Klusjesvrouw en hoorspelmoeder

Astrid Lampe (poëzie) en Roland Sohier (tekeningen)
Mosselman hallo
Slibreeks, Stichting CBK Zeeland
(www.slibreeks.nl)

Soms lees ik woorden in een gedicht die me verwarren, verwonderen en verontrusten. ‘Omgekeerde guillotine’, bijvoorbeeld. Wat is dat nou? Het is een term uit een dichtregel van Astrid Lampe, ’s lands meest omineuze taalfreefighter. Het is geen valbijl want naar boven vallen, dat kan niet. Nee, de omgekeerde guillotine is in dit geval de dakrand van de schrijfkamer van Lampe. Ga ik zo uitleggen, eerst het tekstfragment.

de dakrand hier een omgekeerde guillotine

de koppen blijven

in de goede leesrichting kit ie de volmaakt (maar dan ook

volmaakt) argeloze passant

een FIETS

een ROMP

in de foute leesrichting dreigt hij u

tot louter hoofd te reduceren danwel rampzalig

met trouwe viervoeter en al

door een coaster te laten scheppen (MAERSK SEALAND,

YANG MIN LINE)

Bent u er nog? Deze regels zijn afkomstig uit Mosselman hallo, een gedicht van Astrid Lampe, verschenen in een oplage van slechts vijfhonderd exemplaren als deel 119 van de Slibreeks, een uitgave van Centrum Beeldende Kunst Zeeland. Eerder werd in de reeks werk uitgegeven van onder anderen Maarten Biesheuvel, Arjen Duinker en Hester Knibbe. In opdracht van het cbk verbleven Lampe en ook tekenaar Roland Sohier een aantal weken in kunstenaarscentrum de Willem3 in Vlissingen. De teksten en tekeningen gemaakt gedurende dat verblijf moesten leiden tot een bundel. Sohier maakte een huiveringwekkend balpenbeeldverhaal over een zeemeermin. Lampe is in haar werkkamer gaan zitten, is gaan kijken en gaan tikken. Wat viel haar op? Allereerst iets plastisch, namelijk dat als ze door het ene raam staarde ze wel het lichaam en het rijwiel van een fietser kon zien, maar het hoofd niet. Een ‘omgekeerde guillotine’. Keek ze door het andere raam, dan zag ze alleen het hoofd van de fietser, als er niet al een enorm vrachtschip de fietser aan het uitzicht onttrok. Dat leest u dus in de regels die hierboven staan afgedrukt. En hoe het precies zit weet ik niet, maar duidelijk is dat de dakrand van het gebouw (‘TSJAK!’) ingrijpt in het uitzicht van Lampe, die dat ogenschijnlijk triviale gegeven een onevenredig hoog aantal regels toebedeelt.

Ik sla natuurlijk nog iets over, de ‘goede leesrichting’ en de ‘foute leesrichting’. Het is gissen, maar ik heb besloten dat de goede richting de kant op is waar het schrijfblok van de dichter ligt, en de foute zeg maar 180 graden de andere kant op. Zekerheid heb ik niet. Ook niet als ik deze regel lees:

help me liever met het retestrak afhangen van dit vlottend

raam

En iets verderop:

de zeearm zo

kloppend

En weer iets verder:

raam (klopt)…

Maar ik kan ook zeggen dat het gesneden koek is. Dat het raam in de werkkamer ging klepperen (‘kloppen’), en dat het dientengevolge tochtte als de ziekte, en dat klusjesvrouw Lampe besloot om het raam vast te zetten met een doek of met een touw. Zo begint het gedicht ook: ‘door dit bij uitstek in een maritieme omgeving te situeren/ riskeren wij// natuurlijke spatval aan// vlottende ramen// te laten doen plaatsgrijpen’. Ergens is het helder. Al weet je nooit of je goed zit. Daarvoor is de taal te bizar, te zwabberig, te mal. Wat we weten is dat de dichter uitkijkt over de Westerschelde en de containerschepen telt en spelt (‘Lineas Suardiaz’, ‘Sea Trans’, ‘Alicante Carrier’). En het geluid van die schepen nabootst (‘Pè…Kha…Pè…Kha…’). En daar een virtuoos taalspel op loslaat, vol ‘stampend opstoomen’, ‘pseudokwallen’, ‘cardinale markeringsboeien’ en ‘schier particuliere uitzichten’.

En dat in een van de meest exotische steden van Nederland, Vlissingen, waar de autopont naar Breskens het heeft moeten afleggen tegen een high tech-tunnel, waar toeristen zich overdag melden voor het slangenopvangcentrum en het piratenpretpark, waarna de plaatselijke penoze elkaar ’s avonds laat bij het uitgaan van de kroegen de hersens inslaat. En neem je dan de trein terug naar het noorden, dan leest een ‘hoorspelmoeder’ haar kinderen overenthousiast voor uit een voorleesboek.

in de coupé nam het moedertje werkelijk alle stemmen en

stemmetjes voor haar rekening nu ook druk met haar tong

tuttu wát een triest verhaal van paultje vinden jullie niet

elke keer als ik het weer lees moet mama der bijna zélf om

huilen

rolvast

alle stemmen

Hoe raaskallerig de taal ook oogt, Astrid Lampe biedt de lezer een avontuur, ze neemt plaats in een achtbaankarretje en wenkt. Je kunt het wegwuiven of je kunt er in gaan zitten. Je moet de poëzie van Lampe niet willen begrijpen. Dat vergt een gedachte-omslag in deze platgeformatte tijd, maar het leidt uiteindelijk tot een uitzinnige en uiterst plezierige leeservaring. Niet begrijpen maar wel willen gissen. De tankers voorbij horen pè-khaën. Die moeder in de treincoupé horen sussen als haar kroost het te kwaad krijgt:

klapte

ze het boekje kittig dicht: per slot per saldo: paultje is een

lief konijn maar soms wel heel erg blij!

Een boek ‘kittig’ dichtklappen. Ik weet precies wat er staat. Maar wat er echt staat zou ik u niet kunnen vertellen.