Klusnoodzaak

Om nerveuze onrust te vermijden is een afwasmachine onontbeerlijk. Alleen stak er een raar soort tuitje uit de afvoerbuis.

Mijn vriend M. kwam langs en voor we het wisten ging het weer over brood. Hij is half-Duits, ik een kwart, en op de een of andere manier is dat net genoeg kritische genetische massa om tot eindeloze tirades over de kwaliteit van het Nederlandse brood te leiden.

‘En het ergste’, zei hij, ‘is Liefde en Passie. Ik sta bij de Albert Heijn en dan moet ik aan zo’n meisje of jongen achter de toonbank vragen of ze nog Liefde en Passie hebben…’

‘En dan vragen zij of je zaden of noten wilt’, zei ik somber, want mijn broodfrustratie veroorzaakt momenten van onrustbarend aanzwellende depressie.

Gelukkig hadden we het daarna snel over de zeecontainer die hij in Portugal tot huis verbouwt, waarna mijn gedachten afdwaalden naar de afvoer voor de vaatwasser die ik een dag of wat eerder had geknutseld.

De afgelopen twee jaar heb ik verbeten met de hand afgewassen, want als alleenwonende man stelt de vaat niets voor. Maar sinds ik op de kleuterschool ‘Opgeruimd staat netjes, dat is ons ideaal’ moest zingen, lijd ik aan een lichte obsessieve compulsieve stoornis waar het om het huishouden gaat. Dat ligt niet alleen aan de indoctrinatie die ik destijds onderging. Toen ik in de jaren tachtig op mijzelf ging wonen, liep ik op de eerste avond in mijn nieuwe huis naar de keuken voor een glas en haalde ik in het voorbijgaan een doekje over het aanrecht. Pas in de deuropening drong het tot mij door: ik ben mijn moeder. Ik heb nog een tijdje naar gedroomd dat ik het geheime project was van de kleuterschool en mijn moeder, maar die paranoia heeft plaatsgemaakt voor stille berusting: het is waarschijnlijk een beetje van alles en het meest nog van mijzelf.

Schone, lege oppervlaktes, alles op zijn plaats, dat is mijn ideaal en een aanrecht met kopjes, borden en bestek leidt tot nerveuze onrust. Dus kocht ik een afwasmachine.

Pas in de deuropening drong het tot mij door: ik ben mijn moeder

Hij werd gebracht door twee zeer vriendelijke jongens van Coolblue die hun spijt betuigden dat ze niet verder dan de drempel mochten en, nee, ik hoefde geen handtekening te zetten met mijn coronavingers.

De vaatwasser kon niet in de keuken. Daarvoor moest ik eerst de koelkast verplaatsen. Daarna moest er een zwanenhals worden gemonteerd, want uit de muur stak alleen een horizontaal pijpje dat een vorige bewoner had afgedicht met een plastic zakje. Ik snap niet hoe mensen daarmee kunnen leven, maar ze doen en ze zijn blijkbaar gelukkig. Toen het zakje was verwijderd, stak er een raar soort tuitje uit de afvoerbuis dat zo vastzat dat de hoogfrequente multitool er aan te pas moest komen om de afvoer in te korten.

Het is een fijne uitvinding, de hoogfrequente multitool. Het onderliggende principe is dat van oscillatie: trillingen die een zaagblad of een schuurkop in beweging brengen. Omdat de trillingsfrequentie zeer hoog is en de uitslag zeer klein, kan er precies en snel mee worden gewerkt. Iets wat ik wel elke dag zou willen doen, maar sinds ik huurder ben in plaats van eigenaar is de klusnoodzaak tot bijna nul gereduceerd. Het gevolg is dat ik, als het apparaat ooit weer uit de koffer komt, likkebaardend om me heen sta te kijken of er soms meer hoogfrequent aangepakt moet worden.

Afvoerpijpje ingekort, geschuurd, ontvet en daarna verlijmd aan een zwanenhals. Een halfuur later stond de vaatwasser op zijn plek en kon de eerste lading er in. Al met al was ik drie kwartier bezig geweest en terwijl ik naar het resultaat stond te kijken miste ik de aanwezigheid van mijn geliefde, want er gaat niets boven een vlot uitgevoerde klus en daarna de bewonderende blik van mevrouw: ‘Wat knap. En wat heb je dat snel gedaan, schat!’ Ik ben net de ooievaar die in de boom achter mijn huis dag in dag uit met takjes en twijgjes aan komt vliegen. Kijk mij eens een fijn nest bouwen.

Lang geleden had ik een bovenbuurman die dat wat ver doorvoerde. Hij was de helft van het jonge paar dat boven ons kwam wonen en niet lang na de verhuizing begon geklop, geboor en gezaag dat maandenlang aanhield. Anja wilde een schrootjeswand, meldde hij een keer, toen ik hem bij de voordeur trof, de armen vol hout en een zak spijkers tussen zijn tanden geklemd. Op dat moment was de schrootjeshausse al tien jaar voorbij. Ik snapte ook niet waarom het aanbrengen van die wand zo lang moest duren, maar dat werd duidelijk toen ze ons boven uitnodigden om het resultaat te bewonderen.

Ze waren er duidelijk erg trots op, maar mijn toenmalige vriendin en ik werd de adem afgesneden bij het betreden van de woning. Alle vier de wanden en het plafond waren betimmerd en het was, zoals mijn vriendin bij thuiskomst zei, alsof onze bovenburen in een koekoeksklok woonden. Het was allemaal uit liefde, begreep ik later, toen de buurman zei dat Anja zo onder de indruk was van zijn eerste wandje, dat hij niet meer had kunnen ophouden. Later heeft hij ook nog alle slaapkamers betimmerd, waardoor ze de facto een huisje in hun huis hadden gebouwd. Hoelang het schrootjesgeluk duurde weet ik niet, want al na een jaar verhuisden ze. De nieuwe huurder heeft alles er toen uitgesloopt. Nu ik er over nadenk was dat de eerste keer dat ik mij het liedje van de kleuterschool herinnerde: Opgeruimd staat netjes, dat is ons ideaal.