Ja, die sloot. Aan het eind van de dag, maar wel vlak na het eten, overvlogen door wijdlopige formaties zwaluwen, op hun beurt weer overkoepeld door het allesverterende avondzwerk. Dat was mij een zwerk! Daar joegen magenta reuzengestalten gezeten op cyaankleurige mastodonten door het luchtruim. Van links naar rechts en weer terug. Daar bliezen geluidloos de meest onafzienbare sousafoons en hijgden de goden en godinnen van Gaasterland nog na alsof ze net de honderd meter om de kerk van Kippenburg hadden gelopen. Maar nu, goden en godinnen beter kennende, weet ik wel beter.
Ja, die avondstond. Maar dat alles heb ik eerlijk gezegd zelf nooit gezien. In verband daarmee kan ik dan ook niet spreken van poëzie. Knaap die ik was.
Mijn poëtisch moment vond plaats op een prachtige middag, een middag waarop alles stilstond. Ook die enkele punten pijlkruid in de sloot, niet meer dan vijftig centimeter van de oever verwijderd.
Niets bewoog. Behalve ikzelf. Met mijn vingers tastend naar het nobele pijlkruid gleed ik langzaam de sloot in. Bevredigender nat ben ik nooit geweest.
Eigenlijk was ik op weg naar een aardappel. Een Frieslander. Maar daarover een volgende keer.