Menno Hurenkamp

Klussen met tradities

Wat zou J.J. Voskuil hebben gedacht van staatssecretaris Bussemakers idee dat allochtonen meer bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog betrokken moeten worden? Erkennen dat ook migranten een rol speelden in de strijd tegen onderdrukking maakt integratie makkelijker, is de veronderstelling. De reactie van de juist overleden schrijver zou vermoedelijk sceptisch zijn geweest. De Tweede Wereldoorlog was de cruciale fase voor zijn generatie, daar mocht niet iedereen zomaar aankomen. Je kon die oorlog niet serieus genoeg nemen – al moest je dat vooral niet laten zien. Toen was maar mooi gebleken wie ‘goed’ was en wie ‘fout’. En wie de oorlog niet had meegemaakt, die had eigenlijk niks meegemaakt. Bovendien valt uit zijn zevendelige romancyclus Het Bureau op te maken dat Voskuil ook van de generatie was die migranten mogelijk met mededogen, maar in ieder geval van een afstand bezag. Allochtonen zijn er niet meer dan voorbijgangers op straat, geen mensen om zo maar eens te betrekken in eigen rituelen.

Het decor van Het Bureau, een instituut dat onderzoek doet naar Nederlandse volkscultuur (denk aan spinnewielen en midwinterhoornblazen), is de één-na-laatste plaats in Nederland om nieuwkomers onder de werknemers te verwachten. Slechts in de – door Voskuil overigens bestreden – intensieve varkenshouderij zal het langer duren voor daar een Mohammed of Yunus aan de slag gaat. Voskuil was al met al de aantrekkelijkste representant van ‘De Nederlander’, van iemand die veronderstelde dat voorzover hij een identiteit deelde met zijn landgenoten dat een iel laagje soberheid en nuchterheid was, een laagje dat ook nog eens verder afbrokkelde naarmate de emancipatie en welvaart verder om zich heen grepen. Zijn romans zijn een monument voor deze afstandelijkheid als nationale identiteit – een monument, omdat duidelijk is dat deze houding in dit tijdsgewricht nauwelijks meer vol te houden is.

Maar vanuit zijn professionele achtergrond zou Voskuil vermoedelijk ook aarzelend zijn geweest over de vraag of het ‘klussen met tradities’ een zinvolle vernieuwing van die identiteit zou opleveren. Tradities en gebruiken lieten in zijn ogen zien welke bevolkingsgroepen macht en geld hadden, en welke niet: de eeuwenoude gewoonte om met Kerst een boom in huis te zetten kwam eind negentiende eeuw op, om uit te drukken dat je niet van de straat was. Het was een uit Duitsland overgewaaid teken van welvaart en beschaving, niet van een of andere uit de oertijd stammende ‘echte’ cultuur. In lijn hiermee is het streven om allochtonen te laten delen in de herdenking van de strijd tegen de bezetter geen gevolg van Nederlandse tolerantie. De ambitie laat zien dat de politieke elite probeert de Nederlandse cultuur – in dit geval die van het herdenken – te veranderen. Dat kán, maar succes is niet gegarandeerd.

Want hoewel de herdenking van de oorlog een groot pleidooi is voor verdraagzaamheid, is deze ook een perfecte manier om schema’s van goed en fout en wij en zij in stand te houden. Dat zie je terug in de honderden smalende internetreacties op Bussemakers voorstel, waarin verongelijkte jongelui benadrukken dat in 1940 maar negentien Marokkanen meevochten in Zeeland, die verdronken toen ze vluchtten richting Engeland. Als je de geschiedenis wilt gebruiken om de status van migranten te verhogen, moet in die geschiedenis wel iets aan te wijzen zijn dat de rest van de bevolking hoog aanslaat. Anders veroorzaakt roeren in de al door stammenstrijdjes versplinterde interpretatie van de Tweede Wereldoorlog eerder ruis dan helderheid.

Dit alles is opgeschreven met het risico van boven een binnensmonds gemompeld verwijt van ‘onzindelijkheid’ te krijgen.