Menno Heurenkamp

Kniebroek

Het was, om zijn eigen woorden aan te houden, een «prachtig» betoog. De publicist Pieter Hilhorst zette afgelopen zaterdag in de Volkskrant uiteen dat hij een «kortgebroekte» denker was. Iemand die niet op gewichtige grotemensentoon veronderstelt dat álle politiek machtsbelust is. Die niet denkt dat al het menselijk streven wortelt in het kwaad. Maar iemand die wars van cynisme op zoek gaat naar de kleine verschillen tussen politici. Was «kortgebroekt» oorspronkelijk een verwijt van iemand die Hilhorst een naïeve padvinder vond, de schrijver pakt het op als compliment. Hij pleit ervoor je af te vragen of je in het dagelijks leven zoekt naar bevestiging van je eigen vage vermoedens of dat je met onbevangen blik probeert je eigen intuïties te weerleggen. In dit weerbarstige politieke tijdperk is dat een gezonde redeneertrant, een nieuwe intellectuele stroming waardig, compleet met vertakkingen.

Zo zag ik mezelf, vanwege jarenlange knickerbocker- en zelfs Lederhosen-dracht, direct als een kniegebroekt denker. Als de échte padvinder, onbevangen maar met een bruin randje? Nee – kniegebroekt denken drukt het genieten van de warmte van je vooroordelen uit. Natuurlijk is het ónzin dat vrouwen uit religieuze overwegingen met hoofddoekjes lopen. Je verbergen omdat anderen aanstoot aan je kunnen nemen drukt een hopeloze onderdanigheid uit. In Amsterdam-West zie je meer hoofddoekjes dan in Tanger! We moeten die vrouwen hélpen! Tot zo ver voel ik me verrukkelijk geëmancipeerd. Maar ja, als je meisjes spreekt die thuis niet verklappen dat ze op straat met een hoofddoek lopen, wat doe je dan nog? Waar is dan de door burqa bashers verfoeide dwang? Met opgewekte ergernis geef ik toe dat «onze normen en waarden» niet helpen om het geval-hoofddoek op scherp te zetten. Er zijn genoeg religieuze uitingen in ons publieke domein, laat staan merkwaardige klederdracht, zoals skaters in tanga’s en profes soren in spijkerbroek.

Kniegebroekt denken betekent nooit te beroerd zijn om op een vooroordeel terug te komen, integendeel. (De Poolse vakbondsleider Lech Walesa in zijn hoogtijdagen: «Ik ben vóór. Sterker nog, ik ben tégen.») In een eerder stadium maakte ik me zorgen over hoe moslims over joden dachten. Rondreizen in Noord-Afrika had me niet optimistisch gestemd. De vele ongevraagde mededelingen over de slechtheid van «de joden» waren zo onthutsend dat ergernis en verwondering elkaar verdrongen. Van onnozelheid als verklaring wilde ik niks weten: dit was haat. Inmiddels heb ik hetzelfde idee wanneer ik Theodor Holmans stukken in De Groene over moslims lees. Hij schrijft: «Ik heb een hekel aan dat kleinzielige geloof waar ik nauwelijks schoonheid en liefde in kan ontdekken.» Holman is boos omdat zijn vriend Van Gogh vermoord is, en terecht. Maar als ik dat een excuus vind om redeloos te generaliseren, moet ik ook alsnog die jongens uit de Sahara onschuldig verklaren vanwege hun kansloze en treurige bestaan. Bij deze.

Wat heb je aan kniebroek-begrip voor meerdere standpunten? Veel. Steeds meer bedrijven schrijven een uniform voor, met hoofddoek van eigen ontwerp of juist verplicht zónder hoofddoek. Scholen overwegen een schooluniform. Onze vrijheid was blijkbaar te groot, nu wordt-ie ingeperkt. Schande! Maar gaat die uniformeringsdrang eigenlijk alleen om het hoofddoekje, of zijn we langzamerhand ook allerlei andere kledingfratsen beu? Ik verheug me erop boos te constateren dat zo ook het naveltruitje uit het klaslokaal verbannen wordt.