Wielerjournalistiek onder vuur

Knechten en kopmannen

21 november 2012 - Nu de wielersport zichzelf te grabbel gooit door een eindeloze stroom dopingverhalen lijkt de wielerjournalistiek eveneens aan geloofwaardigheid in te boeten. Zijn het echt allemaal fans, die hun helden niet afvallen?

Guus van Holland (64), sportjournalist in ruste, haalt een oud vooroordeel over zijn beroepsgroep aan: ‘Ze zeggen, als je niets kunt, dan word je journalist. En als je zelfs dat niet kunt, dan word je maar sportjournalist.’

Van Holland grijnst. Op zich een amusant oordeel, vindt hij, als er maar niet zo’n hardnekkige minachting voor zijn vak uit zou spreken. Hij heeft het zijn hele werkzame leven te horen gekregen van zijn ‘serieuze’ collega-journalisten: sportjournalisten zijn amateuristische liefhebbers, die schrijven maar wat.

Nu krijgt zijn beroepsgroep weer onder uit de zak, van lezers, columnisten en een enkele hoofdredacteur van een landelijke krant. In het bijzonder wielerjournalisten wordt een fundamenteel gebrek aan doortastendheid verweten. Het definitieve bewijs hiervoor vinden de critici in het onderzoek dat het Amerikaanse usada (United States Anti-Doping Agency) verrichtte naar zevenvoudig Tour de France-winnaar Lance Armstrong. Het lijvige onderzoeksrapport dat usada afgelopen oktober publiceerde, schetst het beeld van Armstrong als spil in het meest uitgekiende dopingprogramma ooit, dat met intimidatie en omkoping in stand werd gehouden.

Hoe heeft dit aan de aandacht van de wielerjournalistiek kunnen ontsnappen? Omdat de beroepsgroep wordt gekenmerkt door ‘een mix van onkunde, luiheid en gebrek aan nieuwsgierigheid’, oordeelde columnist Max Pam in HP/De Tijd. Omdat het ‘fans with typewriters’ zijn, concludeerde de Ier David Walsh, een van de weinige wielerjournalisten die van begin af aan Armstrong van dopinggebruik beschuldigde. Hoofdredacteur van NRC Handelsblad Peter Vandermeersch vroeg zich in een blog af of de wielerjournalistiek al die jaren alles heeft gezien en gehoord, maar ervoor koos om te zwijgen, omdat de liefde voor de sport uiteindelijk groter was dan de journalistieke plicht van waarheidsvinding.

Van Holland versloeg het wielrennen van 1976 tot 1992, respectievelijk voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij deed het naar zijn beste kunnen en zo kritisch mogelijk. Daarom maakt de kritiek hem ook zo boos. In het Leidse café Van der Werff schetst hij de verwording van de sportjournalistiek, die begint bij de oude Grieken. Dichters als Pindarus hadden de taak atletische sporthelden te eren in zegezangen. Prestatie verhogende middelen waren er toen ook al, in de vorm van magische kruiden en oliën, maar heeft toen ooit iemand het de dichters kwalijk genomen dat ze daar niet een vers of twee aan wijdden? Van Holland slaat enkele eeuwen over: begin twintigste eeuw, kranten organiseren wielerkoersen en mikken op een zo hoog mogelijke oplage door meeslepende heldenverhalen te schrijven over de prestaties en ontberingen van de renners. Van de wielerjournalisten in dienst werd evenmin verwacht dat ze tegels gingen lichten. Doping, een corrumperend monster dat het zuivere wielrennen kapot maakt? Niemand die er toen zo streng over oordeelde.

Op zijn blog (guusvanholland.com) beschrijft Van Holland hoe hij geïntimideerd werd als hij het wél waagde om doping aan te roeren. Dreigtelefoontjes, werkobstructie, fysiek geweld. Hij maakte daar nooit melding van. Had hij dat wel moeten doen om in ieder geval een vermoeden te geven van de schaduwkanten van het wielrennen? Misschien wel. Maar dan komt hij weer uit bij zijn taakopvatting. Hij was allereerst de chroniqueur van een sport die hij intens lief heeft. Hij was geen onderzoeksjournalist en ook geen aanklager. Hem is ook nooit gevraagd om zich gedurende een langere periode louter te wijden aan dopingperikelen. De sensationele wedstrijd van vandaag moest de volgende dag in een net zo sensationeel verslag in de krant staan. Elke dag weer.

In kranten, op tv en op internet wezen andere wielerjournalisten er net als Van Holland op dat onderzoeksjournalistiek niet hun eerste plicht is. Media maken er ook zelden budget voor vrij. Daarnaast is de kritiek oneerlijk omdat dopingpraktijken nauwelijks te achterhalen zijn vanwege een strikt nageleefde omerta in de wielersport. Andere journalisten dan wielerjournalisten hebben ook geprobeerd het dopinggebruik bloot te leggen en faalden.

‘Ach, doping’, zegt Van Holland. Hij maakt een wegwerpgebaar. Hij is maar wat blij dat zijn muzikale helden – Jimmy Hendrix, The Rolling Stones – geregeld een pilletje achterover sloegen, want het hielp ze de hoogste toppen van muzikale expressie te bereiken. Is dat ook vals spel? Hij vindt dat de werking van doping in de sport schromelijk wordt overschat. Het heeft maar een minimaal aandeel in de uitzonderlijke prestaties van Lance Armstrong. Zelfs zonder prestatie bevorderende middelen steekt hij boven zijn collega’s uit in training, atletisch vermogen, mentaliteit en innovatiedrang. Acht van de tien renners gebruiken doping, ze beginnen dus met dezelfde voordelen.

Van Holland had stiekem bewondering voor wat de renners uit het zicht van de media en dopingcontroleurs allemaal uitspookten. Het draagt bij aan het mythische karakter van wielrennen. Als je als journalist een wereld binnenstapt waarin doping een natuurlijk en historisch onderdeel van de sport uitmaakt, dan beschouw je het niet direct als je taak om er de bezem doorheen te halen. Op 7 november schreef Van Holland een nieuwe blog waarin hij in de huid kruipt van een fictieve profwielrenner die tot dopinggebruik overgaat. Commerciële belangen, hooggespannen verwachtingen van familie en vrienden, van landgenoten – dat is de immense druk waaronder een sporter moet presteren, zo wil Van Holland ons duidelijk maken. Hierom grijpt de sporter naar doping. Het is de logische consequentie van topsport.

‘Ik was tijdens mijn carrière op een gegeven moment de fase voorbij dat ik met het vingertje ga wijzen als iemand de regels overtreedt. Ik kan mij heel erg met sporters identificeren. Dan kun je wel zeggen: dat mag niet, je moet als journalist te allen tijde kritisch zijn, maar dat zit er gewoon bij mij niet altijd in.’

Een generatiegenoot van Van Holland is Evert de Rooij (60 jaar), wielerjournalist en voormalig hoofdredacteur van het maandblad Wieler Revue. Zijn generatie overziend komt hij uit op één woord: het Engelse ‘permissiveness’. Toegeeflijkheid. Zij waren toegeeflijke wielerjournalisten. Het maakt ze tot typische kinderen van hun tijd. Babyboomers. Groot geworden in de vrijgevochten jaren zestig en zeventig. Rock-’n-roll. Vrije seks. Een stickie op z’n tijd. ‘In die situatie moet een soort toegeeflijkheid zijn ontstaan: waarom mogen wielrenners niet zelf uitmaken wat ze met hun lichaam doen?’

Zijn generatie had net de verstikkende jaren vijftig achter zich gelaten. Ze wilden niet de strenge bewakers zijn van ethische en morele grenzen. En er is vóór alles de liefde voor de sport. Die maakt een permanent kritische distantie onmogelijk. De Rooij memoreert een persconferentie die hij in 2004 tijdens de Tour de France bijwoonde. De kritische Ier David Walsh vroeg Armstrong weer op de man af of hij doping gebruikte. De Rooij kromp ineen van ergernis. Andere journalisten ook. ‘Eikel’, dacht De Rooij. ‘Armstrong heeft ons in de luren gelegd. Iedereen wilde weer in het sprookje van het wielrennen geloven, zeker na dopingaffaires daarvoor. De meeste journalisten hebben wel geweten hoe de vork ongeveer in de steel zat bij Armstrong, maar mede door die permissiveness van ons hebben we ons in slaap laten sussen.’

De Rooij kan ver meegaan in de argumenten die wielerjournalisten ter zelfverdediging aanvoeren. Ze zijn inderdaad in beginsel geen onderzoeksjournalisten, er is inderdaad zelden tijd en budget voor doorlichting van de sport, en ze hebben inderdaad te maken met een cultuur van zwijgplicht en intimidatie. Maar als wielerjournalisten eerlijk zijn, dan moeten ze toegeven dat ze heel lang maar weinig tegengas gaven. Vooral zijn generatie, de permissieve wielerjournalisten, kan het zichzelf aanrekenen dat ze niet altijd een eerlijke wielersport heeft proberen te waarborgen. ‘Bij Wieler Revue richtten we ons vooral op de Nederlandse wielersport; 1990 en 1991 waren topjaren voor de Nederlandse wielerploeg PDM-Concorde. Er deden verdachte verhalen over hen de ronde. We hebben er ook wel naar gevraagd. Maar uiteindelijk was de chauvinistische euforie over hun prestaties groter dan het wantrouwen.’

Het is niet allemaal toegeeflijke liefhebberij. Vooral bij de jongste lichting wielerjournalisten merkt De Rooij een strengere taakopvatting. Ook zij zijn kinderen van hun tijd. Het is de generatie van na 9/11, toen volgens De Rooij een restauratie van strenge waarden intrad. Hij noemt Raymond Kerckhoffs van De Telegraaf, Mark Misérus van de Volkskrant. De tijdgeest is minder coulant voor drugsgebruik en gesjoemel – en heeft een navenante invloed in de sportjournalistiek.

‘In de eerste plaats ben ik sportjournalist’, zegt Mark Misérus in de koffieruimte van het Amsterdamse pcm-gebouw. ‘In de tweede plaats ben ik ook sportjournalist. Pas op de derde plaats ben ik wielerjournalist.’ Misérus maakt een zakelijker indruk dan zijn oudere collega’s. Die kunnen verliefd vertellen over de waanzinnige dingen die ze in het wielrennen hebben meegemaakt. Misérus zegt dat hij er geen nacht slechter van zou slapen als hij morgen niet meer over wielrennen zou schrijven. ‘Ik voel natuurlijk wel een bepaalde betrokkenheid bij het wielrennen, maar dat is omdat het mijn winkeltje is. Ik heb vroeger ook nooit op een fietsje gezeten en gedroomd dat ik Michael Boogerd of Erik Dekker was. Ik sta op grote afstand van het wielrennen. Nog steeds. Misschien is die afstand na het laatste dopingschandaal alleen maar groter geworden.’

Hij is beïnvloed door de huidige perceptie van doping. Het is een crimineel vergrijp. Hij is ook geen romanticus, geen schrijver van hagiografieën over wielrenners. Zo’n begripvolle blog als Guus van Holland schreef over een fictieve wielrenner die naar doping grijpt, is voor Misérus een hellend vlak. Het lijkt te veel op vergoeilijken. Doping blijft gewoon tegen de regels.

Misérus maakte in 2004 een niet alledaagse overstap van de parlementaire journalistiek naar de sportjournalistiek. Zijn allereerste Tour de France versloeg hij in 2006, het jaar waarin een nieuw dopingschandaal losbarstte, nu rond Spaanse renners. Het werd een vormende ervaring. ‘In de winter van 2011 begon ik met een onderzoek naar de Rabobank-ploeg. Het heeft een half jaar geduurd, waarvan drie maanden fulltime. In het resulterende artikel heb ik aangetoond dat doping binnen de Rabobank-ploeg tussen 1996 en 2002 werd getolereerd. Zo’n onderzoek is nog nooit eerder gedaan in het Nederlandse wielrennen.’

Hij gelooft dat de generaties wielerjournalisten die hem voor gingen toch iets meer liefhebber waren dan kritische volger. Er zit dan ook wel een kern van waarheid in de recente kritiek die zijn beroepsgroep treft. Er waren inderdaad veel journalisten die dicht bij Lance Armstrong stonden en hem liever ophemelden dan scherp bevroegen. Uit kritiekloze adoratie, en uit angst om uit de gratie van een kampioen te vallen. ‘Maar wat niet klopt is wat Peter Vandermeersch beweert, als zouden wielerjournalisten alles gezien en gehoord hebben en het toch voor zich hebben gehouden. Dat de dopingpraktijken van Armstrong nu in alle volledigheid naar buiten komen is omdat renners onder ede moesten getuigen. En dat is natuurlijk een ultiem middel dat journalisten niet hebben.’

Hoe nu verder in de wielerjournalistiek? Misérus heeft het er onlangs nog met zijn collega’s over gehad. Het usada-rapport kan niet zonder gevolgen blijven voor hun berichtgeving. Maar moeten ze nog zuurder en kritischer worden, op het gevaar af dat ze niets van het plezier in sport op de lezer kunnen overbrengen? Ze zijn er nog niet uit. Het duurt nog een paar maanden voordat het wielerseizoen losbarst. Misérus hoopt dat wielerjournalistiek de komende tijd aangrijpt voor introspectie. Waar wel alvast wat in kan veranderen is de uitzinnige ophemeling van renners en de wielersport. Er verschijnen naar zijn smaak nog te veel jubelverhalen.