Knap

De Zuid-Koreaanse Vinnie Ko kwam in 2009 naar Groningen voor zijn studie wiskunde. Hij hapt haring, leest Jip en Janneke, staat voor een brugklas in Emmen en wint een schrijfwedstrijd. Driewekelijks schrijft Vinnie over de successen en hindernissen van zijn integratie.

Het was tentamenperiode. Nadat ik de hele dag op de universiteit doorgebracht had, zat ik die avond aan tafel met mijn huisgenoten. Toen ik macaroni op mijn bord schepte, vroeg Ricardo wat ik had gedaan.

‘Ik was bezig met het voorbereiden van een herkansing. Met een paar andere studiegenoten kreeg ik bijles van Tim. Hij is een jongen die in mijn jaar zit en hij heeft het tentamen met een negen gehaald. Hij is heel knap.’

Ricardo giechelde.

‘Val jij op jongens?’ vroeg hij met een ondeugende glimlach.

‘Wat?’

‘Ben jij een homo?’

‘Nee. Hoezo?’

‘Je zei net dat je Tim knap vond.’

‘Ja, ik vind hem knap.’

‘Dan ben je dus homo.’

‘Nee.’

‘Wel. Vraag maar aan je docent Nederlands wat “knap” betekent.’

Ricardo probeerde me regelmatig voor de gek te houden, maar deze keer zou ik er niet intrappen. Ik wist namelijk al dat knap ‘intelligent’ betekende, want af en toe kreeg ik het compliment: ‘Knap dat je in zo'n korte tijd al zo goed Nederlands hebt geleerd.’

De volgende dag legde ik deze kwestie voor aan mijn docente. Ze zei dat het woord ‘knap’ twee betekenissen heeft. De eerste betekenis is ‘mooi’ of ‘welgevormd’. Deze betekenis is voornamelijk van toepassing op mensen. In de volgende gevallen zou ik direct kunnen zeggen dat iemand knap is:

– Ik vind je knap.

– Hij is een knappe vent.

– Zijn zus is echt heel knap.

De tweede betekenis is ‘kundig’ of ‘bekwaam’. Ze gaf toe dat het soms verwarrend is wat er met ‘knap’ wordt bedoeld. In zulke gevallen zou ik de betekenis uit de context moeten afleiden. Ze leerde mij een handig trucje. Als ‘knap’ voorafgegaan wordt door ‘het’ is het duidelijk dat het om de betekenis van ‘kundig’ gaat. Dus als ik zeg: ‘Ik vind het knap dat hij een negen heeft gehaald’, begrijpt iedereen dat ik hem slim vind. Sinds ik dit trucje paraat heb, heb ik nooit meer een verwarrende situatie veroorzaakt door de dubbelzinnigheid van het woord ‘knap’.

Een paar jaar later liep ik een onderwijsstage. Ik moest een biologieles observeren. In de les kwam de samenvatting aan bod van een hoofdstuk dat al eerder behandeld was. De lerares haalde de kennis van de leerlingen op door vragen te stellen. Na afloop moest ik een kort verslag schrijven, waarover ik met de lerares in gesprek ging.

Ik vroeg haar: ‘Hoe heb je de vragen verdeeld? Heb je ze aan willekeurige leerlingen gesteld of heb je ze expres aan bepaalde leerlingen gesteld?’

‘Ik probeer meestal de vragen te verspreiden over de hele klas. Maar vandaag heb ik ze expres aan de minder knappe leerlingen gesteld.’

Ik vond het heel knap van mezelf dat ik niet in lachen uitbarstte.