Klootzakken

‘Ouderdom stemt helemaal niet mild; ouderdom maakt het alleen lastiger om iemand een opdonder te verkopen.’ Er zijn beelden van rellen op televisie en ik denk aan mijn moeder. In een studio brengen deskundigen de kenmerken, motieven en achtergronden van de groep in kaart. Het gaat moeizaam. Op elke mogelijke drijfveer valt een uitzondering te ontdekken; de sensatiezoeker is wellicht een ander dan de plunderaar, de complotdenker een ander dan de activist. Die mensen hebben hun aanwezigheid gemeen, lijkt het, niet per se hun bedoelingen. Het is wel een jeugdige toestand, zie ik aan de beelden. Maar dat is zo vanzelfsprekend dat niemand het hoeft toe te lichten. Voor het feest van de vernieling zijn alleen de fysiek fitten uitgenodigd.

Ik herinner me hoe opgewekt mijn moeder klonk toen ze die uitspraak deed. Het was kort nadat ik thuis had verteld over een oude dame die in de bus naar Goes de chauffeur, zonder echte aanleiding, over de volle lengte van de Zeelandbrug had uitgescholden. Verbijsterend vond ik het. Dat uit zo’n broos en gerimpeld wezen, zo’n breekbaar type met beige jas en steunzolen, zoveel bijtend gif tevoorschijn was gespoten. Mijn moeder, vrolijk: ‘O, en gehandicapten. Daar zitten óók gewoon klootzakken tussen.’

Tegenwoordig zou je zo’n uitspraak ‘inclusief’ noemen – een woord dat meer en meer naar oud papier smaakt – maar destijds vond ik het niks. Aan wie de pech had om voor tweederangsburger te worden versleten moest op z’n minst, ter compensatie, een zekere eerbiedwaardigheid worden verschaft. Oude mensen sprak je aan met ‘u’, je moest je best doen nooit te staren naar een klompvoet of witte stok, je moest begripvol zijn als iemand met Down je zomaar om de nek viel, je mocht mensen in een rolstoel niet ongevraagd helpen. Je kon je met grote bewondering over deze mensen uitlaten of desnoods met een héél klein beetje medelijden, maar je mocht ze nóóit een klootzak vinden, daar was ik tamelijk zeker van.

Terwijl de deskundigen op televisie het vlechtwerk van de menigte proberen te ontrafelen, de ‘aard van de beweging’, denk ik aan de lichamen. Aan vechtlust die niet in de spieren zit maar in het hoofd. Aan opgekropte woede. Aan de vrijheid van functionaliteit, al die glorieuze voertuigen van vlees. Aan opsluiting, gehavende verpakkingen, verfrommeld vel. Henriette Roland Holst wordt geciteerd, niet voor het eerst, door een mevrouw die gelooft dat de zachte krachten zeker zullen winnen. Ik weet het niet. Steeds vaker hoop ik dat het journaal opent met de beelden van een gloednieuw leger. Een menigte van lief-ogende oma’s en opa’s-met-stok, voortschuifelend onder muzikale begeleiding, smijtend met boterbabbelaars, meppend met tassen en petten, schreeuwend vol wellust en pijn. Een optocht van gefnuikte furie, waar zich gaandeweg ook anderen bij aansluiten. De kwetsbaren, de gehavenden, de beperkten, de onzichtbaar zieken. Overal het grommen van scootmobielen, het tikken van looprekken, het zoeven van rolstoelen. En alle deskundigen, opgetrommeld om uit te leggen wat we zien, kijken zwijgend en ademloos toe.

M. Vasalis

Als daar muziek voor is, wil ik die horen:
ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn,
en omgeploegd met lange, diepe voren
en ongelovig. Die de wellust en de pijn
nog kennen. Die bezaten en verloren.
En àls er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,
en helderheid, die geen versterving is
wil ik die zien, wil ik die horen.
En anders wil ik zot en troebel zijn.

Uit: Vergezichten en gezichten, uitgeverij G.A. van Oorschot, 1954