Essay: Wetenschap contra religie

Knagen aan de bijbel

De meeste Amerikanen hebben er geen enkele moeite mee bijbel en wetenschap, God en evolutie te combineren. De strijd tussen evolutionisten en creationisten is niet meer dan een achterhoedegevecht. Hij gaat voorbij aan de kern van de zaak: de fysieke verrijzenis van Christus.

Zesentwintig juni was een feestelijke dag in het Witte Huis. President Clinton had groot nieuws. Aanwezig waren, naast de dames en heren van de pers, Francis Collins, directeur van het International Human Genome Project, en Craig Venter van de Celera Genomics Corporation. Dat deze beide heren zo vreedzaam achter de rug van de president naast elkaar konden zitten, was op zich al een feestje waard, want ze hadden de voorafgaande jaren voornamelijk gebekvecht over de vraag wie als eerste het menselijk genoom in kaart zou brengen. Koortsachtig overleg en zware politieke druk hadden hen uiteindelijk bijeengebracht, en ze hadden zowaar ook een datum bedacht waarop beiden de race zouden hebben gewonnen: 26 juni.

Het menselijk genoom was in kaart gebracht. De president nam het woord. Na een hartelijk welkom en de verplichte bedankjes, een vleugje geschiedenis en een korte beschrijving van de internationale inspanning die tot dit resultaat had geleid, kwam hij ter zake. Hij roemde het in zijn ogen «stunning and humbling» resultaat. Nederig stemmend, want, zo ging hij verder: «De bekendmaking van vandaag is meer dan een geschiedenismakende triomf van de wetenschap en het verstand. Immers, toen Galileo als eerste ontdekte dat hij de gereedschappen van de wiskunde en mechanica kon gebruiken om de bewegingen van de hemellichamen te beschrijven, voelde hij, zoals een beroemd onderzoeker het uitdrukte, ‹dat hij de taal had geleerd waarin God het heelal had geschapen›.»

En Clinton ging verder: «Vandaag leren we de taal waarin God het leven schiep. We krijgen steeds meer ontzag voor de complexiteit, schoonheid, voor het wonder van Gods meest goddelijke en heilige gift.» Drie keer God in drie zinnen. Het staatshoofd van de machtigste natie op aarde kan op zo'n moment niet zonder christelijke bezweringsformules.

Clinton staat in een lange traditie. Al zijn voorgangers haalden op belangrijke momenten de schepper erbij. Op «nationale» momenten zoals die bekendmaking op 26 juni vertegenwoordigt de president de hele natie. Zijn rol laat zich dan misschien nog het best vergelijken met die van de Romeinse keizers. Op gewone werkdagen leidden zij de regering, voerden oorlogen en lieten rivalen uit de weg ruimen, maar er waren ook momenten waarop ze zich in het hogepriesterlijk gewaad van de pontifex maximus hulden om de offers te brengen die de band tussen boven, de wereld van de goden, en beneden, het Rijk, bevestigden en versterkten. Het Romeinse Rijk kende geen paus; die toppositie werd alleen op hoogtijdagen vervuld en wel door de keizer — een man over wie de Romeinen zich op andere dagen in moreel opzicht geen enkele illusie maakten.

Dit «Romeinse model» kent enkele verrassend moderne trekken. Ten eerste was de bemiddelende positie van de keizer geen gave verkregen bij geboorte. Een nieuwe keizer werd gewoon gekozen, ook al was het slechts door de kleine kring van senatoren of door het leger. Of op hem de zegen van boven rustte moest dan nog blijken; succes op het slagveld was een belangrijke graadmeter. Een ander kenmerk van dit Romeinse verbond tussen staat en religie, dat het Amerikaanse model nog dichter benadert, is dat er binnen de Romeinse samenleving zeer subtiel werd nagedacht over de rol en betekenis van de religie. De culturele en politieke elite nam alle verhalen over goden en helden met een filosofische korrel zout, maar was er ook van overtuigd dat deze scepsis nooit gemeengoed mocht worden. Het volk diende de goden te blijven beschouwen en vereren als reuzen van vlees en bloed. Als de massa haar primitieve angst voor de goden zou verliezen, zou ze alle normen en waarden uit het oog verliezen. Verering van de goden was onontbeerlijk voor de stabiliteit van het rijk. En de sublieme uitdrukking van deze verbintenis van goden en staat was de keizer, in zijn functie als pontifex maximus, offerend aan de goden.

Deze dubbelzinnige visie op religie, ter ondersteuning van de status quo, is ook terug te vinden in de Verenigde Staten anno nu. De enorme verscheidenheid aan christelijke geloofsrichtingen binnen dat land doet daar niets aan af, integendeel: dat versterkt alleen maar de behoefte aan een president die op gezette tijden als «opperpriester» fungeert. Of het nu om oorlogen gaat, natuurrampen, vredes besprekingen of wetenschappelijke doorbraken: steevast legt de president uit dat wat er gebeurt, wat de regering doet, allemaal overeenkomstig Gods plan is. Hij belichaamt op zulke momenten het ideaal van one nation under God.

Een cruciale rol is hierbij weggelegd voor de politici die direct onder de president functioneren. Zij moeten enerzijds het staatsbelang dienen en anderzijds het volk duidelijk maken dat de beslissingen die zij nemen in het belang van de staat in feite in het belang van God zijn. Een taak die vereist dat zij zich tegenover dat volk als rechtzinnige christenen presenteren. Een fraai voorbeeld van de problemen waartoe deze dubbele taakstelling kan leiden stond onlangs beschreven in het wetenschappelijke tijdschrift Nature. In de staat Kansas had de State Board of Education, een raad die de leerstof van het openbaar onderwijs in de staat vastlegt, vorig jaar besloten dat de evolutieleer niet meer onderwezen hoefde te worden. De verontwaardiging was groot: dit was een overwinning voor de creationisten en een zwarte dag voor de wetenschap. Spoedig ontstond een actiegroep, de Kansas Citizens for Science, die dit besluit teruggedraaid wilde zien. Een van de actiefste leden van deze club was biochemicus Matthew Buechner. Hij bezocht op een gegeven moment een discussie tussen een senator uit Kansas, de republikein Sam Brownback, en Francis Collins, de reeds genoemde directeur van het Human Genome Project.

Brownback is een voorstander van het besluit van de Board of Education, en dus een tegenstander van de evolutieleer, en Buechner rekende op een stevig robbertje bekvechten tussen beide heren. Tot zijn stomme verbazing echter dankte Collins de senator voor zijn steun voor de financiering van het Human Genome Project. Buechner begreep er niets van. Hij schreef de senator een brief waarin hij hem uitlegde dat het project voor honderd procent gebaseerd was op de evolutieleer. Die zegt immers dat de mens verwant is aan alle andere levensvormen: «Daarom zijn er honderden miljoenen dollars besteed aan het ontrafelen van het genetisch materiaal van bacteriën, gistcellen, wormen en fruitvliegen.» Wist de senator dat? Hij heeft nooit geantwoord.

Is Brownback schizofreen? Zo'n politicus die het ene zegt en het andere doet, zoals Nature suggereerde? Ik denk het niet. Toen hij zowel de State Board of Education steunde als stemde voor financiële steun aan het Human Genome Project, was hij er oprecht van overtuigd te handelen overeenkomstig zijn christelijke opvattingen. Die overtuiging, dat vermogen om twee meesters te dienen, maakt hem nu juist uitermate geschikt voor een politieke carrière.

Voor ongelovigen is dat inconsistente gedrag een bron van verbazing, irritatie en vermaak. Alsof het christendom een verzameling normen en overtuigingen is die christenen met mathematische precisie dienen toe te passen. Nee, de gemiddelde christen is geen haar beter, «ethischer» dan de gemiddelde ongelovige. Denken, zo weten hersenonderzoekers, is een epifenomeen, een verschijnsel achteraf. Uit onderzoek blijkt dat we eerst handelen, gedreven door driften, om pas daarna elders in het brein — de linkerhersenhelft, waar de taal is ondergebracht, lijkt hier de grootste stem te hebben — de verklaring, de rechtvaardiging te verzinnen die dat handelen moet verklaren. Of de redenering klopt, of we ons eigen gedrag werkelijk doorzien, dat is maar de vraag. Een fraai bewijs voor dit primaat van basale instincten, ook bij christenen, is een ontluisterend onderzoek uitgevoerd door het evangelisch centrum voor verslavingszorg De Hoop waarvan de uitkomsten begin augustus werden gepubliceerd. Enquêteurs hadden vijfduizend jonge bezoekers aan reli bijeenkomsten zoals de EO-jongerendag ondervraagd over hun druggebruik. Daaruit bleek dat christelijke jongeren tussen de 11 en 18 jaar — 87 procent ging regelmatig ter kerke; landelijk ligt dat op 14 — net zo driftig zopen, rookten en spoten als hun ongelovige leeftijdgenoten.

Politici als Brownback zorgen er niet alleen voor dat Amerika als een christelijke natie functioneert, ze zijn ook verantwoordelijk voor een ander typisch Amerikaans fenomeen: de populariteit van het fundamentalisme. Ze zijn er niet alleen van overtuigd dat de Amerikaanse buitenlandse politiek en wetenschappelijk onderzoek naar het menselijk genoom beide God welgevallige activiteiten zijn, maar ze verkondigen ook dat zij deze activiteiten slechts kunnen controleren op basis van hun christelijke overtuiging. Moreel handelen is voor hen synoniem met christelijk handelen, met christen zijn. Deze gelijkstelling is binnen de Amerikaanse samenleving buitengewoon diep verankerd geraakt. Met als gevolg dat vrijwel alle Amerikanen de term «christen» gebruiken als synoniem voor «goed» en «beschaafd», en om hun beschaving te onderstrepen vertellen acht op de tien Amerikanen dat ze geen moeite hebben met het idee dat God de wereld heeft geschapen zoals dat in Genesis 1 staat beschreven: uit het niets, in zeven dagen.

Hoe zijn de typisch Amerikaanse machtsstructuren en de daarmee samenhangende unieke positie van het christelijk geloof ontstaan? Tot rond 1900 zag het er helemaal niet naar uit dat Europa en de VS in politiek en religieus op zicht gescheiden wegen zouden gaan. De ontwikkelingen aan beide zijden van de oceaan verliepen vrijwel parallel. De intellectuelen vielen rond 1800 van hun geloof, de burgerij na 1850. Tegen 1900 leek de ontkerstening van Euro pa en de VS niet meer te stuiten. In Europa zette deze door, in de VS niet. Hier was sprake van een ware herkerstening.

De meest gehoorde verklaring hiervoor is dat het socialisme er in de VS niet in slaagde door te breken, en daardoor de ideologische en morele rol van de kerken niet heeft kunnen overnemen. En dat zou weer veroorzaakt zijn doordat de socialisten in de VS veel harder aangepakt zijn dan elders. Martin Lipset en Gary Marks constateren in hun dit jaar verschenen studie It Didn’t Happen Here: Why Socialism Failed in the United States, dat deze verklaring te simpel is. In landen als Duitsland en Frankrijk kregen socialisten er ook flink van langs. Volgens Lipset en Marks sloeg het socialisme in hun land niet aan omdat het een geïmporteerde, on-Amerikaanse ideologie was. En Amerika was op dat moment juist druk doende zijn banden met de Oude Wereld definitief van zich af te schudden. Een jonge, sterke natie ontstond, met een eigen identiteit en rol op het wereldtoneel. Uiteraard zag men de noodzaak in van de «verheffing» van de arbeider, maar deze werd ter hand genomen door een nieuwe, huisgestookte ideologie: het Amerikanisme, uitgedragen door christelijke verenigingen en clubs, en opgestuwd door een christen-fundamentalistische revivalbeweging. Voorman van deze beweging was dominee A.C. Dixon. In zijn beroemde pamfletten The Fundamentals, verschenen tussen 1910 en 1915, legde hij de basis voor het moderne fundamentalisme. De door hem gestichte Grass Roots Movement was binnen de kortste keren een machtsfactor van betekenis.

Waarschijnlijk bestaat er ook een verband tussen de opkomst van het fundamentalisme, dat streven naar een zuiver christendom, en de ontwikkeling van de VS aan het begin van de twintigste eeuw tot wereldmacht. Een dergelijke machtspositie diende uiteraard gebaseerd te zijn op hoogstaande normen en waarden — de christelijke, met andere woorden. Maar wellicht koesterden de fundamentalisten diep in hun hart een ander, nog vuriger verlangen: de verbreiding van de christelijke boodschap overal op aarde. God had een plan met Amerika, dat was duidelijk. Hij had het land tot wereldmacht gemaakt opdat het Zijn woord overal zou verkondigen.

Het is verleidelijk de ontwikkeling rond 1900 te beschouwen als «de» oorzaak voor de huidige bloei van het christendom in de VS, alsof het hier een historische weeffout betreft. Een dergelijke verklaring sluit goed aan bij de populaire opvatting dat het christendom een restverschijnsel is, een langzaam afstervend relict uit een duister verleden. Voor velen wellicht een geruststellende en hoopgevende gedachte. Maar als het christendom in de VS nú bloeit, komt dat omdat we te maken hebben met een religie die nú een nuttige functie vervult.

Voor Europeanen is het christelijk geloof in de VS altijd een bron van verwondering geweest. Hoe is het mogelijk dat in een land waar de natuurwetenschappen bloeien als nergens ter wereld, het geboorteland van de ruimtevaart en computertechnologie, tachtig procent van de bevolking ge looft in de letterlijke betrouwbaarheid van de bijbel? Zijn Ameri kanen gewoon naïever dan wij, eenvoudiger van geest? Nee. Ook de natuurwetenschappers zijn geloviger. Zestig procent van hen is lid van een kerkgenootschap. Kennelijk heeft het overgrote deel van de Amerikanen er geen enkele moeite mee om bijbel en wetenschap te combineren.

Iedereen kent de strijd tussen schepping en evolutie, tussen creationisten en evolutiebiologen. Boekenplanken vol over fossielen aangebracht door God om ons te misleiden, over de schepping uit het niets, over de zondvloed en de verspreiding van de mensheid vijfduizend jaar geleden vanaf de steigers rond de Toren van Babel. Uren zendtijd werden en worden gevuld door ratelende evangelisten en langzaam witheet wordende biologen. Iedereen weet dat het niets uithaalt, dat de partijen nooit tot elkaar zullen komen. Het gaat hier om een oppervlakkig achterhoedegevecht. Oppervlakkig, omdat het conflict tussen creationisten en evolutiebiologen zich vrijwel volledig toespitst op Genesis 1, het scheppingsverhaal. Alle tradities, verhalen, wonderen en profetieën die in de honderden daaropvolgende bijbelhoofdstukken voorkomen, blijven ongemoeid. Israel blijft Gods uitverkoren volk; Christus is en blijft zijn zoon, die gestorven is en op de derde dag verrezen. Dat laatste, dát is de kern van het christendom, en die kern blijft onaangeroerd. Vandaar dat het overgrote deel van de Amerikanen er geen enkele moeite mee heeft om in een enquête Genesis 1 te onderschrijven en even later in de supermarkt een pak genetisch gemanipuleerde sojakoekjes te kopen.

Dixon, de geestelijk vader van het fundamentalisme, had al scherp in de gaten dat het aanvaarden van de evolutieleer heel wat theologische gymnastiek zou vereisen maar niet onmogelijk was. Net als juffrouw Laps uit Woutertje Pieterse moest hij er niet aan denken dat een aap of orang-oetan zijn voorvader zou zijn, maar hij was bereid «dit vernederende feit» te accepteren «als het zou worden bewezen». Uit zijn geschriften blijkt dat hij niet de biologen als de grootste boosdoeners beschouwde: de ware vijanden van het geloof waren de bijbelkundigen en theologen die zich bezondigden aan kritische analyse van de bijbel. Zij knaagden niet aan Genesis 1, maar vraten zich uit naam van de wetenschap een weg door het traditionele geloof, van Genesis tot Openbaringen 22.

Rond 1900 verkeerde de geloofwaardigheid van de bijbel in een waarlijk desolate toestand — en dat was niet de verdienste van het darwinisme maar uitsluitend van de «hogere tekstkritiek», de systematische analyse van de bijbel. De sloop begon met de o zo redelijk en logisch geformuleerde mokerslagen van John Hume. In zijn Essay on Miracles riep hij op om bijbelse wonderen net zo te benaderen als andere ongeloofwaardige verhalen; in zijn Dialogues kwam hij tot de conclusie dat agnosticisme het enige redelijke antwoord was op de vraag of God bestaat. Hume legde daarmee het fundament voor het kritische bijbelonderzoek, en daarmee voor de afbraak van de geloofwaardigheid van de bijbel.

Een eerste doorbraak was de ontdekking dat de Pentateuch, de vijf boeken van Mozes, door verscheidene auteurs geschreven moest zijn — en dat dit vele eeuwen later was gebeurd dan de daarin beschreven gebeurtenissen. Men zag in dat Genesis eigenlijk twee scheppingsverhalen biedt en twee verklaringen voor de verspreiding van de mensheid over de aarde. Dat de stambomen onmogelijk juist konden zijn, dat de bijbelse chronologie een verzameling symbolische getallen was. Dat de vier evangelisten elkaar regelmatig tegenspraken en — wat veel erger was — dat Mattheüs, Lucas en Johannes gebruik hadden gemaakt van het evangelie van Marcus en van een verloren gegane bron, aangeduid als «Q» (naar het Duitse woord Quelle). Wat Mattheüs, Lucas en Johannes daaraan hadden toegevoegd, waren vooral wonderverhalen, en die waren vrijwel allemaal gebaseerd op oudtestamentische voorbeelden. Vergelijk bijvoorbeeld de beschrijving van het tot zwijgen brengen door Jezus van een storm op het meer van Galilea met het verhaal van Job die op zee in een storm terechtkomt.

Wat nóg erger was: die oudste nog resterende bron, het evangelie van Marcus, was geschreven door iemand die hooguit een vage voorstelling had van de joodse religie en van Palestina. Marcus’ beschrijving van het proces tegen Jezus rammelt werkelijk aan alle kanten, en het verhaal van de verrijzenis is overduidelijk geïnspireerd op heidense voorbeelden en tradities. De historische Christus, zo constateerde de Duitse theoloog Rudolf Bultmann in zijn Geschichte der synoptischen Tradition, was in de evangeliën niet meer te traceren. Het was een uiterst gevaarlijke conclusie, een waar de theologie nooit meer overheen is gekomen: de kern van het christelijk geloof is immers de fysieke werkelijkheid van Christus’ verrijzenis. Daar draait het om: dat de zoon van God vlees werd, gestorven is en uit de doden opgestaan. Van alles moge mythe zijn, de verrijzenis nooit. De slotconclusie na een eeuw tekstkritisch onderzoek kwam daarom heel hard aan, en het moge duidelijk zijn dat de bijdrage van Darwin, de evolutieleer, als het gaat om de aantasting van het christelijk geloof niet meer was dan een bescheiden duit in het zakje. Daar konden de fundamentalisten rond 1900 heel wel mee leven.

Toen Friedrich Nietzsche Zarathoestra de wereld in stuurde om de dood van God te verkondigen, had hij dus alle gelijk van de wereld. Maar de tijdgeest veranderde. Een wereld oorlog had Europa in zijn greep. De gevestigde kerken konden niets, deden niets of wakkerden het bloedbad zelfs aan. Na afloop waren ze moreel failliet. Ze verloren hun oude positie van meest geliefde intellectuele tegenstander — sterker nog, ze konden rekenen op sympathie uit deze hoek. De opkomst van het socialisme en het communisme bewees dat het volk niet zonder geloof, zonder mythe kon. Volgens sommigen waren er nieuwe mythen nodig — nazi-filosoof Alfred Rosenberg schreef een boek Die Mythos des zwanzigsten Jahrhunderts —, volgens anderen diende de oude christelijke mythe nieuw leven te worden ingeblazen.

Aanvallen op de kerk werden impopulair en de oude tekstkritiek werd als onnodig en onnodig hard beschouwd. Ze moest wijken voor een hernieuwde belangstelling voor pastorale exegese en mystieke bezinning. Er ontstond zelfs een wetenschappelijke tegenbeweging, een die exacter pretendeerde te zijn én in staat om de vernietigende kritiek te weerleggen: de bijbelse archeologie.

Opgravingen in het Heilig Land, veelal in opdracht van christelijke universiteiten en instituten — later aangevuld door Israelische onderzoeksinstellingen — moesten aantonen dat de bijbel historisch juist was. Het was werken met de spade in de ene hand en de bijbel in de andere. Steden, muren, poorten, huizen — alles werd geïdentificeerd aan de hand van de bijbelse tradities. Nederzettingen van Jozua, muren van David, forten van Salomo: zie je wel, de bijbel heeft tóch gelijk. Dat was ook de titel van de bestseller die de Duitse journalist Werner Keller hierover in de jaren vijftig publiceerde: Und die Bibel hat doch Recht. God was níet dood.

Moderne Israelische reisgidsen lepelen deze verleidelijke identificaties nog steeds moeiteloos op. Archeologen zélf kijken tegenwoordig met een zekere schaamte op deze periode terug. Zij weten maar al te goed dat de oogst van al dat geploeter opmerkelijk schraal is geweest. Al die identificaties zijn weinig meer dan wishful thinking. Er is geen spoor te vinden van een uittocht uit Egypte, inclusief een verdronken farao, ook niet van een invasie door vreemde stammen in Palestina, ergens na 1500 voor Christus. De resten laten geen culturele breuk zien, al die eeuwen niet, en de streek was toen trouwens stevig in Egyptische handen. Geen spoor ook van een verovering (Jericho was toen al vele eeuwen een ruïne) en geen spoor van een koninkrijk onder David en Salomo.

Deze «emancipatie» van de bijbelse archeologie is nog in volle gang. De vooraanstaande Israelische archeoloog Ze'ev Herzog kreeg eerder dit jaar nog een storm van kritiek over zich heen toen hij het koninkrijk van David en Salomo een «mythe» durfde te noemen. Toch heeft ze nu al geleid tot belangrijke nieuwe impulsen voor het tekstonderzoek. De traditionele opvatting luidde dat de oudste delen van de bijbel geschreven zijn aan het hof van Salomo, zo rond 1000 voor Christus — voor de goede orde: dat is nog altijd vier eeuwen voordat er elders vergelijkbare literatuur ontstond. Nu Salomo’s rijk onvindbaar blijft, wordt deze opvatting steeds moeilijker houdbaar.

De toekomst lijkt aan de zogenoemde nihilisten die ervan uitgaan dat de bijbel wellicht snippers oude overleveringen bevat, maar verder grotendeels in de laatste vier eeuwen voor het begin van de jaartelling is geschreven. Dat hierbij sprake zou zijn van geschied schrijving zoals wij die kennen, achten zij uitgesloten. De bijbelse geschiedenis, het historische «bewijs» voor een oeroud verbond tussen God en zijn volk, is niet meer dan vrome fictie. En als er geen uitverkoren volk bestaat, dan ook geen zoon van God, en ook geen wonderbaarlijke verrijzenis. De bijbelse archeologie die het geloof had moeten redden van de negentiende-eeuwse bijbelkritiek zette uiteindelijk zelf nieuwe vraagtekens bij de kern van het christelijk geloof.

Nu het ernaar uitziet dat de bijbel veel later is ontstaan dan tot nog toe werd gedacht, wordt het interessant hem te vergelijken met de klassieke Griekse literatuur die om streeks dezelfde tijd, vanaf de zevende eeuw voor Christus, tot stand kwam. Gingen bijbelkundigen en classici elkaar tot voor kort uit de weg — de bijbel was immers naar ieders overtuiging eeuwen ouder dan de Ilias en Odyssee —, tegenwoordig weten ze elkaar steeds vaker te vinden, en de vergelijking leidt tot opmerkelijke resultaten.

Buitengewoon intrigerend bijvoorbeeld zijn de parallellen tussen de bijbelse en Griekse tradities over het veroveren en besturen van nieuw land, die onlangs zijn aangestipt door de Amerikaanse oudtestamenticus Moshe Weinfeld. Griekse kolonisten die van plan waren een nieuwe stad te stichten vroegen eerst advies aan de beschermgod van de stad over waar ze naartoe moesten. Eenmaal aangekomen werd het land door middel van het lot verdeeld over verscheidene «stammen» — volgens Homeros en Plato was twaalf hierbij het ideale aantal. Weinfeld wees erop dat deze vestigings traditie (voor de goede orde: het gaat hier om een ideaal; de werkelijkheid was heel wat ruiger) nergens in het Nabije Oosten voorkomt. Niet in Egypte en Babylonië, niet bij de Hittieten en de Assyriërs. Alleen in de bijbel, in de verhalen over de verovering van Palestina. Een directe beïnvloeding vanuit de Griekse wereld is de enige redelijke verklaring. Dat vereist stevige culturele contacten en een zekere jaloezie aan joodse kant ten opzichte van de indrukwekkende expansie die de Grieken op deze manier hadden bereikt. Beide voorwaarden suggereren dat de geschiedenis van de verovering van Palestina pas in de vierde eeuw te boek is gesteld naar Grieks voorbeeld.

Kunnen we nu een herleving tegemoetzien van de felle religieuze debatten zoals die rond 1900, ten tijde van Marx, Nietzsche en Domela, werden gevoerd? Waarschijnlijk niet. Zeker, het zou me een lief ding waard zijn indien de bloedeloze discussie tussen biologen en creationisten naar de achtergrond werd gedrongen. Die discussie, ik klaagde er al over, is het initiatief van de onbeduidende minderheid der creationisten en gaat voorbij aan de kern van de zaak: de fysieke verrijzenis van Christus.

Het debat zou in principe weer kunnen oplaaien, want de weerzin lijkt verdwenen die na de Eerste Wereldoorlog ontstond om de discussie tussen geloof en wetenschap voort te zetten. We geloven niet meer dat de mensheid «de grote verhalen» van ideologie en religie nodig heeft om geestelijk en moreel op het rechte pad te blijven. Daar staat echter tegen over dat het nu een stuk moeilijker is de kerk te beschouwen als de belangrijkste tegenstander van wetenschap, democratie en mensenrechten. In West-Europa is de invloed van de kerk inmiddels verwaarloosbaar; in de VS lijkt zij nog diep verankerd, maar het fundamentalisme dáár is heel iets anders dan de zwartekousenkerk hier. Het christendom is, kortom, een veel minder uitdagende tegenstander dan voorheen. De discussie zal dan ook nooit meer zo fel zijn als rond 1900 het geval was. De recente wetenschappelijke ontwikkelingen zijn interessant en uitdagend genoeg, maar ze missen de potentiële maatschappelijke impact die het werk van Bultmann in zijn tijd juist wél had.

Wie verwacht dat het christendom dan verder als vanzelf zal verdwijnen, zit er echter naast. Hoeveel vragen de wetenschap ook oproept, de behoefte om te geloven zal daar niet door worden aangetast. Pascal had gelijk: het hart kent redenen waar het verstand geen weet van heeft.