Klompendans om de maffia

Het IRT is ten onrechte opgeheven, de politiek onderschat de macht van de Al Capones op klompen en een parlementaire enquete zal hooguit de maffia een dienst bewijzen. Zo denkt Ko Wierenga erover en hij zegt het ook. Een interview.

‘MAARTEN VAN TRAA onderschat de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Hij wekt de indruk dat het allemaal reuze meevalt en dat politie-instellingen als de CRI, de Centrale Recherche Informatiedienst, helemaal niet weten waarover ze praten. Er is een heel gevaarlijke ontwikkeling in gang gezet, waarbij de politie in het beklaagdenbankje komt te zitten en niet de georganiseerde crimimaliteit. Een parlementaire enquete naar de methoden van het IRT kan funeste gevolgen hebben. Alleen de maffia zal er garen bij spinnen.
Wie zegt dat het wel meevalt met de georganiseerde criminaliteit in Nederland, speelt met vuur. Er is in Nederland wel degelijk een ontwikkeling gaande die doet denken aan Italiaanse toestanden. De onderwereld hier raakt steeds meer vervlochten met de maatschappelijke bovenlaag. Er zijn netwerken ontstaan waarin pure gangsters samenwerken met notarissen, de beste fiscalisten en de toplaag van de advocatuur. Zo zijn er bendes ontstaan die executies uitvoeren, fraudes opzetten met Europese subsidies en infiltraties in de beurs en het bankwezen organiseren. Het is hier nog steeds niet zo erg gesteld als bijvoorbeeld in Belgie, maar lang kan dat op deze manier nooit meer duren.’
Hoewel hij in korte tijd uitgroeide tot de meest verketterde man in politiek Nederland, maakt Heiko ('Ko’) Wierenga zeker geen geknakte indruk. Gezeten in zijn ruimbemeten villa in de lommerrijke grensstreek van Enschede en Hengelo, de gemeenten die hij als burgervader van de eerstgenoemde ooit vergeefs probeerde met elkaar te laten fuseren, vuurt hij de ene verbale vuurpijl na de andere af in de richting van de telkens in omvang toenemende groep mensen die meent dat de Drentse PvdA-coryfee maar een potje heeft gemaakt van zijn geruchtmakende onderzoek naar de opheffing van het Interregionale Rechercheteam (IRT) Utrecht/Noord-Holland. Het gewezen PvdA-kamerlid Wierenga is duidelijk geirriteerd over de dreigende overwinning van zijn directe opponent in de affaire, de Amsterdamse politiecommissaris Eric Nordholt. Zoals hij ook weinig lovende woorden over heeft voor de prestaties van die andere partijgenoot, de alom voor het voorzitterschap van de komende parlementaire enquete naar politieopsporingsmethoden getipte Maarten van Traa.
DAT DIE ENQUETE er komt, is nu zo goed als zeker. Nadat PvdA en D66 direct na de openbaarmaking van de bevindingen van Van Traa hun jawoord gaven aan een parlementaire enquete naar het IRT-schandaal, kwam de VVD als derde coalitiepartner eerder deze week ook - zij het schoorvoetend - over de brug. De liberale parlementarier A. H. Korthals stelt dat zijn partij nog steeds de nodige scepsis heeft, maar dat zij van het IRT-schandaal geen politieke halszaak wil maken. De VVD zou liever een 'parlementair onderzoek’ in plaats van een parlementaire enquete naar het IRT-schandaal willen zien. Op die wijze kan de openbaarmaking van de meest pijnlijke gegevens worden vermeden, is de gedachte. In het geval van een kamermeerderheid voor een enquete zal de VVD echter niet dwars gaan liggen.
'Misschien hebben PvdA en D66 wel een beetje te snel ja gezegd tegen het voorstel van Van Traa’, aldus Korthals. 'Misschien hebben ze de consequenties niet geheel overzien. Voor mij blijft het een moeilijk punt om de methoden die de politie inzet tegen de georganiseerde criminaliteit te onderwerpen aan een onderzoek dat in principe toch openbaar moet zijn.’
Winnie Sorgdrager, de verantwoordelijke minister van Justitie, toonde zich eerder al even beducht voor een enquete en schermde ook met het minder zwaar op de maag liggende middel van het parlementaire onderzoek. De D66-bewindsvrouwe blijft er in ieder geval op hameren dat grote gedeelten van de komende enquete achter gesloten deuren dienen te worden behandeld. Dit alles officieel vanwege de zorg van de minister om lopende politieonderzoeken niet te verstoren en de georganiseerde criminaliteit in Nederland geen deelgenoot te maken van de justitiele en politionele know-how.
MAAR VAN MINSTENS even groot belang bij de terughoudendheid van de minister is het feit dat niemand op het ministerie staat te springen om de openbaarmaking van de estafette aan kolossale soffen, groteske miskleunen en regelrechte corruptie-affaires waartoe de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Nederland zich tot nu toe lijkt te hebben beperkt.
Dank zij de inspanningen van het Parool- duo Bart Middelburg en Kurt van Es, auteurs van het pasverschenen boek Operatie Delta, werd bekend dat er onder IRT-vlag grote drugstranporten naar Engeland plaatsvonden zonder dat de Britse autoriteiten daar deelgenoot van werden gemaakt. Een openbaar onderzoek naar dergelijke affaires zou dramatische gevolgen kunnen hebben. Vandaar dat Sorgdrager om twee voor twaalf nog een sfeer van algehele geheimhouding probeerde te creeren. Waarmee ze overigens een D66-traditie voortzet: de Democraten toonden zich niettegenstaande het officiele partijcredo van de doorzichtige democratie al eerder bereid om mee te werken aan grootschalige doofpotoperaties. Zo was het grotendeels aan de loyaliteit van Hans van Mierlo te danken dat de politiek al even gevoelig liggende capriolen van de Nederlandse Gladio-afdeling bij een eerdere gelegenheid niet aan een openbaar kameronderzoek werden onderworpen.
Dat deze vlieger in het geval van de IRT- enquete waarschijnlijk niet zal opgaan, is vooralsnog te danken aan de nogal absolute wijze waarop de commissie-Van Traa het werk van de commissie-Wierenga naar de schroothoop heeft verwezen. Volgens Van Traa is er geen enkele reden om aan te nemen dat politie en justitie zich in het kader van de drugsbestrijding aan de regels en voorschriften hebben gehouden, zoals Wierenga altijd heeft verzekerd. Het grote probleem, aldus Van Traa, is dat er helemaal geen regels en voorschriften bestonden.
Zo konden er in IRT-verband de meest wilde Miami Vice-achtige jongensfantasieen worden uitgebroed en uitgevoerd, die uiteindelijk tot gevolg hadden dat het paradepaardje van de Nederlandse drugsbestrijding via infiltratie- acties een soort bijkantoor werd van de georganiseerde misdaad zonder dat daar ooit een enkele aanhouding uit volgde.
KO WIERENGA geeft zich echter niet een- twee-drie gewonnen. Met de hand op het hart verklaart hij dat het gewraakte IRT zich nooit aan enige illegale actie heeft bezondigd. 'Ik geef toe dat er in het geval van de transporten van XTC-pillen naar Engeland - een onderdeel van de infiltratie in de bende van wijlen Klaas Bruinsma - enkele grove coordinatiefouten zijn gemaakt. Daardoor kon er bijna een diplomatieke rel van jewelste uitbreken met de Britse autoriteiten. Maar dat was uitsluitend te wijten aan een gebrekkige communicatie, niet aan het feit dat er aan de Nederlandse kant met opzet was gezwegen. Voor het overige heeft het IRT zich altijd netjes aan de regels gehouden. Okee, er zullen wat partijen drugs met medeweten van het IRT op de markt zijn beland. Maar hooguit tien procent van de binnengesmokkelde partijen drugs wordt uiteindelijk ontdekt. Nou, dan zal daar dank zij het IRT nog een pietsie meer bij zijn gekomen. Dat was de prijs die moest wordenbetaald voor de infiltratie. Daar moeten we mee kunnen leven.
Het is niet zo dat de Nederlandse overheid een eigen drugsorganisatie had opgezet. Nee, er was een drugssmokkelaar in de armen genomen die namens justitie infiltreerde in een criminele organisatie. In het kader van het welslagen van die infiltratie kneep het IRT af en toe een oogje dicht met het doorlaten van drugstransporten. De procureur-generaal is daar altijd van op de hoogte gesteld. Het droevige was alleen dat er een geweldige informatiekloof was tussen het IRT en het ministerie van Justitie. Hoe dan ook: er was zeker geen sprake van uitlokking, waarvan het IRT nu wordt beticht. Aan Amerikaanse praktijken heeft het IRT zich bij mijn weten nooit schuldig gemaakt.’
'DE TENEUR BIJ de groep-Van Traa is dat de bevoegdheden van de politie moeten worden ingesnoerd, dat een zeker wantrouwen jegens de politie gerechtvaardigd is. Als dat geluid gehoor vindt bij de Tweede Kamer, zal dat een geweldige vergroting betekenen van de achterstand die de politie toch al heeft bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad. Er is geen enkele reden om te zeggen dat het wel meevalt met de georganiseerde criminaliteit in dit land. Neem zo'n boek als dat van Bart Midelburg over Klaas Bruinsma, alias de Dominee. Als dat allemaal waar is, die verhalen over de vele liquidaties en de infiltratie in de hogere echelons van de economie, nou, dan moet je toch wel constateren dat de politie mijlenver achterloopt.
Ik ben zelf van oorsprong notaris. In mijn tijd was het ondenkbaar dat een notaris heulde met criminele groeperingen, maar nu staat niemand daar meer van te kijken. De georganiseerde misdaad weet zich anno nu overal in te vreten. Als je dat wenst te bestrijden, zul je de competentie van het politieapparaat moeten uitbreiden.’
Het IRT Utrecht/Noord-Holland was via de infiltratietechniek wel degelijk het punt dicht genaderd dat er resultaten zouden worden geboekt in de strijd tegen de Bruinsma- groep, aldus Wierenga: 'Dat deze hele actie- Delta werd afgeblazen onder druk van de Amsterdamse politietop en de justitie aldaar, was een blunder van de eerste orde. We zullen er wel nooit meer achterkomen wat er was gebeurd als het IRT had kunnen doorgaan met de infiltratie-actie. Er wordt gezegd - daar zijn we toentertijd als commissie ook wel achterheen gegaan - dat het IRT op feiten zou zijn gestuit die wezen op corruptie bij politie en justitie in Amsterdam. Zo kreeg een politieinfiltrant in een drugsbende op een zekere dag van de leider van het betreffende syndicaat te horen dat ze precies wisten wie hij was en wat hij kwam doen. De man in kwestie dacht dat zijn laatste uur had geslagen, maar kreeg tot zijn opluchting te horen dat hij kon opdonderen. Dat soort verhalen duiden erop dat er in ieder geval grote lekken zitten bij justitie en politie.’
Vooralsnog wijt Wierenga het plotselinge opheffen van het omstreden rechercheteam vooral aan de onwil van de Amsterdamse politie- en justitietop om buitenstaanders toe te laten op hun erf. Wierenga: 'Wat mij steekt is dat de mensen die absoluut hebben gefaald in deze zaak, vrolijk op hun stoelen mochten blijven zitten. Het aftreden van Hirsch Ballin en Van Thijn was diep tragisch, maar het wordt nog erger als je bedenkt dat Nordholt, zijn commissaris Van Riessen, officier van justitie Vrakking en procureur-generaal Van Randwijck - de eerstverantwoordelijken voor het mislukken van de IRT-actie - allen vrijuit lijken te gaan. Het is blijkbaar een emotioneel niet te nemen horde om consequenties te verbinden aan evident falen.
Dat er vanuit de Amsterdamse politietop en het Openbaar Ministerie ook nog eens diverse malen met uiterst vertrouwelijke gegevens over het IRT naar de pers is gelekt, staat voor mij eveneens vast. Mijn verwijt aan Nordholt is vooral dat hij zich veel te weinig heeft bemoeid met het IRT. Pas toen er paniek begon te ontstaan, werd hij wakker en werd er halsoverkop een bom onder het recherecheteam gelegd.’
DE KOMENDE parlementaire enquete wacht Wierenga met angst in het hart af. 'Ik vind een enquete absoluut het verkeerde middel in deze materie. Als oud-kamerlid ben ik van mening dat een parlementaire enquete geheel openbaar moet zijn, anders mist het de werking die het geacht wordt te hebben. Maar in het geval van de drugsbestrijding is openbaarmaking van alle feiten nu eenmaal uit den boze. Er zal dus noodgedwongen enorm veel achter gesloten deuren moeten plaatsvinden. De enquetecommissie moet bovendien in staat zijn om getuigen onder ede te horen. Dat lijkt me in dit geval totaal onmogelijk. Pers en publiek zullen de essentie van de verhoren moeten missen, en dat zal ruimte bieden aan allerlei giswerk en gespeculeer waar niemand wat mee opschiet, behalve de georganiseerde criminaliteit.’