Kloppend hart van nergens

Ann Patchett, Staat van verwondering, 19,90
Ann Patchett, State of Wonder, 18,95

De dood kondigt zich in Ann Patchetts zesde roman Staat van verwondering aan als een summier bericht uit de jungle rond de Amazone: een laborant in dienst van het farmaceutische bedrijf Vogel, op zoek naar een wetenschapster die een vruchtbaarheidsmedicijn ontwikkelt voor dat bedrijf, zou bezweken zijn aan oerwoudkoorts. Collega-laborante Marina Singh, behept met een vadercomplex, wordt erop uit gestuurd om de dode én de wetenschapster op te sporen.
De mythologisch getinte queeste vol hindernissen begint met het zoekraken van haar koffer en een mobieltje, want Patchett wil net als in haar Zuid-Amerikaanse jungleroman Bel Canto (2001) een verhaal vertellen van geïsoleerde personages uit vele windstreken die alle ontberingen weten te overleven en aan het slot het leven weer in de ogen kijken. Bel Canto bleek een omgekeerde versie van Heart of Darkness, een Joseph Conrad light. En Staat van verwondering is dat nog meer: kundig geschreven maar very light, een Amerikaans boek waar er veel van (in vertaling) verschijnen en waarin vertellen en verklaren al te vaak hand in hand gaan. Patchett steunt zwaar op haar ingenieus opgebouwde plot, die ik hierna slechts zal aanstippen, maar de vraag is welk gedachtegoed erin verwerkt is.
De vertelling snijdt vanaf de opening klassieke thema’s aan: een duister sterfgeval in den vreemde dat opgelost moet worden, een zoektocht vol hinderlagen en natuurlijke hindernissen en een dochter die hunkert naar haar afwezige vader, dat wil zeggen, een Amerikaanse vrouw van 42 verliest in nachtmerries telkens opnieuw haar Indiase vader (Singh). Compensatie zoekt ze in een alternatieve vader: ze is verliefd op een oudere man, Dr. Fox, directeur van farmacieconcern Vogel. Hij stuurt haar, Marina Singh, de jungle in, maar eerder uit bedrijfsbelang (een nieuw, lucratief medicijn) dan uit verliefdheid.
De plot drijft niet alleen op de vraag of de dode medelaborant van Marina Singh, Anders Eckman, wel echt dood is, maar net zo goed op de vraag wat de fanatieke wetenschapster Swenson nu precies uitspookt onder het Lakashi-volk in het Amazone-gebied. Die ‘nobele wilden’, ook als zodanig door Patchett beschreven, hebben iets speciaals: de vrouwen kunnen tot op zeer hoge leeftijd kinderen baren dankzij het eten van een speciaal soort boomschors. Uit die schors zou een vruchtbaarheidsmedicijn kunnen worden gemaakt.
Vlak voordat Marina Singh weer een horde in haar queeste heeft genomen en per praam het oerwoud (natuur) in trekt bezoekt zij, nog in de bewoonde wereld, het Teatro Amazonas (cultuur). In dit operagebouw ziet ze een uitvoering van Glucks Orfeo ed Euridice. Patchett legt het keurig, al te keurig uit: 'Ze kende het verhaal van Orfeus, maar pas toen het zingen begon, realiseerde ze zich dat dit haar levensverhaal was. Zij was Orfeus en Anders was natuurlijk Euridice, gestorven aan een slangenbeet. Marina was naar de hel gestuurd om hem terug te halen.’
Die hel doemt onherroepelijk op - het ondoordringbare oerwoud waarin de dood overal op de loer ligt - en de slang natuurlijk ook, in de vorm van een wurgende anaconda. Die duikt op uit het water om Marina’s steun en toeverlaat, de doofstomme jonge nobele wilde Pasen, dodelijk te omarmen. Zij redt de jongen door op het juiste moment met een machete toe te slaan, daar waar ze vroeger, als verloskundige in opleiding, mis sneed en een baby ernstig verwondde. Dit alles blijkt min of meer in scène te zijn gezet door de mysterieuze wetenschapster Annick Swenson, die zich al 35 jaar wijdt aan het vinden van een vruchtbaarheidsmedicijn en er niet voor terugschrikt zichzelf als experiment in te zetten.
Het gevecht op dood en leven dat zich in Staat van verwondering ontpopt is niet de rauwe worsteling in de diepste krochten van de ziel die Kurtz doorstaat in Conrads Heart of Darkness. De hel benoemt Patchett eerder ('het kloppend hart van nergens’) dan dat zij die beschrijft totdat er een échte hel uit haar zinnen opdoemt en de adem van de lezer stokt. Uiteindelijk wint het leven het van de dood en zal het vruchtbaarheidsmedicijn er niet komen, omdat dat de westerse wereld zou ontwrichten: 'We zijn nu bijna zeker van een vaccin en bovendien weten we wat het lichaam ons al lang had verteld, dat postmenopauzevrouwen niet zwanger horen te zijn. Dat moesten we leren.’
En dr. Fox van het farmacieconcern? Hij is dan wel een slimme vos die het belang van zijn bedrijf behartigt, hij groeit nergens uit tot een sluw beest dat mensen opoffert omdat de winst vóór de volksgezondheid gaat. Zijn verliefdheid op Marina is er een op afstand, een kunstgreep die het drama niet verhoogt maar verluchtigt. Dat is jammer, want de schrijfster weet heel goed dat de farmaceutische industrie minder menslievend is dan haar producten suggereren. Maar veel verder dan wat pseudo-kritische opmerkingen over inhalige aandeelhouders komt ze niet, en de vraag in hoeverre de zoekende Marina Singh een willig verlengstuk van het concernbelang is stelt ze niet. Blijft over een kundig gepresenteerd menselijk drama met een happy Hollywood-end: het gezinsparadijs na de al te luchtige hellevaart. Want Marina woont niet voor niets in Eden Prairie, een buitenwijk in Minneapolis.

ANN PATCHETT
Staat van verwondering
Vertaald door Hien Montijn,
De Bezige Bij, 400 blz., € 19,90