Het regende, dat weet ik, die eerste keer op weg naar de Sint-Nicolaas in 2016. Ik trok het regenpak aan en ging op de fiets naar de Amsterdamse kerk. Aan dat regenpak had en heb ik een gruwelijke hekel, nog steeds. Jarenlang vond ik dat ik me moest laten natregenen, omdat de esthetische bezwaren tegen pofbroek en fladderende cape groter waren. Maar ik zou naar de kerk, dat had ik met mezelf afgesproken, en trouwens ook met een krant, want ik ging er meteen maar verslag van doen.

Een man gaat na zo’n veertig jaar voor het eerst weer naar de kerk, alleen – niet om iemand de laatste eer te bewijzen, geen noemenswaardige, familiare redenen. Ik ging om te bidden en te zingen, en vooral toch om er te zijn. Die man zal daar later een stukje over schrijven (voor Trouw, in dit geval). Dat is niet vanzelfsprekend, er zijn vast meer mensen die na lange afwezigheid de kerk weer bezoeken, maar achteraf ben ik blij dat er ook zoiets bestond als een journalistieke noodzaak. Prachtig alibi, ik ging naar de kerk omdat het toch ook bij mijn werk hoorde, en de deadline was al afgesproken.

En toen werd ik zelf gefilmd, het ‘schampschot’ waarin ik me later, thuis, achter de desktop, in Uitzending Gemist kortstondig herkende. De observant wordt zelf geobserveerd. Ik kon mezelf op heterdaad betrappen.

En er was schaamte, meteen al toen ik de kerkdeur door ging en via het tochtportaal ineens in die grote religieuze ruimte stond, die ik alleen van de buitenkant kende. Ik moet honderden keren langs de Sint-Nicolaaskerk in Amsterdam zijn gelopen en gefietst, zeker in mijn studentenjaren toen ik er om de hoek woonde, op de Zeedijk.

Ik was binnen en ik werd gevolgd, achtervolgd zelfs, door mijn eigen wantrouwige zelf. Wat deed ik hier, wat zocht ik, wat dacht ik nou helemaal te vinden? En wat te maken van die aanstellerige gewoonte, die zich al maanden daarvoor had gevormd, om op zondagochtend naar missen te kijken, uitgezonden door het Rooms Katholiek Kerkgenootschap (rkk) op tv, soms vol afgrijzen, als de zelfgenoegzaamheid en het triomfalisme me te veel werden, maar vaak toch ook geboeid: ik bleef vaak besluiteloos hangen, keek naar de kerkgangers die in een rijdend shot gefilmd werden, en ik probeerde me voor te stellen dat ik daar zat. Zo’n willekeurige, anonieme gelovige. Kon je het eigenlijk zien aan de kleren van de mensen, dat gelovige? Altijd gedacht dat ik ze er moeiteloos zou uitpikken, maar nu zag ik: lang niet altijd.

De schaamte bij binnenkomst in de kerk, zo zonder kunsthistorische of toeristische reden, had te maken met mijzelf en met mijn vrienden en bekenden en met al diegenen in wier ogen ik graag gunstig word weerspiegeld. Die kerkgang, hoorde ik het koor der kennissen honen, was geen opsteker. Eerder een teken van zwakte; ging ik uiteindelijk toch door de knieën voor de hocus pocus van de godsdienst, van de rooms-katholieken nota bene. Kan kennelijk niet leven zonder een hemels beetje troost. Niet zo autonoom, niet erg onafhankelijk.

Zoals bijna altijd was mijn zelfkritiek bij voorbaat narriger dan de kritiek van derden, wanneer ik ze voorzichtig vertelde over ‘mijn religieuze neigingen’. De meeste mensen hebben wel wat anders aan het hoofd dan iemand anders. Een paar vrienden keken ervan op, één of twee reageerden afkeurend, er waren er die het zwijgen ertoe deden en dat was zo ongeveer het gehele tribunaal dat ik doorstond.

Ik was vooral mijn intellectuele, agnostische zelf zo tegengevallen.

Schaamte vooral, omdat ik ging buigen, knielen zelfs voor het ‘irrationele’: want er valt al redenerend geen sluitend godsbewijs rond te breien, hoe vaak het door de eeuwen heen ook is geprobeerd. God is geen wetenschap, hooguit is het systematisch denken over God wetenschap, want theologie. In principe hoeft een theoloog niet gelovig te zijn, maar ik stond dus op het punt mij te bekennen tot het geloof, niet omdat ik dat verstandig of juist vond, maar omdat ik op een punt was gekomen in mijn leven dat het verloochenen van het geloof een onleefbare leugen zou betekenen. Het Godsbesef was sterker dan de Rede, al hing rond God schaamte – een vijftiger die zich met meer dan een half leven achter de rug dan toch geroepen voelt.

Aansteller.

Na mijn dertiende is het geloof bij mij weggezakt – ik zoek naar een niet-dramatische omschrijving, omdat er geen sprake was van een scherpe breuk, maar veel meer van een langzaam afwenden. Tot mijn dertiende bezocht ik met mijn ouders en zusje zeer regelmatig de r.k. kerk in Noord Deurningen. Een katholieke opvoeding dus, met heilige communie en al, en de bijbelverhalen die op school tijdens de godsdienstles werden verteld door de plaatselijke pastoor. Er waren ook praktische redenen om naar de kerk te gaan – net als mijn zusje zong ik in het kinderkoor, en zo vanaf mijn tiende speelde ik blokfluit en dwarsfluit tijdens missen en diensten. Meestal ging het om de eer, maar ik kan me herinneren dat ik ook wel eens een zakcentje kreeg toegestopt.

De kerk stond voor mij als jongmens vooral in het teken van musiceren, van het zingen, spelen et cetera. Ik moest iets praktisch doen, een werkje verrichten – kennelijk had ik toen al behoefte aan een alledaags alibi, dat het simpele maar ook onbegrijpelijke geloofsfeit minder schaamtevol moest maken, gewoner.

Toch springt er een gebeurtenis uit. Midden jaren zeventig werd mijn moeder gediagnosticeerd met kanker; zij lag lang in de ziekenhuizen van Oldenzaal en Enschede, en na een van de bezoekjes die ik haar bracht, fietste ik naar het r.k. kerkhof in Oldenzaal, waar ik ook naar de middelbare school ging. Ik pakte een steen en smeet die met grote overtuiging naar het vier meter hoge christusbeeld, dat in het middenpad onder de bomen stond opgesteld.

Dat ik pas ‘God’ kon zeggen na flink wat te hebben gedronken zegt iets over de moed die ik moest vinden

Ik wist toen al wel dat ik mijn naam (Stefan/Stephan) te danken had aan de Heilige Stefanus, de eerste christelijke martelaar die de stenigingsdood vond. Niet lang daarna heb ik mijn naam eigenhandig veranderd in Stephan: tel de letters, en met mijn achternaam zijn het er evenveel. Mijn theatrale daad was een blasfemische omkering van dat verhaal: ik was de steniger, ik bekogelde het christusbeeld en – bedacht ik achteraf – indirect ook mijn eigen naam. Er moet op dat moment toch meer geloof in mij gezeten hebben dan ik wist, gezien de felheid van mijn reactie.

Je kunt het een sluitstuk noemen van een gestage geloofsafval die met kracht werd afgerond.

Daarna was God voor mij niet definitief dood, maar het geloof wel ernstig beschadigd.

Het katholicisme is, zoals de naam al zegt, gelukkig zeer algemeen en universeel van aard (katholikos; Oud-Grieks) maar al pratend en mailend en discussiërend durven de kerkvrienden en ik het te verpersoonlijken. Op intieme maat te snijden – zonder dat het nu meteen onze ‘eigen maat’ wordt. Het geloof in een persoonlijke God en Godmens is toch weer anders dan een persoonlijk geloof in God. De persoonlijke God laat zich aanspreken, ook als de Aangesprokene zich niet laat kennen. Maar de spreker zelf, de bidder, moet wel bij zichzelf te rade gaan. Geloven is in die zin onpersoonlijk dat het vooral te maken heeft met opschorting van eigenbelang en ego. Maar zonder Ik, zonder introspectie, kan het geloof niet ontvangen worden. Eigen bevinding is het begin van God. Ik moet vaak ‘ik’ zeggen, om het Totaal Andere te erkennen.

Ergens in die niet-godvruchtige jaren tachtig las ik als student (en liefhebber) de boeken van Renate Rubinstein. Zij was ook niet gelovig, maar tegelijkertijd was ze zelf naar eigen zeggen ‘net als God, want dol op alle godsdiensten’. Zo haalt ze in de bundel over haar echtscheiding Niets te verliezen en toch bang de Amerikaanse dichter Paul Goodman (1911-1972) aan. ‘Hij [Goodman] heeft God uit de grond gestampt’, schrijft Rubinstein. ‘Hij gelooft niet in hem, maar hij behandelt hem met respect en zonder ironie, omdat hij zo iemand is en omdat hij hem zelf verzonnen heeft. Meteen is er iemand om tegen te praten en prompt is er een stroom van gedachten en een reden om oprecht te zijn. (…) “De naam van God is”, zegt Goodman, “Spoken-to” – een antwoord heeft hij nooit gehad.’ Als twintiger werd ik direct getroffen door dat ‘Spoken-to’.

Alles wat Renate Rubinstein te berde bracht in haar wekelijkse stukjes in Vrij Nederland was balsem voor mijn onrustige geest (zij zou mijn grote columnistenvoorbeeld worden, toen ik later zelf ging publiceren). Vooral Rubinsteins beschrijving van Goodmans behandeling van God ‘met respect en zonder ironie’ betrok ik op mijzelf. Want God zeggen, zonder ironie of zelfs regelrechte hoon, dat lukte me niet. Rubinstein zelf (‘ik ben net God’) had er kennelijk ook moeite mee.

Bovendien: God als ‘Spoken-to’, dat kende ik allang. Ik weet niet beter of ik steek lange monologen af tegen een onzichtbaar publiek, een onzichtbaar iemand, zodra ik even alleen in huis ben. In die studentenjaren was ik veel alleen in een klein, van de gemeente gehuurd flatje. Ik sprak tegen de keukentegels, ik sprak voor het gesloten raam met uitzicht op de toen nog verloederde Zeedijk. Ik sprak al mijn zorgen en onzekerheden uit, over anderen, over vrienden en geliefden en over mijzelf. Fantasieën, schrikbeelden, visioenen en vergezichten.

Het kwam niet in me op dat ‘bidden’ te noemen.

En buitenshuis behandelde ik God als een zeer vage kennis, over wie het aardig roddelen was, want in mijn kringen was laatdunkend spreken over God zo’n beetje etiquette. Dat tweesporenbeleid begon me naarmate ik ouder werd, veertig, vijftig, steeds meer te irriteren. Was ik nu weer bezig, net zoals ik als tiener had gedaan, een geheim kastje in elkaar te knutselen; toen nog voor mijn seksualiteit, zo’n kastje met slot, waarvan hooguit drie of vier mensen de sleutel kregen? Had ik als volwassen homo een nieuwe schaamte gevonden, de godschaamte, waar ik in het openbaar voor boog?

Die Goodman (zelf actief biseksueel, in de tijd dat zoiets banen, vrienden en opdrachten kostte) heeft me al vroeg bij de kladden gegrepen. Via het seksuele tot God. Het schaamtetraject had ik als middelbare scholier al eens afgelegd. Ik wilde dat als middelbare man niet nog eens herhalen.

Maar zo traag als ik in mijn jeugd van het geloof was afgegleden – met uitzondering van die markante steniging – zo langzaam gleed ik er na mijn vijftigste ook weer naartoe.

Dat ernaartoe glijden verbaasde mij. Nu ik erop terugkijk, weet ik dat ik er vol van was. Ik wilde twee dingen: 1. er niet over praten en 2. er vooral over praten. Dat niet praten was het gevolg van wat ik nu godschaamte noem, althans gedeeltelijk – viel ik niet door de mand nu ik mij als katholiek bekende, in mijn fijne, intellectueel-seculiere vrienden- en kennissenkring? Maar ik wilde ook wel over die wending speken, omdat mij een liefde was overkomen voor een man, die ik niet anders kon duiden dan als een religieuze ervaring.

Bovendien begon het mij te dagen dat ik het vrijmoedige katholieke geloof van mijn gestorven moeder kon voortzetten; kon ‘aannemen’ zogezegd, zoals ze mij als baby had aangenomen.

Als ik mij nu de denkoefening opleg: ‘Je doet het maar weer eens zonder God en gebed’, voel ik een groot verlies

Als geadopteerde, die fysiek niet op zijn ouders leek, was ik me er al vroeg van bewust dat hier welwillendheid in het spel moet zijn geweest: geen biologie, maar liefdevolle toegenegenheid. Het heeft me op latere leeftijd ontvankelijk gemaakt voor het gevonden en aangenomen worden in het algemeen.

Of, specifieker, de ‘aanname van het geloof’ lijkt in retrospectief een bewuste herhaling van hetgeen mij op zeer jonge leeftijd is overkomen, toen als levenslot.

Mijn ouders zijn me overkomen, net zoals dat bij zoveel andere mensen het geval is. Het enige verschil is dat onze ‘vader-moeder-kind-match’ net wat minder voor de hand lag. Er kwam aanname bij kijken; aannemen en aangenomen worden. Je struikelt over elkaar en loopt niet door, maar stopt en denkt: het valt precies goed. Mijn late wending naar het geloof was alsof ik die adoptie overdeed, nu als volwassen man.

Die eerste mis in 2016: ik was blij dat ik een kater had, ik was tevreden het ‘wereldse leven’ nog volop te voelen. En toch heb ik ook meegebeden – alleen de stukken tekst die ik ‘verantwoord’ vond, vooruit lezend in het blaadje dat me door een mevrouw was uitgereikt. Ik kende de liederen niet, maar ik kan noten lezen, dus ik zong mee – alleen, wederom als ik kon ‘instemmen’ met de tekst. En geknield heb ik ook, dat kostte geen moeite, en terwijl ik het deed, realiseerde ik me dat ik die houding gemist had. Wanneer knielt een mens gewoonlijk? Keukenkastjes schoonmakend? Dat doe ik eigenlijk nooit.

Die eerste keer naar de kerk was ik niet meteen vervuld of uit mijn alledaagse hengsels getild. De kapelaan van dienst Jim Schilder vond ik ingetogen preken en spreken. Ik zag veel zwarte mensen, gekleurde mensen. Ik meende wat homoseksuelen te herkennen. Ook dat was een geruststelling, omdat de rooms-katholieke leer zo’n lange traditie kent van afwijzing van, letterlijk, de homo-seksualiteit: nog steeds heet de seksuele praxis ‘zondig’ te zijn, al werd het mij al snel duidelijk dat in de Nicolaas-basiliek tal van homo’s en lesbo’s actief zijn als vrijwilliger. Voor een niet onbelangrijk deel drijft de kerk ook op hen.

De tweede keer meende ik in ieder geval niet verrast te worden door wat komen ging. En toen hoorde ik de voorbeden: ineens klonk er een stem die ik kende, een stem die ik wel eens had gesproken en geïnterviewd. Ik kon de voorbidder niet zien, want ik zat weer achteraan en mensen en pilaren ontnamen me het zicht. Maar het was de stem van Willem Jan Otten, de schrijver die ik toen kende: hij bad voor mensen die deinsden op de drempel van het geloof, en dat ze de moed mochten vinden verder te gaan.

Die korte voorbede, in een kerk vol vreemden, leek speciaal voor mij te zijn. Zo in het begin, en meteen al een wonder. Ik giechelde, zoals ik wel vaker deed als ik ‘God’ zei.

Lang heb ik het grote G-woord met een of twee flessen wijn moeten doorspoelen, het kwam er altijd licht aangeschoten uit, op late avonden, bij wijze van hypothese: ‘Stel nu eens, stel dat ik gelovig word.’ Sowieso is drankzucht lang een probleem voor me geweest, en dat verschilt niet eens zoveel van godszucht. Al vanaf jonge leeftijd weet ik dat ik ‘gevoelig’ ben voor alcohol, er zijn periodes geweest waarin ik het geheel uit mijn leven bande: daar werd ik gezond van en sportief maar niet per se gelukkig. De licht-extatische ervaring die wijn, veel wijn mij kan bezorgen is op het moment zaligmakend en achteraf bijna altijd zeer schaamtevol. Dat ik pas ‘God’ kon zeggen na flink wat te hebben gedronken zegt iets over de moed die ik moest vinden, de dronkenmansmoed om wat voor mij onbereikbaar was toch onder woorden te brengen. Ik moest de innerlijke censor misleiden. Die bewuste grensoverschrijding ging gepaard met een ‘giechel’ – het excuus vooraf van een dronken man.

Maar toen daar, in de kerk, tijdens de voorbede van Willem Jan Otten, hield ik alles binnensmonds. Het was geen ongemak dat me toen trof, het was de verwonderde giechel over het onwaarschijnlijke dat mij overkwam. Ik heb toen Willem Jan Otten niet meteen aangesproken, omdat het wonder alleen maar minder kon worden. Dacht ik.

Vier jaar later concludeer ik anders: het wonder kan ook groeien. Door de jaren is er met Willen Jan, met zijn vrouw Vonne van der Meer, met Ronald Klamer, Maarten Klok, Christel Grimbergen en met een paar andere kerkgangers een vriendschap opgebloeid die tijdens en na de mis beleden wordt. Eerst de eucharistie, Zijn Lichaam en Bloed. Daarna, prozaïsch, koffie en tosti’s in het koffiehuis, de zogenaamde hostietosti.

Het is het wonder van de nieuwe vriendschap op latere leeftijd. Het wonder van de vriendschap die gedragen wordt door een gezamenlijke zoektocht naar geloof. Dat is een intiem uitgangspunt, zo’n expeditie, die toch weer dieper reikt dan de gezamenlijke sportafspraak of de borrel in het café. Alleen al het vrijelijk kunnen spreken over God, over de eigen twijfels of de herwonnen geestdrift is een luxe, die ik me niet permitteer in gezelschappen waar God een mogelijke stoorzender is, met sociale kortsluiting tot gevolg. En omdat de mogelijkheid er is, hoef ik in het hostietostigroepje niet alleen over God en geloof te praten. Wie daar ook zijn wenkbrauw fronst, wie je er ook ongelovig of geschrokken aankijkt – het is niet vanwege je religieuze inspanningen. Van de weeromstuit opent zich ook de alledaagse en niet zo heilige ruimte van de pijnlijke anekdotes en de roddel.

Het godsvertrouwen is er inmiddels niet alleen in geïnspireerde periodes, maar overleefde ook de (niet-kerkse) covidtijd. Soms is dat vertrouwen groot, soms wankel, maar als ik mij nu de denkoefening opleg: ‘Je doet het maar weer eens zonder God, gebed, kerk en eucharistie’, voel ik vooral een groot verlies. Bij voorbaat.

Ik ben het inmiddels gewoon gaan vinden dat ik gelovig ben, mijn religieuze zelf is mij in de loop van de jaren vertrouwd geworden. Het nieuwe is eraf, de explosieve ontdekking van het verliefde, hernieuwde begin, en daarvoor in de plaats is een veel rustiger zelfbeeld gekomen. Ja, ik: etnisch gemengde afkomst, cisgender man, homoseksueel, 1,74 meter, academicus, schrijver en gelovig dus.


Dit is een voorpublicatie uit Stephan Sanders’ boek Godschaamte: Een eigentijdse expeditie op zoek naar God (Van Oorschot) dat nu in de winkel ligt