Klopgeest

Ook voor minister Leers is de portefeuille asiel een lastige. Dat is altijd zo geweest. Het verleden wijst uit dat Leers’ voorgangers het ook zwaar hadden met mensen die aankloppen bij de Nederlandse deur.

EERST ZOU U voor uzelf moeten nagaan of u het eens bent met het volgende: ‘Zij die kloppen aan de poorten van Europa, zullen moeten worden ontvangen… Er bestaat een fundamenteel recht van ieder mens om daar te leven en te werken waar hij of zij dat wil…’
Ik gok dat de meesten van u het er niet mee eens zijn. Ikzelf heb er ook moeite mee. Iedereen in Europa toelaten die hier wil komen? Wat zou dat voor consequenties hebben? Voor het draagvlak hier, voor de leegstroom elders, om maar eens twee gevolgen te noemen?
Ik leg u de stelling niet voor omdat die nu in de binnenlandse politiek actueel zou zijn. Integendeel. Niet alleen de huidige regering van VVD en CDA staat, mede onder druk van gedoogpartij PVV, een streng migratie- en asielbeleid voor. Niemand zou nu zo'n stelling willen poneren. Ik gebruik haar om kort terug te kijken naar de geschiedenis van de Nederlandse worsteling met asielzoekers.
Bovenstaande zinnen dateren uit 1993 en zijn van PVDA'er en destijds minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk. Ze stonden dat jaar in De Groene Amsterdammer. VVD'er Frits Bolkestein, fractieleider van de grootste oppositiepartij in die jaren, diende Pronk van repliek in een groot stuk in de Volkskrant: 'Pronks “open deur”-politiek zou een enorme vraag uitlokken. Zijn voorstel zou betekenen dat het hier net zo'n chaos wordt als daar.’
Denk aan de recente negatieve reacties van regeringen in menig Europees land, ook in Nederland, op de tijdelijke visa die Italië verschaft aan de Tunesiërs die met bootjes naar het eiland Lampedusa vluchten en het is duidelijk dat wat Bolkestein toen schreef nog steeds actueel is. De angst voor toestroom en chaos is ook nu de drijfveer achter de reacties. Het onderscheid tussen gelukszoekers en échte, voor geweld op de vlucht zijnde asielzoekers dat Bolkestein toen maakte, geldt nu die Tunesiërs. Na de Arabische lente in hun land vinden we dat gelukszoekers.
Inmiddels weten we niet beter dan dat de minister of staatssecretaris die asiel in zijn portefeuille heeft het risico loopt politiek onder vuur te komen liggen. Maar Pronk schreef zijn zinnen in een tijd dat de discussie over asielzoekers oplaaide. De cijfers laten zien waarom dat zo was. Dertig jaar geleden, in 1981, klopten er in totaal 750 mensen in Nederland aan de deur met de vraag of ze hier asiel konden krijgen. In het jaar dat Pronk en Bolkestein hun stukken schreven, 1993, was dat aantal gegroeid tot 35.400, om twee jaar later zijn hoogtepunt te bereiken met in totaal 52.580 asielzoekers. Asielzoekerscentra zaten vol, ambtenaren konden de asielverzoeken niet aan, procedures duurden en duurden.
Minister Pronk mag dan voorstander zijn geweest van een ruimhartig beleid, zijn partijgenoot en lid van hetzelfde kabinet, Aad Kosto, voerde als staatssecretaris van Justitie een streng asielbeleid. De radicale, van Nederlandse bodem afkomstige, linkse actiegroep RaRa zag er reden in om twintig jaar geleden zowel bij het woonhuis van Kosto als bij het departement ’s nachts een bom te laten ontploffen. Een onvergeeflijke terreurdaad, die óók deel uitmaakt van deze geschiedenis.
Vorig jaar vroegen 13.340 mensen in Nederland asiel aan. Dat was elf procent minder dan in 2009 en iets minder dan een kwart van het topjaar 1994. Tussen Aad Kosto en de huidige CDA-minister voor Immigratie en Asiel, Gerd Leers, werd de portefeuille asiel vooral beheerd door PVDA'ers: Elizabeth Schmitz, de huidige PVDA-leider Job Cohen, Ella Kalsbeek en Nebahat Albayrak. Alleen LPF'er Hilbrand Nawijn en VVD'er Rita Verdonk waren van een andere partij. Hoewel PVV-leider Geert Wilders graag anders doet geloven, hebben ze allemaal het asielbeleid aangescherpt of de procedures verkort of het terugkeerbeleid effectiever proberen te maken.
Ook Leers doet dat nu weer, bijvoorbeeld door een asielzoeker niet meer toe te staan het beroep in zijn zaak in Nederland af te wachten. En ook voor Leers is het weer een lastige portefeuille en niet alleen omdat de PVV er minutieus op toeziet of hij wel streng genoeg is.
Het meest recente akkefietje tussen de minister en de PVV was de reactie van Wilders op de bekendmaking vorige week dat Leers een proef begint om in een drietal regio’s van gemeenten te eisen dat ze binnen tien weken een woning beschikbaar stellen aan een hun toegewezen asielzoeker die in Nederland mag blijven. Wilders liet, uiteraard via Twitter, weten dat als gewone Nederlanders, in zijn jargon de Henks en Ingrids, dan langer op een huis moeten wachten hij tegen dit plan is.
Maar Leers krijgt ook kritiek van de, nu linkse, oppositie. En die kritiek, dat is in al die jaren niet veranderd, zwelt vooral aan als een asielzoeker een gezicht krijgt. Een van de eerste gezichten was dat van de Turkse kleermaker Gümüs, het recentste dat van het meisje Sahar dat na al jaren in Nederland te hebben gewoond terug zou moeten naar Afghanistan.
Leers besloot uiteindelijk dat ze mocht blijven, omdat ze zo verwesterd was dat ze in Afghanistan gevaar zou lopen. Ondanks deze positief ontvangen beslissing lokte Leers’ maatregel ook kritiek uit, want wat is verwesterd, geldt dat ook voor jongens, en ook voor andere landen dan Afghanistan?
Tien jaar na de bomaanslag op zijn huis keek Aad Kosto in het Historisch Nieuwsblad terug op die tijd. Wat zei de PVDA-politicus toen over de abstracte instemming met het uitzettingsbeleid en de weerstand ertegen in de praktijk? 'De mensen lieten zich leiden door hun emoties. Maar die druk heb ik altijd willen weerstaan. Er zijn regels. Als ik die regels ga oprekken, staan er zó driehonderd advocaten met hún individuele gevallen op de stoep.’ Dat kan CDA'er Leers hem al niet meer niet nazeggen. Zo ingewikkeld dus.