Essay Pleidooi voor een sentimentele politiek

Knellende familiebanden

Onze medeburgers zijn niet onze familieleden. Toch moeten we het belang van een ‘thuisgevoel’ onderkennen, zonder toe te geven aan het nativisme van Wilders.

DE AFGELOPEN TIJD heb ik me vaak afgevraagd waarom de eisers in het proces tegen Geert Wilders zo'n inadequate, onmachtige indruk maakten. Kwam dat alleen omdat het via de rechter vervolgen van een politicus misschien niet zo'n goed idee is? Ik denk dat er meer aan de hand is. Degenen die Wilders de afgelopen jaren binnen en buiten de rechtszaal hebben geprobeerd tegen te spreken, lijken zelden de kern van zijn betoog te raken. Laat ik me preciezer uitdrukken. Sommige getuigenissen in de rechtszaal waren zeker indrukwekkend en lieten goed zien hoeveel kwaad Wilders aanricht, maar op de een of andere manier doen de aanklachten gedateerd aan. Dezelfde onmacht gaat ook uit van het comité Nederland Bekent Kleur dat, hoe sympathiek ook in zijn mobilisatiepogingen, toch verrassend weinig mensen op de been weet te brengen tegen de PVV.
De aanklachten overtuigen niet omdat ze verkeerd geframed zijn. Wilders wordt aangevallen op ‘racisme’, er wordt geprotesteerd onder de banier van 'Nederland moet kleur bekennen’ en de protesten tegen de PVV worden op een lijn geplaatst met die naar aanleiding van de moord op Kerwin Duinmeijer in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Alsof discriminatie nog steeds primair een kwestie van kleur en ras is. Dat nu is zeer de vraag. Willen we begrijpen waarom Wilders een brede aanhang heeft gekregen en zijn argumenten ook resoneren buiten zijn partij, dan moeten we loskomen van de oude, al te vertrouwde termen, die geen recht doen aan het radicaal moderne karakter van het Nederlands populisme. Ook collega-wetenschappers die menen dat Wilders 'extreem-rechts’ is, missen naar mijn idee de kern van waar hij voor staat.
Kijken we naar het programma van de PVV, dan zijn op sociaal en economisch gebied nogal wat standpunten eerder als links dan als rechts te kwalificeren. Ook qua 'normen en waarden’ profileert de PVV zich vaak verrassend progressief: eindeloos pleiten PVV-Kamerleden voor homo- en vrouwenrechten. Wilders en zijn ideoloog Bosma mogen dan wel op de jaren zestig afgeven, de PVV is een directe erfgenaam van die periode, zowel inhoudelijk als qua stijl van politiek bedrijven.
Deze positionering van de populisten heeft als interessant gevolg dat bijna alle Nederlandse politieke partijen het met betrekking tot veel grote normatieve kwesties (rond seksualiteit, gender, het begin en het einde van het leven, drugs) sterk met elkaar eens zijn, veel meer dan partijen in andere West-Europese landen. Dat komt niet doordat links naar rechts is geschoven, maar doordat rechtse, christen-democratische én populistische partijen in Nederland een groot deel van de agenda van links hebben overgenomen. De vaak gehoorde suggestie dat zich een eenduidige 'verrechtsing’ heeft voorgedaan, lijkt me dan ook onjuist. Neem het voorbeeld van de 'roze’ kiezer die naar rechts zou zijn afgedwaald. Waarom stemmen homoseksuelen nu (ook) VVD en PVV? Blijkbaar is hun keuzemogelijkheid aanzienlijk verbreed nu rechtse en populistische partijen - maar ook CDA en ChristenUnie - op sommige ethische onderwerpen, zoals homoseksualiteit, progressiever zijn geworden.
Ik ben niet primair geïnteresseerd in de vraag waarom populistische partijen als de PVV dergelijke progressieve standpunten innemen - het zal best zo zijn dat opportunistische motieven daarin een rol spelen. Ik constateer slechts dat we geen greep krijgen op het populistische gedachtegoed door het af te serveren als extreem-rechts, alsof Janmaat en Wilders van hetzelfde laken een pak zouden zijn. En hetzelfde geldt voor het verwijt van racisme. Wilders kan veel verweten worden, maar racisme?
Wilders lijdt aan iets anders, namelijk 'nativisme’, het idee dat het land van de mensen is die er het langst wonen en dat nieuwkomers zich - omdat ze nieuw zijn - geheel moeten aanpassen, en anders moeten ze maar verdwijnen, terug naar 'huis’. Racisten denken dat (groepen) mensen fundamenteel verschillen op grond van aangeboren, fysiek zichtbare kenmerken, en de ene groep waant zich op grond van die kenmerken superieur aan de andere groep. Nativisten maken weliswaar ook hiërarchisch onderscheid en discrimineren er even lustig op los, maar niet op basis van aangeboren, fysieke kenmerken. Bij hen draait het om de cultureel 'vreemde’ afkomst van de nieuwkomers, die niet authentiek zouden zijn, want niet oorspronkelijk van de Nederlandse 'grond’. Wilders en de PVV suggereren voortdurend dat met name 'moslimmigranten’ er niet bij kunnen en mogen horen omdat ze wezensvreemd zouden zijn aan de Nederlandse cultuur, aan 'onze’ normen en waarden.
Ik beweer niet dat er geen (alledaags) racisme meer zou zijn, maar godsdienst lijkt vandaag de dag een belangrijker reden voor discriminatie dan kleur. Moslimmigranten, de groep waar Wilders zijn giftige pijlen vooral op afvuurt, zijn evident veel witter dan postkoloniale migranten. Fysiek zichtbare verschillen hebben hun politieke relevantie dan ook grotendeels verloren in Nederland. In plaats daarvan draait het nu om de vraag of een bepaalde religie - de islam - wel in Nederland 'past’. Dat betekent overigens niet dat Nederlandse Surinamers en Antillianen geheel en al 'autochtoon’ geworden zijn. Het diskwalificerende gebruik van de term 'niet-westerse allochtoon’ treft ook hen: ook zij zijn niet 'autochtoon’, nog niet écht van 'Hollandse grond’.
In het populistische nativisme worden twee groepen aangevallen vanwege hun gebrek aan 'nationaal karakter’. In de eerste plaats moslimmigranten die worden afgebeeld als 'vreemden’, of op z'n best als 'gasten’, die bij ons op bezoek zijn en zich als zodanig horen te gedragen. Dit betekent voor de populisten dat migranten zich horen te conformeren aan Nederlandse normen en waarden, niet per se vanwege de inhoud van die normen en waarden maar omdat het de waarden en normen zijn die in Nederland dominant zijn. En de langst ingezetenen, de autochtonen, bepalen in de nativistische logica nu eenmaal wat er in het land gebeurt.
In mijn nieuwe boek The Politics of Home laat ik zien dat deze gedachte uitgaat van de Nederlandse natie als een 'huis’. Het Nederlandse volk wordt voorgesteld als een hechte familie die het liefst niet door 'vreemd volk’ wordt gestoord. Juist omdat de natie als een family home wordt gezien, zijn afwijkend gedrag en deviante denkbeelden al snel problematisch. De ruimte voor verschil is buitengewoon klein in een land waar het volk zichzelf als één grote familie beschouwt.
De meeste politieke partijen, zeker niet alleen de PVV, zijn de afgelopen jaren deze taal van de huiselijkheid gaan spreken. Nederland is een huis waar een eensgezinde familie al eeuwen woont en deze familie heeft vanwege deze historische redenen recht op 'de grond’. Recentelijk heeft de familie haar eigen verleden nog eens opgepoetst met behulp van de canon. Dat was goed voor het zelfvertrouwen, want op deze manier konden de familieleden - met behulp van een geschiedenis waar moslimmigranten per definitie geen deel van uitmaken - als vanzelfsprekend hun aanspraak op 'hun’ land nog eens bekrachtigen.
In de ogen van populisten hebben zij die het huis bezitten, die hier 'thuishoren’, ook het recht om zich thuis te voelen. Dit idee dat Nederland een huis zou zijn waar gewortelde familieleden zich thuis zouden moeten kunnen voelen, is de kern van het nativistische verhaal: Nederland is van de echte ('hardwerkende’) Nederlanders, Limburg van de Limburgers en Friesland van de Friezen. En precies dat thuisgevoel zijn autochtonen kwijtgeraakt, zo luidt de klacht. Authentieke Nederlanders voelen zich niet meer thuis in hun eigen land, streek, stad of buurt; ze zouden 'vreemden in eigen land’ zijn.
Bevordering van thuisgevoel is sinds een aantal jaren ook officieel beleid in Nederland. De vorige regering had als expliciete doelstelling dat meer mensen zich in Nederland thuis moesten gaan voelen, terwijl de gemeente Amsterdam zelfs een target kende van twee procent toename van thuisgevoel per jaar. Let wel, die ambities waren gericht op bevordering van ieders thuisgevoel: van autochtoon én allochtoon. In de ogen van de populisten is dat echter onjuist, aangezien het thuisgevoel van de ene groep afhankelijk is van het gedrag en de opvattingen van andere groepen: autochtonen zouden zich minder thuisvoelen in Nederland vanwege de aanwezigheid van 'niet-echte’ Nederlanders. Vandaar dat de huidige, door de PVV gedoogde, regering een volgende stap heeft gezet: het gaat niet meer om de bevordering van ieders thuisgevoel, nee, Nederland moet worden teruggegeven aan de 'echte Nederlanders’. Deze gedachte spreekt ook uit het gedoogakkoord van dit kabinet, waar staat geschreven dat 'Nederland weer Nederlandser’ moet worden. Blijkbaar is er iets ontstolen, 'ons’ eigen huis is 'ons’ ontvreemd, 'ons’ thuisgevoel is teloorgegaan.
Uit deze formuleringen blijkt al dat thuisgevoel niet een erg inclusieve emotie is. Het importeren van thuisvoelen in de politiek is dan ook een hoogst riskante en brisante aangelegenheid. Je thuisvoelen doe je nu eenmaal niet met iedereen of overal - daarin hebben de populisten gelijk. Op individueel niveau is dat ook geen probleem. Maar wie een pleidooi houdt voor 'thuisvoelen in de natie’ suggereert daarmee onherroepelijk dat burgers ofwel sterk op elkaar moeten gaan lijken, ofwel dat sommige burgers buiten de natie vallen (namelijk degenen bij wie we ons niet thuisvoelen). Zo opgevat heeft thuisvoelen eerder een splijtende dan een samenbindende werking.

NIET ALLE POLITIEKE PARTIJEN delen deze opvatting van de natie als een huis, de gedachte dat burgers van een land warme gevoelens voor elkaar zouden moeten koesteren - en dus op elkaar zouden moeten lijken in opvattingen en gedrag. Met name D66 en GroenLinks hebben een andere, namelijk rechtsstatelijke opvatting over Nederland als natie: het draait voor hen bij het samenleven om in wetten vastgelegde rechten en plichten voor burgers. In deze optiek worden vooruitstrevende waarden op het gebied van onder meer gender en seksualiteit niet geapprecieerd omdat ze typisch Nederlands zijn, maar vanwege deze waarden zelf, die juist daarom ook een universele strekking zouden moeten hebben.
Nativisten kijken hier geheel anders tegen aan. Dat mensen in andere landen er andere waarden op nahouden, is in de populistische visie hun zaak en hun goed recht. In de PVV-logica hebben homogene volken recht op een eigen thuis, op een grondgebied, een Heimat, waarop ze zelf uitmaken welke gebruiken ze erop nahouden. Afrikaanse regimes mogen homoseksuelen slecht behandelen als homoseksualiteit door hen als een on-Afrikaanse levensstijl wordt beschouwd. Die stellingname - 'ieder volk zijn eigen thuis’ - is weliswaar consequent, maar ook opmerkelijk, want ze is radicaal cultuurrelativistisch (hét verwijt aan links in de laatste jaren).
Populisten staan dus niet principieel voor progressieve waarden. Zij verdedigen deze waarden primair omdat ze populair in Nederland zijn. Dit heeft twee opmerkelijke gevolgen. Zo moeten populistische partijen als de LPF, TON en de PVV zich identificeren met waarden waar ze tot voor kort nog helemaal niet zo enthousiast over waren. Niet voor niets is de aanhang van linkse partijen veel trotser op de dominante vooruitstrevende waarden in Nederland dan de aanhang van de PVV en, voorheen, die van Trots op Nederland. Dit alles leidt er, ten tweede, toe dat onder de vlag van 'progressieve waarden’ nu een intolerante politiek wordt gevoerd ten opzichte van nieuwkomers. Waar voorheen progressiviteit en tolerantie welhaast synoniem waren, daar wordt nu in de naam van progressiviteit weinig afwijking getolereerd.
De virulente pijlen van de populisten richten zich, behalve op moslimmigranten, ook op een 'linkse elite’ die al evenzeer vervreemd zou zijn van het 'ware’ Nederland. Deze elite zou haar blik niet op Nederland maar op de wereld richten. 'Kosmopolieten’ is in het nativistische betoog een scheldwoord, want wereldburgerschap verraadt de noodzakelijke trouw aan de nationale grond en aan het eigen volk. Dat verraad wordt belichaamd door de instroom van migranten, hier naartoe gehaald - zo denkt de PVV - door dezelfde elite.
De twee 'ontwortelde’ groepen - migranten en de linkse elite - zorgen er gezamenlijk voor dat de 'gewone’, 'hardwerkende’ Nederlander zich niet meer thuisvoelt in 'eigen’ land. De ontwortelde groepen hebben dus een ontwortelend effect op degenen die zich hier zouden mogen thuisvoelen omdat zij hier thuishoren.
ONDERDELEN VAN HET NATIVISTISCHE VERHAAL spreken breed aan; met name de gedachte dat bepaalde groepen prioritair recht hebben op 'de’ grond heeft een soort van intuïtieve redelijkheid. Laat ik een paar voorbeelden geven. Talloze linkse activisten zetten zich in voor zogenaamde 'inheemse volkeren’. Nu valt daar allicht iets voor te zeggen, omdat aboriginals en indianen groot leed is aangedaan. Het gaat hier echter om de motivering: ze zouden recht hebben op de grond omdat ze er als eerste waren, ze zouden 'inheems’ zijn aan het land, ze zijn de ware autochtonen… En niet alleen ver weg delen progressieven in het nativistische gedachtegoed. In Nederland was 'bouwen voor de buurt’ een populair adagium ten tijde van de stadsvernieuwing in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. En op het Nederlandse platteland is het al helemaal vanzelfsprekend dat de grond van de gezeten bevolking is en van hun kinderen. Dat is vaak zelfs officieel beleid: als er nieuwe huizen gebouwd worden, dan toch uitsluitend voor familie uit het eigen dorp. Waar racistisch onderscheid - in de zin van discriminatie op grond van biologische kenmerken zoals huidskleur - tegenwoordig door zeker negentig procent van de Nederlanders zal worden afgewezen, ligt dat voor het nativistische gedachtegoed dus een stuk minder eenduidig. Zelfs tweede-generatiemigranten verweren zich tegen Wilders met behulp van het nativistische argument dat hij hen niet mag uitsluiten omdat zij hier 'geboren en getogen’ zijn. Mag hij hun ouders, die immers van elders zijn gekomen, dan wel uitsluiten? Nativistische argumenten spreken enorm aan - en dat kunnen we maar beter onder ogen zien, al was het maar om de populariteit van de populisten beter te begrijpen.
Bas Heijne heeft er de afgelopen jaren herhaaldelijk op gewezen dat rechtsstatelijke redeneringen à la D66 en GroenLinks geen adequaat weerwoord zijn op de emotionele argumenten van Wilders en de zijnen: wetten zijn koud, terwijl thuisgevoel warm is. Heijne heeft gelijk: progressieve partijen hebben te weinig onderkend dat burgerschap, ingezetene zijn van Nederland, ook een affectieve kant heeft. Burgerschap was voor links toch vooral juridisch, politiek en sociaal, niet cultureel, laat staan emotioneel. Nu de populisten de affectieve kant effectief weten te exploiteren, staat links met lege handen.
Maar wat zou het antwoord moeten zijn: meegaan in de nativistische gedachte dat het 'eigen volk’ altijd eerst komt? Het lijkt me dat progressieven moeten vasthouden aan de gelijke behandeling van iedereen die legaal in Nederland verblijft, ongeacht waar ze oorspronkelijk vandaan komen of welke religie ze aanhangen. Maar is dat voldoende? Nee, links zal ook de behoefte aan belonging serieus moet nemen - maar dan wel ieders behoefte aan thuisgevoel. Juist wanneer we onderkennen dat thuisgevoel voor iedereen zo'n existentiële emotie is, is het onrechtvaardig om de behoefte aan thuisvoelen van de ene groep of het ene individu zwaarder te laten wegen dan die van een andere groep of het andere individu. Een gelijk moreel recht op thuisgevoel verplicht ons ertoe dat we allemaal gevoelig moeten zijn voor de vraag wat maakt dat ook anderen zich in Nederland thuis kunnen voelen.
Op die manier ingezet, kan thuisgevoel - losgekoppeld van het nativistische idee dat één groep het exclusieve, historische recht op de grond heeft - bijdragen aan een betere onderlinge verstandhouding. Maar dan is de natie dus niet meer een klam huis en hoeven we ons niet meer te gedragen als één grote familie die elkaar voortdurend op de huid zit, opmerkingen maakt over elkaars kleren (hoofddoek af!), begroetingsrituelen (handen schudden moet!) of de bereiding van voedsel (slachten doen we hier zo!). De natie is geen huis, onze medeburgers zijn niet onze familieleden. Maar we voelen ons wel bij elkaar betrokken; we willen dat iedereen zich, zo veel mogelijk, thuis kan voelen, ook de populist.
Deze 'sentimentele politiek’ onderkent het belang van emotioneel burgerschap, zonder toe te geven aan nativisme. Dat is niet per se een gemakkelijk verhaal. En het is zeker niet eenvoudig om de straat op te gaan tegen nativisme en voor het gelijke recht op thuisgevoel. Daarmee vergeleken was het oude antiracisme van een aantrekkelijke eenvoud. Maar let wel: van een ogenschijnlijk aantrekkelijke eenvoud, want de populistische geest kan niet effectief onder de banieren van het antiracisme worden bestreden. Hoogste tijd dus om het nativisme principieel aan de kaak te stellen, en niet alleen in Nederland. Het nativisme heeft zich in talloze Europese landen gemanifesteerd, van Finland voor de echte Finnen, via Denemarken voor de echte Denen, tot Frankrijk voor de echte Fransen. En zelfs in het immigratieland bij uitstek, de Verenigde Staten, manifesteert de Tea Party zich met anti-immigrantenleuzen (latino’s die worden beschimpt als 'illegal aliens’).
Het goede nieuws wat betreft de Verenigde Staten is dat ook daar het racisme (iets) aan de verliezende hand is: Obama wordt niet bestreden omdat hij zwart is maar - en dat is het slechte nieuws - omdat hij 'on-Amerikaans’ zou zijn. Zo zou hij zijn geboortepapieren hebben vervalst, zou hij bijna zijn hele leven buiten Amerika hebben gewoond, en stiekem een moslim zijn. Natuurlijk ligt écht nativisme in de Verenigde Staten ingewikkeld, want historisch gesproken hebben witte Amerikanen niet zo veel recht van spreken, juist gelet op wat er met de native Americans is gebeurd. Maar het cultureel definiëren van wat het is om Amerikaan te zijn, en de haat tegen de liberale elite, dat zijn twee kenmerken van de Tea Party die we ook van het Europese populisme kennen.
Misschien is er één troost. Mijn Amerikaanse collega’s houden me althans voor dat nativisme minder erg is dan racisme, want uiteindelijk worden ook de nieuwkomers natives, terwijl zwarten nooit wit worden. Je bent meer of minder native, het gaat bij nativisme om een gradueel en niet om een zwart-wit-verschil. En als je dan bedenkt dat Nederlands-Marokkaanse vrouwen de langstzittende bewoners van Amsterdam zijn, dan is er misschien toch nog hoop.


Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde recent The Politics of Home: Belonging and Nostalgia in Western Europe and the United States, Palgrave MacMillan. Dit essay verschijnt ook in Socialisme & Democratie