Klotekloteklote

Martin van Amerongen werd in 1985 hoofdredacteur van De Groene. Hij kende Opland als een man zonder poses, maar met angsten en emoties die hij met luide stem te lijf ging. «Ach, het is mij om het even/ of ik verdrink of ik mag leven…»

Opland, een halve eeuw het grafisch boegbeeld van zowel de Volkskrant als De Groene Amsterdammer, was een man om de klok op gelijk te zetten. Althans op maandagavond. Dan zat er altijd wel een Groene-redacteur voor het raam van het pand Westeinde 16 zijn grensverleggende beschouwing te tikken, om vervolgens getuige te zijn van een onveranderlijk ritueel. Om tien uur precies vertoonde zich Herman Brood, die het belendende bordeel in wankelde. Om elf uur precies meldde zich Opland, met zijn auto, om zijn politieke prent in de brievenbus te gooien.

Over Herman Brood matig ik mij geen oordeel aan. Ik heb nog nooit iets van die man gezien noch iets van de man gehoord. Behalve dat ene interview, een jaar of tien geleden opgenomen, waarin hij, toen al door de genotmiddelen gesloopt, een aantal wezenloze mededelingen bij elkaar stamelde.

Hoe anders was Opland. Ik ken hem niet anders dan met een glaasje in de rechterhand en een sigaartje in de linkermondhoek, goed bij zijn verstand, een onverwoestbaar vat vol levensvreugde, vastbesloten zo oud als Methusalem te worden.

Na zijn overlijden is hij uitgebreid her dacht in over het algemeen warme en verstandige stukken, waarvan de teneur onveranderlijk was: hij was exuberant, ijverig, hooggetalenteerd, aardig en — ogenschijnlijk merkwaardig voor een politiek tekenaar — een man zonder vijanden. Ook niet onder de politici die hij een halve eeuw tot dorps niveau heeft geminimaliseerd. Opland was een politiek satiricus die, hoe jammer men dit ook mag vinden, al zijn leven niemand verdriet heeft gedaan. Behalve één man, de politiek commentator mr. G.B.J. Hiltermann, die hem in november 1969 op grond van een kritische tekening een «antisemitische althans anti-Israëlische» attitude heeft aangewreven. Het was een onzinnige en onbeschaafde beschuldiging. Ik zie Opland nog exploderen in zijn weekendhuisje in Ossenzijl: «Antisemitisch… dat moet je toch meemaken! Dat is toch de meest smerige beschuldiging die je kan uiten? Ik vond na de oorlog het ontstaan van Israël het enige verblijdende, het enige hoopgevende dat er bestond. Als ze Israël één haar krenken, dan sta ik zo als lid van de Internationale Brigade in de Negevwoestijn.» Opland, met een Uzi boven zijn — toen al — omvangrijke embonpoint, het is een ontroerende en weinig realistische gedachte, kenmerkend voor het levenslange kind in de kunstenaar.

Hij en zijn collega’s Frits Müller en Fritz Behrendt leerden het vak, theoretisch gesproken, van vooroorlogse grootmeesters als L.J. Jordaan en Albert Hahn, die — anders dan Opland, Müller en Behrendt — bepaald níet in een consensusmaatschappij opereerden. «Van ons, tekenaars uit het begin der eeuw, werd voor alles ‹ruigheid› verwacht en heftigheid en strijdvaardigheid», zei Jordaan. Abraham de Geweldige had weinig redenen om vol gemoedsrust de Notenkraker, het satirische bijvoegsel van Het Volk, op te slaan. En als De Telegraaf weer eens zijn smerige voeten aan Pieter Jelles Troelstra had afgeveegd, tekende Albert Hahn zijn spijkerharde prent De steeg braakt zijn vuil, dezelfde steeg naast het Telegraafgebouw waar ik weleens een broodje kroket at toen De Telegraaf nog De Telegraaf was, en niet de slappe, helaas tamelijk respectabele krant van tegenwoordig, met zijn centrumrechtse confectieopinies.

Het vak van politiek tekenaar is er de laatste jaren niet gemakkelijker op geworden. Binnen de grenzen van het haalbare is Nederland een tamelijk afgewogen democratie, een natie waarin alle partijen, ook de VVD en het CDA, in feite de sociaal-democratische beginselen omarmen en waar men slechts twee problemen kent: tweehonderd Marokkaanse rotjochies benevens de tergende vertragingen van de intercity op het traject Amsterdam-Amersfoort. Plus nog zo het een en ander. Atlantis is verzonken. Utopia heeft slechts in het overspannen brein van Thomas More bestaan. Maar dat in Nederland inmiddels het verschil tussen meester en knecht is opgeheven, wil niet zeggen dat er niets meer te kankeren en te kritiseren is overgebleven.

Ik heb het metier altijd met grote belangstelling bezien. De politieke tekening is de meest sublieme synthese tussen kunst en journalistiek, een vak met een glorieus verleden en een zekere toekomst, want er zal altijd behoefte zijn aan de tekenaar die ons met die ene geniale twist op het verkeerde been weet te zetten, hoe netjes wij de maatschappij inmiddels ook hebben ingericht. Het hoofdartikel? Het Ten Geleide? Het Lux et Libertas? Dit soort publicitaire pedanterie is over tien jaar geheel uit de gratie. Maar het getekende, karikaturale, desnoods vertekende commentaar is onverwoestbaar zolang de mensen nog hersenen hebben om te denken en ogen hebben om te kijken.

Niettemin, het is allemaal garnering, schrijvende politieke commentatoren en tekenende politieke commentatoren. Politici in Nederland zijn onkwetsbaar, behalve als zij met de pantalon op de enkels door de politie uit Casa Rosso worden gesleurd. Dat gebeurt in Nederland echter niet, anders dan in bijvoorbeeld Engeland — en als het zou gebeuren, is er geen krant die hier over publiceert. Opland leed zichtbaar onder dit verschijnsel. «Zij zijn erg handig geworden, die politici», zei hij. «Vroeger gooiden ze politieke tekenaars in het cachot. Ze huldigen ze nu weg en dat is veel gevaarlijker.»

Zijn grafisch commentaar op Josef Luns, met name op diens heilloze Nieuw-Guinea-politiek, was genadeloos. Toch slaagde zelfs hij er niet in om diezelfde Luns van kleur te doen verschieten. Al te graag was de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken bereid het voorwoord bij de bundel Te kijk bij Opland in te leiden, het eerste boek van «de wel zeer bekwame en amusante heer Opland», wiens werk zo «raak, amusant en origineel» is, zich kenmerkend door «humor, ironie en grote kennis van zaken». De VVD-senator-zaliger-nagedachtenis Harm van Riel werd naar eigen zeggen door Opland getekend als «een soort bolle, kille vis, ach, je weet wel, die vissen met die malle, bolle koppen: zeeduivels». Dezelfde Van Riel was verantwoordelijk voor het laudatio bij Oplands zilveren jubileum, in aanwezigheid van alle kopstukken van het vaderlandse politieke bedrijf. Ik hoor het de kunstenaar nog verzuchten, dat weekeinde in Ossenzijl: «God, Den Uyl, tja, ik kan er niks aan doen, maar hij ís zo lelijk en hij ís seksueel zo onaantrekkelijk.» Dus wie opende in 1981 de overzichtstentoonstelling van de politiek tekenaar Opland?

Juist.

Een politiek tekenaar in Nederland is de vleesgeworden repressieve tolerantie, een hofnar, een clown. Of zoals Opland dichtte: «Och, laat mij toch in de regen staan./ Het volle leven komt daar aan!/ Het volle leven drink ik in/ en stamel daarna deze zin:/ Ach, het is mij om het even/ of ik verdrink of ik mag leven…» Gelukkig was hij geen tragische clown, dat weet iedereen die weleens enige tijd met hem in het café of het restaurant heeft doorgebracht. Niettemin zaten er rafels op zijn bonkige uitbundigheid. Het was voor een deel gemaskeerde verlegenheid, zijn pogingen om een zekere innerlijke onrust te overstemmen. Waarom begon hij al het Wolgalied te zingen op het moment dat hij de onderste traptree van sociëteit De Kring betrad? Het was «Nur, nur escape allein», zoals hij mij eens in een aanval van échte openhartigheid bekende. Letzten Endes was hij een groot, ernstig te nemen kunstenaar, een beschaafde man, met angsten en emoties die hij met luide, overluide stem te lijf probeerde te gaan.

Zijn credo was «Oeffie, oeffie en de rest is poeffie», zoals in menig in memoriam is gememoreerd. Hij was graag bereid het toe te lichten, in het café, na afloop van een vergadering van het stichtingsbestuur van De Groene Amsterdammer: «Politiek tekenaar, ’t is toch een slopend beroep, meneer. Wat zal ik je zeggen? Het is klotekloteklote. Kijk, twee kleine consumpties, die stonden op een rij. Godsammekrakkepitten, voort, voort, bij weer en wind, langs beemd en vaart, bij brits en brats. ’t Wordt eens tijd dat ik ophoud. Lekker tuinbonen kweken, noem maar iets. Dus prijst de Heer met blijde galmen. Lieve Heer, kost en kleer, ’t hemelrijk en dan niet meer. Verder ben ik een pessimist met een optimistische inslag — of een optimist met pessimistische inslag. Huppeldepup, in mijn vooronder ben ik een hypochonder.» Dus bestelden wij maar weer twee kleine consumpties en zongen tezamen, met schorre bariton, Schuberts Wer reitet so spät, durch Nacht und Wind.

In alle beschouwingen over hem en zijn werk is gewezen op het hybride karakter van het oeuvre, de barokke prenten in de Volkskrant, waarin Nederland tot de proporties van Madurodam werd teruggebracht, en de verstilde prenten in De Groene Amsterdammer, vaak bestaand uit niet meer dan een paar simpele pennenstreken. En de wereld maar speculeren wie de ware Opland was. Een vijftal, zestal keren bevatte zijn tekening voor het weekblad zelfs helemaal niets. Het was een leeg vierkant met een onheilszwanger onderschrift. Bijvoorbeeld de beeldloze prent d.d. 16 oktober 1971 met de veelzeggende tekst: «De visie van het kabinet-Biesheuvel». Of de beeldloze prent d.d. 19 mei 1993 met de tekst: «Het toekomstig functioneren van Denemarken binnen de Europese Gemeenschap». Zo gaf Opland ons met de eenvoudigste middelen stof tot nadenken — behalve als men weet dat de laatstgenoemde beeldloze prent wel degelijk een tekening beoogde, die door een technisch mankement ter drukkerij de krant was uitgetuimeld.

Er is weleens laatdunkend geschreven dat het universum van Opland «een voorbije wereld» zou zijn geweest. Opland vertaalde inderdaad de actualiteit van vandaag graag in de beelden van gisteren, het liefst tegen het decor van de Slag bij Nieuwpoort of de Slag bij Heiligerlee. Wij zijn echter geneigd het feit te vergeten dat hij een grote belangstelling had voor en een grondige kennis van de vaderlandse geschiedenis, waarvan hij graag gebruik maakte. Hij was met al zijn piasserij niet van de straat. Ik heb hem eens in de tuin van zijn collega Frits Müller, óók al zo’n innemer met onvermoede dimensies, drie kwartier lang de Slag bij Trafalgar horen analyseren, al kan het ook de Slag bij Cagliari zijn geweest, dat weet ik niet meer. Het was oprechte belangstelling die hem bezielde, geen aanstellerige demonstratie van onvermoede intellectuele dimensies.

Opland was en bleef in de eerste plaats de man van de vulkanische uitbundigheid, de bruisende creativiteit, zonder poses of oppervlakkige diepzinnigheden. Talloze Groene-borrels heb ik met hem meegemaakt, waarbij hij nooit de verleiding kon weerstaan de feestredenaar (meestal ik) in de rede te vallen. Broederlijk deelden wij onze sigaren op de vergaderingen van het Groene-bestuur. Hij had altijd, anders dan ik, de begroting gelezen en begrepen, stelde daar een verstandige vraag over en begon altijd op het juiste moment — tijdens de rondvraag — om de drank te roepen.

Van al die uitbundigheid was in de laatste fase van zijn leven natuurlijk weinig meer over. Bungelend met zijn inmiddels dunne beentjes zat hij op de rand van het bed in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. En de redactie van De Groene zette zuchtend, voor de zoveelste keer, het blokje «Opland is ziek» in de krant, in de wetenschap dat de meest prominente medewerker van de krant niet meer beter zou worden.