Zomerschrijvers: Een half uur in het Oosterpark

Knappe dokter

Het Amsterdamse Oosterpark is de uitgelezen plek om een arts aan de haak te slaan. Maar dan moet er wel een plek vrij zijn op een van de bankjes.

Medium rc20120815oosterpark05

Die nieuwe vertaling van Ulysses, ik heb hem besteld, veertig euro, weggegooid geld. Bij dat boek moet je van een afstandje de titel kunnen lezen en de naam van de schrijver, maar de letters op de kaft hebben ze veel te klein gemaakt. Dom, dom, dom.

Dus zit ik op een bankje in het Oosterpark, met een boek waar niemand wat aan heeft, ik zelf ook niet, want ik ga niet een beetje tussen de gebruikte naalden en de rotzooi zitten om te doen wat ik thuis veel beter kan. Ik zit hier, ik zeg het maar zoals het is, om een knappe dokter* te versieren.

Knappe dokters komen hier soms lunchen. Vanaf het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis hoeven ze alleen maar de straat over te steken en ze zijn al in het park. Meestal zitten ze dan op een van de bankjes waar ik nu zit, bij het slavernij­monument dat toevallig staat in het bij het ziekenhuis dichtstbijzijnde gedeelte. Je zit er lekker achter de heesters en de bomen. Echt, dit is de beste plek.

Dat vinden ook de zwervers en ik hou mijn hart vast, want het is al vijf over half twaalf. Om twaalf uur zou ik ze graag opgetieft zien, niemand wil een zwerver bij zijn boterham en ik ben bang dat de knappe dokters, die de hele dag door al in de viezigheid zitten, liever doorlopen naar een fijn plekje verderop. Bijvoorbeeld naar het stuk waar het zo lekker naar vlierbessenbloesem ruikt.

Zijn die rode lippen weer voor niks geweest, net als gisteren. Eergister had ik ook al pech, toen regende het.

Er staan in deze afgescheiden hoek tien bankjes. Dat lijkt misschien veel, maar binnen de kortste keren zijn ze vol. Meer dan twee personen gaan er niet op, tenzij ze elkaar kennen, zoals aan de overkant die drie islamitische meisjes die foto’s zitten te kijken op hun blackberry’s, van vermoedelijk hun islamitische vriendjes. Die zitten zo gezellig tegen elkaar aan, daar passen er nog wel een keer drie bij.

Op het bankje daarnaast zitten twee types in het oranje. Papierprikkers. Ze zitten er net, maar die lui hebben geen haast. Niemand in dit land prikt papier voor z’n lol. Een enkeling verdient er misschien zijn boterham mee, de meesten doen zoiets voor straf. Deze twee zien eruit alsof ze vanaf nu nooit meer vanuit hun studenten­kamertje 3hoog op straat zullen piesen. Eén loert er naar de islamitische meisjes, maar nee het is hun smaak niet.

Met een papieren zakdoekje en een beetje spuug haal ik wat vogelpoep van mijn bankje, want mogelijk draagt mijn dokter een witte ziekenhuisbroek. Iemand heeft We will smoke them out of their holes in de groene verf gekerfd. Helemaal bedacht en letter voor letter gekrast, die zin.

Op het bankje links zit een bleke man met obesitas een _Dynabite-_folder te lezen. Niet een gewoon beetje obesitas, maar zo veel obesitas dat ik vermoed dat hij ook uit dat ziekenhuis is komen lopen, net een mooi stukje. Op zijn voorhoofd zitten allemaal fijne druppeltjes, op zijn kinnen rode krassen van het scheren.

In het zwembad waar ik vaak kom, is er ook een obese man. Ik was erbij toen hij het voor het eerst probeerde, zwemmen. Hij ging met zijn armen en benen aan de gang, niets gebeurde. Meer iets voor een bommetje, hoorde ik de ene badmeester tegen de andere zeggen. Tegenwoordig zit hij in het pierebad, daar kan hij over de vloer lopen, erin en eruit gaat daar ook makkelijker.

Deze man hier ademt hardop en niet heel regelmatig. Moet ik iets doen als dat het ademen stopt? Het combineert al bij al ook niet lekker met panini kip. Hij heeft nog net geen infuuskarretje bij zich, die zie je hier soms ook. Geen een arts die daar dan in zijn pauze naast gaat zitten, doodsbang als ze zijn voor de zin ‘Dokter, nu ik u hier toch zie…’

Die dikke man van het zwembad, en dan houd ik erover op, daar was ik die keer dat hij in het diepe zat, bijna tegenop gebotst, ik zwom op mijn rug. Een muur van zure stank, afkomstig uit de plooien van zijn huid, zorgde dat ik net op tijd achterom keek. Het was een lucht die, telkens als ik dacht dat het ergste voorbij was, de man zat immers in het chloor te weken, weer in verse vlagen op me af kwam.

Voor niet wassen, vind ik, bestaan geen excuses. Dik worden snap ik nog, ze doen overal stofjes in waar je van door blijft eten. En het stond laatst nog in de krant dat er te veel zout in de sauzen zit. Maar als je jezelf niet meer kan wassen, dan moet je ’t uitbesteden. En de zwervers, die moeten zich ook wassen. Ik heb dat een keer uitgezocht, er zijn allemaal inloophuizen in Amsterdam waar je onder de douche kan. Gratis.

Na panini kip is douchen het lekkerste dat er is.

In Het Parool stond een tijd terug iets over een zwerver die vies was van een douchecabine van een inloophuis, omdat er net een junk in had gedoucht die hij niet moest. Een zwerver is een zwerver is een zwerver, gaat dus mooi niet op. Ze moeten ook allemaal een eigen bankje.

Van de tien zijn er nog maar twee leeg, de twee aan mijn rechterkant.

Kijk daar nou toch, de aankondiging van de herfst komt dit jaar per scootmobiel! Soepeltjes zoevend, verrimpelde handen om het stuur geklemd, het kale hoofd met wat grijze haarslierten scheef boven een bruingeblokte deken. Wil er niet aan dat het sterven al is begonnen, moet met alle geweld nog even in het zonnetje. Iemand moet hem hebben aangekleed, een sjaal om zijn hals hebben geknoopt, en als ik dat bedenk vind ik het ook wel weer mooi.

Die mobielen kunnen trouwens hard, dat hou je niet voor mogelijk. Gisteren werd ik er door eentje ingehaald toen ik met een pak wc-papier onder de arm naar huis fietste. De man die erop zat floot naar me, een vrolijke neger in een ski-jack. Ik stak mijn hand op, met wc-papier en al. Ik heb sowieso nooit nare ervaringen met mensen van een ander ras.

Ik kijk op mijn horloge, nog een paar minuten. Daar komt al een man met grote soepele passen mijn kant op, bandplooibroek, lichtblauw overhemd. Een niet al te mooi, maar vrolijk gezicht, een tikkeltje blozend. Hij ziet eruit alsof hij er zin in heeft en ik trek mijn buik in, probeer heel kalm te ademen. Ik knik naar hem, terwijl ik mijn boek dichtsla, dat toch maar voor spek-en-bonen op mijn schoot ligt. Toen ik het bestelde dacht ik: wat Marilyn Monroe kan, kan ik ook, maar het is een flop en ik heb spijt van mijn veertig euro.

De man knikt terug, lacht, een overdreven brede lach. En ik kijk naar die mond, zie een dode bruine voortand, en ik denk: hij is nog steeds goed voor in elk geval een kop koffie.

Hij zit op het bankje naast me. Ik moet het kwijt, zegt hij, en hij kijkt mij aan alsof hij toestemming vraagt. Ja? zeg ik.

Ik ben vader geworden, zegt hij, met een grote grijns. Ik kan er niet over uit. Ik ben net vader geworden van een dochter. Zeven pond en 220 gram!

En dan is het twaalf uur, en de man die net vader is geworden, is zijn familie aan het bellen. Hij praat hard, zeven pond en 220 gram, maar hij heeft het zelf niet in de gaten. En zonder dat ik het in de gaten had, is ook het andere bankje inmiddels bezet. Ik leun voorover om ze te bekijken: twee vrouwen en een man, alle drie happend uit een broodje gezond of zoiets, het ene been over het andere geslagen, met aan de uiteinden witte bungelende ziekenhuisklompen. Daarna komen er nog twee vrouwen aan, een gaat naast mij zitten, ze heeft waanzinnig leuke schoenen. De ander (op Crocs!) neemt plaats naast de man die net vader is geworden. Nu is alles hier vol.

Maar er komt nog iemand, een blonde vrouw, kort recht afgeknipt haar, slecht zittende spijkerbroek. Ze heeft een kubusje van aluminiumfolie in haar mollige handen, verder niks. Aarzelend kijkt ze om zich heen, zoekend naar een plekje, maar alleen naast de zwervers is nog plaats en daar wil ze niet. Dus gaat ze zitten op de betonnen sokkel van het monument. Ze vindt het zichtbaar ongemakkelijk om zo het middelpunt te zijn. Iedereen kijkt toe hoe ze het aluminiumfolie van haar lunchpakketje openpeutert, wat niet meteen lukt. Uiteindelijk komen er witte boterhammen te voorschijn, vleeswaren en iets van sla.

Dus. Dit zijn de feiten voor vandaag. Ik heb hier weinig meer te zoeken. Een student met een tekenmap komt voorbij. Al lopend haalt hij een eierkoek uit een doorzichtig zakje. Ik ga hem achterna denk ik, richting de plek waar ik mijn fiets heb neergezet. Ik klem mijn boek al onder mijn arm.

Maar dan!

Een meisje en een jongen, ze komen aan­lopen. Ze zijn een stel; een jong, mooi, zwart koppel. Aan hun lichamen kan je zien dat ze van elkaar houden. Zij hangt met haar arm aan zijn middel. Hij heeft een reisgids in zijn hand. Ze wijzen naar het monument met de blijdschap van een toerist die constateert dat het boekje klopt.

Ze lopen eromheen, nog steeds wijzend, benoemend wat ze zien. Ze worden er steeds enthousiaster over, hun stemmen schallen over het daarvoor zo rustige gedeelte van het park. Nu klimmen ze zelfs op de sokkel, ze vlijen hun wang tegen het sombere houtsnijwerk alsof het een dier is van een kinderboerderij. De obese man heeft zijn _Dynabite-_folder laten zakken, de man die net vader is geworden wacht even met het bellen van het volgende familielid. Iedereen op de bankjes kijkt, probeert te zien wat deze toeristen zien.

Op de sokkel staat een groep gebogen mensenfiguren op bijna ware grootte, ze hebben ketenen om handen en voeten, ze zitten aan elkaar vast. In het midden loopt een iets grotere man overdreven rechtop door een poort, zijn handen in de lucht. De voorste houten man is gigantisch, hij steekt zijn buik vooruit als iemand die fanatiek aan yoga doet. Zijn borst, hoofd en handen hellen onwaarschijnlijk ver achterover.

De twee toeristen bekloppen het hout van de poort, ruiken eraan, zoenen het. Dan beginnen ze al die houten figuren te omhelzen, geen een slaan ze over.

Ze hebben ze allemaal gehad. Nu willen ze het monument op de foto zetten, het hele ding, maar dan niet met die blonde vrouw erbij. Ze vragen of de blondine die al bedeesd omkijkt naar het opgewonden gedoe achter haar rug, even van de sokkel af wil gaan.

De blonde vrouw pakt haar brood en staat onmiddellijk op. Ze doet een paar stappen opzij, wacht beleefd tot de twee klaar zijn.

Verder weg, gebaart het zwarte meisje. ‘Sorry, but can you go a little further?’

‘Of course’, zegt de blondine met een hoofd dat snel roder wordt. Ze loopt helemaal tot tegenaan de bosjes.

De foto is gemaakt, nu nog een op zijn kant, en dan nog een met een ander toestel. Geduldig wacht de blonde vrouw tot het allemaal voorbij is. Ten slotte neemt ze haar plek weer in. Al die tijd heeft ze niet van haar boterham gegeten, nu neemt ze een flinke hap. Een stuk augurk rolt op de grond. Ze raapt het op, houdt het even besluiteloos tussen haar vingertoppen, legt het daarna naast zich neer op het beton van de sokkel.

Even lijkt het alsof de twee hier klaar zijn, maar de zwarte jongen klimt opnieuw op het beton. Hij gaat voor de voorste figuur staan. Hij strekt zijn armen, gooit zijn hoofd in de nek en brult: ‘I am free! I will never be a slave. I always will resist!’

‘AMEN!’ schreeuwt het zwarte meisje. Ze wil dat haar vriend het nog een keer roept, dan maakt ze er een filmpje van met haar iPhone. De jongen doet het met alle plezier, borst vooruit. ‘I am free’, brult hij. ‘I will resist!’

Het staat erop, maar het meisje is nog niet helemaal tevreden. Ze kijkt naar de blondine, de blondine vangt haar blik. Langzaam gaat ze staan, ze pakt opnieuw haar pakje brood op. Ze kijkt nog even naar het stuk augurk, maar dat laat ze op de sokkel liggen.

Het zwarte meisje ziet het, ze fluit even kort op haar vingers, wijst gebiedend naar de augurk. De blondine loopt met trage passen terug naar het monument. Ze pakt de augurk op en zwiept hem met een onhandige zwaai in de bosjes.

En ik loop als het tweetal weg is langs de mensen met die touwen aan hun voeten. Dat achterste meisje heeft staartjes in d’r haar.

Vind je het gek, denk ik, terwijl ik mijn fietsslot openmaak. Vind je het gek dat je nooit een knappe dokter ziet. Je mag wel eens naar dat ziekenhuis voor fucking nieuwe ogen.


*Volgens een Belgisch onderzoek is een zwetende brandweerman de ultieme seksfantasie van de vrouw en komt de knappe dokter op de vierde plek. Daartussen zitten nog de dappere soldaat en de sexy zakenman. Voor Nederland kon ik zo’n studie niet vinden.


Zomerschrijvers 6

Zes jonge schrijvers trokken op ons verzoek het land in. We vroegen ze een literaire reportage die inzicht geeft in het Nederland van nu. Na Martijn Simons, Merijn de Boer, Bart Kouba, Ivo Victoria en Philip Huff sluit Franca Treur nu de rij. In 2009 ­debuteerde zij met de roman Dorsvloer vol confetti.

* * *
Beeld: Roger Cremers