TONEEL De laatste dagen der mensheid

KNALBONBON

Twintig jaar geleden heeft het geen haar gescheeld of Karl Kraus (1874-1936) was meegezogen in de mui van antisemitische preoccupaties waar Nederland in wegzakte ten tijde van de zogeheten ‘Fassbinder-affaire’. Enkele nijvere scribenten hadden ‘verscheidene antisemitische passages’ aangetroffen in Kraus’ reusachtige toneelstuk De laatste dagen der mensheid. En inderdaad, als men de stofkam haalt door de vijfhonderd personages die rondwandelen in deze ‘tragedie in vijf bedrijven met voorspel en epiloog’ (goed voor minstens twee volle etmalen toneel) treft men daar allicht enkele minder nette joden aan, naast een container zeer foute christenen, zichzelf opblazende militairen en leugenachtig uit hun bek stinkende journalisten. Karl Kraus, de katholieke en later antikatholiek geworden Oostenrijkse joodse zelfhater, die in De laatste dagen der mensheid de complete hel van de Eerste Wereldoorlog uitputtend documenteerde, was niet voor niets ‘de intellectuele knalbonbon van het Habsburgse Rijk’ (Martin van Amerongen). Het is de literaire sensatie van dit jaar dat Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes Kraus’ magnum opus tot op de laatste hartenkreet hebben vertaald en van commentaren en epilogen hebben voorzien, terwijl Aat Clerkx het vuistdikke boek (uitgeverij Harmonie zij bedankt) illustreerde tot hij er (bijna letterlijk) bij neerviel. Zulks in opdracht van het toneelspelersgezelschap ’t Barre Land dat het stuk nu (en hopelijk tot in lengte van jaren) op het repertoire heeft.
De rechterkant van het speelvlak verbeeldt als het ware het universum en de denkwereld van Karl Kraus. Een letter-voor-letter bediende ‘lichtkrant’ verstrekt wat feiten en voornemens, aan een langwerpig bureau annex boekenkast werkt het vertalersduo Henkes&Bindervoet (de heren spelen ook mee) aan een nieuwe aflevering van het ‘onregelmatig maar geregeld verschijnend strijdschrift Fakkelforum’, kloon van het tijdschrift Die Fackel, dat op den duur geheel door Kraus zelf werd volgeschreven. Achterin staan rekken vol kledij, de rest van de vloer is het domein van de toneelspelers. Ze doorwerken het hele stuk aan de hand van de openingsscènes van alle akten (Kraus-in-dertig-minuten), trekken een paar flessen generaalslapstick en boudoirroddels open, doorwaden in hoog tempo het bloedmoeras van de epiloog, en spelen een lange dialoog tussen de kniesoor en de optimist (eerste bedrijf, scène 29), in het stuk een doorlopende variant op de koorzangen uit de Griekse tragedie.
Alle toneelspelersregisters gaan open. Ruim baan voor de vleesgeworden hilariteit die Kraus zelf moet zijn geweest als hij delen uit zijn stuk voor volle zalen en hallen als performance deed. Alle rust daarnaast voor een vileine, hersenknersende dialoog die drie kwartier duurt, geen moment verveelt, erom schreeuwt af en toe de rewind-knop te mogen hanteren (mogen we die nog een keertje horen?), door Martijn Nieuwerf en Margijn Bos transparant en helder verklankt – een wonder van toneelspelen dat ieder nadoen, iedere imitatie of mimesis is ontstegen. Als het gedaan is en de laatste zin heeft geklonken (die naar verluidt is ontleend aan een wat laat uitgevallen schrikaanval van Kaiser Wilhelm II), zijn er drie uur voorbij zonder dat we een besef van tijd hebben gehad. Of het zou het besef moeten zijn dat de woorden die in Kraus’ tijd werden geschreven en gesproken als sardonische cassandraëske vervloeking van het krijgsbedrijf en zijn slijmerige slippendragers, geen syllabe aan kracht hebben ingeboet. Grootse toneelavond!

De laatste dagen der mensheid van/naar Karl Kraus door ’t Barre Land. Tournee. www.barreland.nl