Klinkt als klucht

HANS VAN DER BEEK
MIJN VROUW HEET PETRA
Nijgh & Van Ditmar, 200 blz., € 16,50

Mijn vrouw heet Petra, het debuut van Hans van der Beek (1966, journalist bij Het Parool) heeft iets van een gimmick. De tekst begint op het omslag, en op de achterflap staat een opsomming waarom u deze roman niet moet lezen. Grappig, zo’n tactiek – en grappig is het sleutelwoord voor dit boek. Van der Beek heeft een roman willen schrijven waarmee hij de draak wil steken met de midlifecrisis, en die van het mannelijk geslacht in het bijzonder. En dat is gelukt. Hoofdpersoon Peter Pruiser, kaal, geschiedenisleraar, Ford Mondeo-rijder, is de vleesgeworden burgerlijkheid. Zijn vrouw heet Petra, zijn kinderen Mats en Maartje. Als Petra bij hem weggaat, raakt hij geobsedeerd door BN’er Chantal Janzen, een obsessie die uitmondt in een flink portie stalken (voor agnostici: Janzen bestaat echt, ze is musicalactrice, en reikte Van der Beek heel sportief het eerste exemplaar van dit boek uit).
Dat verhaal klinkt als een klucht, en dat is het ook, een klucht die Pruiser voor zichzelf draaglijk maakt door alles met zijn cynische grapjes te benaderen. De humor van Van der Beek is een beetje als de Spaanse inquisitie; als je maar genoeg mensen op de brandstapel gooit zit er vast wel één duivelaanbidder tussen. ‘Iedereen wil met me naar de kroeg, niemand wil met me naar bed’, vat Pruiser herhaaldelijk zijn leven samen, waaraan ik zou willen toevoegen: ik hoef ook niet zo nodig met je naar de kroeg. Zo’n mannetje dat nooit zijn mond houdt en zelf nog het hardst lacht om zijn eigen grappen.
Nu is humor natuurlijk heel persoonlijk, en houdt u misschien wel van uitwijdingen over de verschillen tussen borsten- en billenmannen.
Dat Van der Beek journalist is merk je. Zijn mini-reportages in het boek over een cursus method acting, over voor de klas staan, en vooral zijn observaties als Pruiser zich een pak laat aanmeten in het P.C. Hooft-paviljoen van Oger zijn haarfijn. Hier nu eens geen spervuur van grappen, maar hier laat Van der Beek zijn observaties en sfeerbeschrijving het werk doen. Oger, the man himself, meet zijn klanten, pardon gasten, geen pak aan maar een creatuur. Hij verandert ze in zichzelf. Pruiser vindt het prachtig en loopt tweeduizend euro lichter de winkel weer uit. Dat gun je die Pruiser dan weer wel, een mooi jasje, fijne stof. Ga je je een stuk jonger van voelen.