TONEEL

Klisma-komedie

De ingebeelde zieke

De vraag waarom Fawlty Towers (BBC, twaalf afleveringen tussen 1975 en 1979) zo goed is, kent een eenvoudig antwoord: het is situatiekomedie van de hoogste soort, aan elke aflevering is minimaal zes weken geschreven door de twee bedenkers, tevens hoofdrolspelers, de lach zat bij het publiek, de pijn bij de uitvoerders. Speeltechnisch ligt de bron in het noorden van Italië in de vroege zestiende eeuw (commedia dell’arte – de suggestie dat alles ter plekke wordt verzonnen en ontstaat). Schrijftechnisch ligt de bron bij Jean-Baptiste Poquelin (1622-1673) die zich Molière noemde – de hoofdfiguren lopen twee passen achter bij het publiek, op één na, die het publiek minimaal twee stappen vooruit is. Vanaf het moment dat het leven van Molière zelf een afgetrapte sitcom was geworden en er spotverzen op hem werden geschreven, ging het met zijn werk zienderogen achteruit. Zijn laatste stuk, De ingebeelde zieke, was te veel een comédie ballet om nog voor raspaardje onder de komedies te kunnen doorgaan. En er zat te veel wraakzucht in het stuk tegen de medische wetenschap (die zijn moeder jong liet creperen en zijn kinderen niet in leven kon houden) zodat het drama erdoor in de knel kwam. Voor de moderne toneelregiekunst wordt er in de tekst voorts zo ruig met ziektekiemen en klisma’s rondgestrooid dat het een ongezonde uitnodiging is voor allerhande performanceviezigheid.
Jos Thie, de nieuwe directeur van De Paardenkathedraal, tegenwoordig met een vreemde deftigheid De Utrechtse Spelen genoemd, heeft het stuk gekozen voor een rijkelijk bepruikte en ook anderszins heftig gekostumeerde, naar de tijd van Louis Soleil verwijzende Molière-reconstructie. Hij had eerst een Iers volksstukje gedaan en was daar zwaar de mist mee ingewandeld (niet gezien overigens), dus moest hij nu zijn loodzware budgetten preventief tegen de erven-Westbroek en ander populistisch geteisem in bescherming nemen door superpublieksvriendelijk uit te pakken. Waartoe het geroeptoeter hoort dat een maand voor de première álle kaarten (echt waar, allemaal!) uitverkocht waren en er dus snel vijf extra voorstellingen moesten worden bijgeboekt, een beproefde marketingtruc. Voorts waren alle showy voor- en tussenspelen en de bijbehorende muziek herontdekt (een dramaturgische trouvaille die helaas al een kwart eeuw oud is), van wezenlijk belang voor de enscenering bevonden, en… vanzelfsprekend vlak voor de première weer voor de helft geschrapt. Enfin, zo komt Jan Splinter door de winter van Molière’s verstijvingskoude.
Voor de pauze werd niet zozeer de situatie van de ingebeelde zieke gespeeld als wel het beoogde effect, er zat bij wijze van spreken nog net geen lach-uit-blik onder gemonteerd. Tot vervelens toe kregen we vooraf te horen dat een aantal grote dames en heren uit Ja Zuster Nee Zuster (musical + film) hier opnieuw samen waren gebracht. Maar ja, daar stond toen een regisseur voor en geen verkeersregelaar. Het oog wilde ongeveer alles hebben (en kreeg de hele bonbondoos) en dan was er nog die opgegraven muziek en die belazerde en onverstaanbare zangstemmen – op Loes Luca na, maar laat die Wenken voor de jongste dag in de versie van Harry Mulisch uit de late jaren vijftig zingen op muziek van Henny Vrienten, en je lazert van puur genot & aanpalende lachstuipen uit je schouwburgkuipje. Na de pauze zette een aantal uitvoerenden het gelukkig op een zeer venijnige en door de boter van goeie timing gehaalde reeks varianten van komediespelen, waardoor ik blij was dat ik (als altijd) was blijven zitten. Voor de rest: komedie zonder ziel, Molière zonder kloten. Dus.

Nog t/m zaterdag 19 september, alleen in de Schouwburg Utrecht