van Jan van Goyen (…) onder de viaducten/ door en over de bruggen’ en er zijn snelwegen, er zijn 'de droge// knoken van Creuzfeldt-Jakob’, XTC-farms, vliegtuigen (van Alitalia), en 'de lichten van Bruxelles-Nord’. Die wagen van Van Goyen rijdt het schilderij af en het heden in, zoals in een ander gedicht over een schilderij - Turners 'Rain, Storm and Speed (The Great Western Railway)’ - de wind en de snelheid naar Checkpoint Charlie rollen. Omgekeerd wordt in 'Hymne aan de walnotenboom’ die in het hier en nu staande boom in verband gebracht met de boom Yggdrasil, de levensboom, de altijd groene boom van het heelal, een es, zoals het gedicht zelf meldt.
ALLES, NIET minder. Ode én Anti-Ode, zoals samengevat in de titel van het gedicht dat uiteindelijk aan deze bundel zijn naam gaf: 'Ode aan de triomfzang tegen de bijlen’ - een kort gedicht dat nog eens aangeeft wat de inzet van Ter Balkts dichterschap is: 'Door de rondvliegende spaanders zien wij het bos niet meer/ Eens, op de planeet, toen het later was dan na middernacht/ klink nog helder op, triomfzang tegen de bijlen nog laat aan het werk/ klink op, zangen in de keel al bijna door stikstof omgebracht’.
Ik schreef zo-even dat Ter Balkt zelf, en paradoxaal genoeg, wel alles leek te willen vernietigen, de hele godganse werkelijkheid leek te willen opschonen. Maar juist daarin, in zijn soms woeste, bulderende toon, in de brede armzwaai van zijn poëzie, blijkt hij telkens het tegendeel van een vernietiger te zijn. Zijn poëzie is als de omarming van een geliefde die je altijd bij zich wil houden, wil voelen, en die je nooit en te nimmer los wil laten, zodat je naar adem snakt en de omhelzing bijna pijnlijk wordt.