Argentijns antisemitisme

Knielen voor Hitler

Argentijnse joden reageren verontwaardigd als zij horen dat prinses Máxima en prins Willem-Alexander geloven dat vader Zorreguieta niets afwist van de wreedheden van zijn eigen junta. Joden moesten het in die dagen extra ontgelden.

Op een steenworp afstand van Once, de joodse wijk van Buenos Aires, ligt de Calle Uriburu. Daar woont sinds begin jaren zeventig de familie Zorreguieta. Op de zevende verdieping van een appartementencomplex, boven een drukbezochte supermarkt, groeide onze aanstaande koningin op. Het gebouw ligt in de Barrio Norte, een wijk voor de gegoede burgerij, direct naast de meer volkse joodse wijk. Vader en moeder Zorreguieta wonen er officieel nog steeds, hoewel ze naar verluidt veel in Nederland verblijven, dicht bij de kleinkinderen.
Tussen 1976 en 1983 scheurden groene Ford Falcons zonder nummerbord door de straten van Buenos Aires. Met deze auto’s haalden zwaarbewapende mannen - vaak met zwarte zonnebrillen of maskers - tegenstanders van het juntaregime op. Bovengemiddeld vaak bonsden deze paramilitaire gangs op de voordeur van joden.
De terreur vond plaats in opdracht van het regime waar Jorge Zorreguieta vanaf het begin deel van uitmaakte, eerst als staatssecretaris en later als minister van Landbouw. In 2001 schreef Michiel Baud, hoogleraar Latijns-Amerikaanse Studies aan de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van minister-president Kok het rapport over Zorreguieta in verband met het geplande prinselijk huwelijk. In het gedegen onderzoek komt de positie van de joden onder het juntabewind nauwelijks aan de orde. In de enkele zinnen die Baud eraan wijdt, benadrukt hij dat het militaire regime geen officiële antisemitische politiek voerde. Wel concludeert hij dat joden onevenredig zwaar werden getroffen door de repressie. Om vervolgens de kanttekening te maken dat dit vooral kwam door de oververtegenwoordiging van joden in beroepsgroepen waarop de junta het gemunt had. ‘Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar ik geloof niet dat er een systematische antisemitische onderdrukking was in de jaren van de militaire junta’, aldus Baud in zijn werkkamer aan de Keizersgracht. 'De systematiek zat in het onderdrukken van potentiële verzetshaarden, alles wat subversief was in de ogen van de militairen.’
Het lot van de joden is wel degelijk een belangrijk en veelzeggend aspect van de militaire dictatuur. Antisemitisme vormde een geïntegreerd onderdeel van het wereldbeeld van het juntabewind.
Aan een eettafel in de chique wijk Belgrano van Buenos Aires spreek ik Marcus Weinstein. Deze oudere man met witte snor is voorzitter van de vereniging van familieleden van joodse vermisten uit de juntajaren. In 1978 werd zijn achttienjarige zoon Mauricio ontvoerd en vermoord door de militairen. 'Op een doodgewone avond in 1978 dineerden twee echtparen bij ons. Mijn zoon Mauricio was naar avondcollege op de universiteit en zou overnachten in mijn kantoor in Once. Dat deed hij wel vaker, bijvoorbeeld als hij een meisje meenam. Mijn dochter sliep in de kamer naast ons’, vertelt de tachtigjarige Marcus, die nog steeds een bloeiende praktijk als psychotherapeut heeft. 'Rond elf uur werd plotseling op de deur van ons appartement gebonsd. Ik deed open en een groep mannen stormde met getrokken pistolen naar binnen.’
Alle aanwezigen werden tegen de muur gezet, ook het dochtertje dat daarvoor uit bed werd gehaald. De mannen - die beweerden van de politie te zijn - eisten dat Marcus hen naar zijn zoon bracht. Met een pistool tegen zijn hoofd werd hij een Ford Falcon in gesleept. Ze reden naar zijn kantoor. 'Toen we het appartement binnenkwamen, had ik niet de gelegenheid om mijn zoon ook maar een seconde in de ogen te kijken. Zo snel ging alles. Het laatste wat ik van hem zag, was hoe hij een auto in werd gesleept, vlak voordat ik zelf in een andere auto werd gegooid.’
Marcus weet dat zijn zoon terechtkwam in wat hij noemt een van de 340 foltercentra die Argentinië telde onder de junta. Dat waren geheime gevangenissen waar mensen onder militaire dwang bijeen werden gebracht en gemarteld. Het insluiten in de foltercentra gebeurde voor onbepaalde tijd zonder tussenkomst van een rechtbank en rechtshulp. Bovendien kregen de gevangenen - afgekeken van de nazi’s - een nummer en werden ze bewust ontdaan van hun naam. Marcus weet niet hoe zijn zoon aan zijn eind kwam. Een deel van de gevangenen in de foltercentra werd doodgeschoten en in een massagraf gegooid; in sommige centra werden speciale verbrandingsovens gemaakt, waarin de lijken werden verbrand. Duizenden anderen werden gedrogeerd vanuit vliegtuigen in de Rio de la Plata gegooid. Buenos Aires ligt aan de monding van deze rivier die uitkomt op de Atlantische Oceaan. In de beginperiode spoelden enkele lichamen aan bij de kust van het naburige Uruguay. Toen berichten daarover de bevolking bereikten en dreigden te zorgen voor maatschappelijke onrust, besloten de militairen voortaan de slachtoffers verder weg in de zee te gooien en hun buiken open te snijden vlak voordat ze uit het vliegtuig werden gegooid. Zo zonken ze sneller naar de bodem. 'We hopen heel erg dat zijn lichaam ooit wordt gevonden in een van de massagraven’, zegt Marcus, terwijl hij me strak in de ogen kijkt.
De psychotherapeut weet zeker dat de joodse achtergrond een belangrijke rol speelde bij de ontvoering van zijn zoon en andere joodse vermisten: 'Dat blijkt uit de feiten.’ Hij wijst daarbij allereerst op de duizend joden onder de negenduizend dodelijke slachtoffers uit de Vuile Oorlog die bij naam bekend zijn. Mensenrechtenorganisaties schatten dat drieduizend van de in totaal dertigduizend slachtoffers joods waren, tien procent dus. Dat is meer dan tien keer zo hoog als de 0,8 procent die joden toen uitmaakten van de totale bevolking.

Onder subversiviteit viel volgens het conservatieve anti-intellectuele wereldbeeld van de junta alle inspanning voor zwakke groepen in de samenleving. Strijd voor vrouwenrechten ondermijnde het gezin en het geloof in het onderbewuste (in de psychologie) ondermijnde het christendom. Het waren allemaal terreinen waarop van oudsher relatief veel joden actief waren. Het is echter geen volledige verklaring voor het hoge percentage aan joden onder de vermisten, benadrukt Edy Kaufman in zijn onderzoek. Hij is hoogleraar politicologie en mensenrechten aan de Universiteit van Maryland en eerder aan de Hebrew University in Jeruzalem. Voor Amnesty International deed hij onderzoek naar mensenrechtenschendingen tijdens het juntaregime. Uit zijn onderzoek blijkt dat psychiaters, sociaal werkers en universitair docenten - voorbeelden van beroepen waar de militaire junta flink toesloeg - met een joodse achtergrond gemiddeld vaker werden opgepakt dan hun niet-joodse collega’s. Een joodse vakbondsman was in de ogen van de junta sneller verdacht dan een niet-joodse vakbondsman.
Veelzeggend zijn de stapels pamfletten die een joodse gevangene in 1980 in een geheim detentiecentrum vond op het bureau van een hoge militair, klaar om te worden verspreid onder zijn soldaten. Op het pamflet staat een getekend diagram met als titel 'de subversiviteit’, dat het wereldbeeld van de Argentijnse militair illustreert. De subversiviteit wordt getekend als een boom, waarvan de wortels 'het zionisme’ zijn. Daaruit groeien takken die staan voor alles wat verwerpelijk is, zoals socialisme maar ook homoseksualiteit, vakbonden, mensenrechtenorganisaties, het liberale christendom en de kunst. In het licht van dit verknipte wereldbeeld is het niet verbazingwekkend dat de geheime diensten een gedetailleerd archief aanlegden met informatie over joodse individuen, joodse instellingen en winkels met joodse eigenaren, verkregen door langdurige foltering van joodse gevangenen.
'Mensen werden niet gearresteerd alléén omdat ze joods waren, maar het was wel een belangrijke bijkomende reden’, benadrukt Marcus. Hoe belangrijk die 'bijkomende reden’ soms was, blijkt uit een minutieus gedocumenteerde zaak uit de juntajaren waarbij veiligheidstroepen een middelbare school binnenvielen. De militairen hadden geen specifieke lijst met verdachten en arresteerden vervolgens alleen scholieren met joodse namen, die ze op een lijst van de schooladministratie vonden.
Ook op een ander belangrijk punt hadden joden onder de militaire junta een andere positie dan mensen zonder joodse achtergrond. In 1983 stelde president Raúl Alfonsín de Nationale Commissie betreffende de Verdwijning van Personen (Conadep) in. Deze commissie documenteert onder meer de verdwijning van negenduizend personen en concludeerde in haar rapport uit 1984 dat in de geheime detentiecentra van de militaire junta sprake was van systematisch antisemitisme. Joden werden harder en meedogenlozer aangepakt dan andere gevangenen.
Hetzelfde wordt sindsdien bevestigd in uitspraken van Argentijnse rechtbanken en rapporten van lokale en internationale mensenrechtencommissies. Een overzicht van deze uitspraken en rapporten is te vinden in een dik rapport uit 2007 over dit onderwerp. Dat is in samenwerking met het Argentijnse ministerie van Justitie vervaardigd door de joodse organisatie Delegación de Asociaciones Israelitas Argentinas (Daia), die onder meer strijdt tegen antisemitisme. Joodse overlevenden getuigen daarin over martelkamers met hakenkruizen en portretten van Hitler aan de muur. Tijdens het martelen van joden werden toespraken van Hitler afgespeeld en klonken nazi-liederen, zoals het Horst Wessel Lied. Zowel joden als niet-joden werden vaak gemarteld door het toedienen van stroomstoten op ledematen en genitaliën. Bij joden werd dit echter langer en intensiever gedaan, luidt de conclusie. Ook werden op hun lichamen geregeld swastika’s gekrast of geschilderd. Ondervragers wilden alles weten van het 'zionistisch complot’ om Argentinië over te nemen. Er zijn ook verschillende getuigenissen over joden die gedwongen moesten knielen voor foto’s van Hitler en Mussolini voordat ze werden 'overgeplaatst’. Joodse vrouwen werden vaker en gruwelijker dan andere vrouwen verkracht. Tijdens zijn getuigenverklaring tegenover de Conadep-commissie verklaarde een overlevende dat een favoriete martelmethode voor joden 'de retroscoop’ was. Daarbij werd een buis in de anus van het slachtoffer ingebracht, of bij de vrouw in de vagina. Vervolgens werd een rat in de pijp gelaten, die zich een weg naar buiten probeerde te vreten via de ingewanden van het slachtoffer.

Alejandra Naftal, een 48-jarige museologe, woont tegenwoordig in een chique wijk van Buenos Aires. In 1978 zat zij als jonge studente acht maanden gevangen in geheime foltercentra en in de gevangenis. Ik spreek Alejandra in haar artistiek ingerichte, ruime woonkamer. Aan alle wanden hangt tot aan het hoge plafond moderne kunst, onder meer van haar ex-man. Alejandra is een sierlijke, lange verschijning met rossige krullen. Ze woont hier samen met haar tienerdochter. Uitgebreid vertelt ze over de speciale behandeling die haar ten deel viel in de foltercentra en het antisemitisme waarmee ze werd geconfronteerd. Als eerste kwam ze terecht in het illegale detentiecentrum El Vesuvio, dat onder toezicht stond van het leger. 'Op de wand van mijn cel zat plastic, het type dat ook wordt gebruikt om breekbare spullen in te pakken. Dat spul zal ik nooit vergeten. De gevangenisbewaarders brandden me op mijn lichaam met een sigaret, waarna ze in dat plastic met dezelfde sigaret een hakenkruis brandden’, zegt Alejandra terwijl ze in de lucht het uitdrukken van de sigaret nadoet. 'Ze scholden me doorlopend uit voor joodse bitch en vuile jodin en schreeuwden dat Hitler ons allemaal had moeten afmaken. Wij zullen niet dezelfde fout maken en geen van jullie in leven laten, beloofden ze ons. Deze mannen waren er trots op om zichzelf nazi te noemen.’
De gevangenen spraken onderling over de martelsessies en ontdekten dat joden een speciale behandeling kregen, vertelt Alejandra: 'Het had er vooral mee te maken dat ze ons met nóg meer sadisme martelden. Ik kan niet op alles ingaan wat ze deden, maar het zijn dingen die ik mijn ergste vijand nog niet toewens. In ieder geval maakten ze voordat ze begonnen met een martelsessie eerst altijd mijn handen en voeten goed vast. Terwijl ik over mijn hele lichaam stroomstoten kreeg, werden me vragen gesteld. Ze wilden steeds opnieuw alles weten over joodse organisaties, bijvoorbeeld de Sociedad Hebraica. Waar sloegen deze organisaties hun wapens op, vroegen ze. Daar wist ik helemaal niets over. Ze hadden het ook vaak over de Protocollen van de Wijzen van Zion. Ik schreeuwde uit dat ik inderdaad joods was maar vooral ook Argentijns.’ Alejandra zwijgt even en vervolgt dan: 'Het enige wat je op dat moment wil is dat het martelen stopt, verder helemaal niets.’

Het antisemitisme in de juntajaren kwam niet uit de lucht vallen. Er ging een lange geschiedenis van antisemitisme in Argentinië aan vooraf. In verschillende eerdere perioden kwam het antisemitisme tot een kookpunt, bijvoorbeeld tijdens de zogenoemde Semanica Tragica in januari 1919, een week van uiterst gewelddadige botsingen tussen linkse en rechtse groeperingen in het land, die volgde op een grote staking in een fabriek. Autoriteiten wezen in die week joden aan als belangrijke zondebok; ze zouden een communistische revolutie op het oog hebben. In samenwerking met leger en politie vond een pogrom plaats in joodse wijken van verscheidene steden, waarbij doden en gewonden vielen en vrouwen werden verkracht.
Tussen 1933 en 1945 groeide Buenos Aires uit tot een centrum van internationale verspreiding van antisemitische lectuur. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden - onder invloed van pro-nazistische en nationalistische groepen - Jiddische kranten tijdelijk verboden, evenals koosjer slachten. In 1960 begon een periode van antisemitische volkswoede in Argentinië, die eraan bijdroeg dat veel joden besloten het land te verlaten. In dat jaar werd Adolf Eichmann vanuit Buenos Aires ontvoerd naar Israël. De regering van Argentinië was woest en eiste dat Israël deze 'politieke vluchteling’ direct terugvloog. Er ontstond een langdurige anti-joodse sfeer in de samenleving, waarbij publiekelijk de vraag werd gesteld of joden wel thuishoorden in Argentinië. Na de executie van Eichmann in 1962 was de volkswoede zo mogelijk nog groter. Zowel individuele joden als joodse instellingen kregen te maken met een golf van bedreigingen, vernielingen en persoonlijk geweld. De in Argentinië zeer invloedrijke katholieke kerk speelde in deze periode een belangrijke rol. Cruciaal was dat openlijk antisemitische priesters niet werden gesanctioneerd door bisschoppen.
Duizenden joodse intellectuelen vluchtten tijdens de juntajaren naar Mexico, Spanje, Israël en de Verenigde Staten, vaak om nooit meer terug te keren. In totaal vluchtten driehonderdduizend Argentijnen naar het buitenland.
Argentinië was in de jaren zeventig en tachtig niet het enige land in Latijns-Amerika met een rechts-dictatoriaal regime. Ook in Brazilië, Uruguay en Chili bestempelde de regering tegenstanders als 'subversief’ en martelde hen en zond hen de dood in, maar in minder grote aantallen. Volgens hoogleraar joodse studies Judith Laikin Elkin aan de Universiteit van Michigan kende alleen Argentinië een zo duidelijk en openlijk door het nazisme geïnspireerd antisemitisch element in de repressie.
Nog tijdens het bewind van de militaire dictatuur kwamen er berichten over het lot van de joden onder de junta in de internationale pers. Allereerst was er vanaf 1977 wereldwijde aandacht voor de zaak van de bekendste journalist van Argentinië: Jacobo Timerman. Dertig maanden zat Timerman gevangen, waarbij hij zware martelingen onderging. Berichten daarover bereikten het buitenland. In dezelfde periode verschenen verschillende onderzoeksrapporten uit de Verenigde Staten en Israël over het lot van de joden in Argentinië. Onder grote internationale druk - van onder anderen de Amerikaanse president Carter - liet de militaire junta Timerman in september 1979 vrij, waarbij hij wel het land uit moest en zijn Argentijnse staatsburgerschap werd afgenomen. In 1981 verscheen zijn boek Gevangene zonder naam, cel zonder nummer, waarin hij gedetailleerd de op joden gerichte martelmethodes beschreef. Ook tekende hij de uitlatingen van de militairen op waaruit blijkt dat joden een specifiek doelwit van de militaire junta waren. Het boek zorgde voor veel internationale aandacht en Timerman kreeg diverse journalistieke prijzen en onderscheidingen. Zijn boek werd door The New York Times geplaatst op de lijst van de belangrijkste boeken van de twintigste eeuw.
Een veelzeggende gebeurtenis in de zaak-Timerman is de persconferentie die het machtige hoofd van de politie in Buenos Aires, generaal Ramón Camps, kort na diens vrijlating belegde. De verzamelde internationale pers was aanwezig. Camps toonde zich woest over de vrijlating, die hij zag als een verwerpelijke kniebuiging aan de internationale gemeenschap. Hij was persoonlijk aanwezig geweest bij het martelen van de journalist. Op de persconferentie speelde de generaal banden af waarop hij zelf Timerman verhoort om te bewijzen dat die een 'zionist’ was die de vernietiging van Argentinië nastreefde. 'Geeft u toe dat u een jood bent?’ vraagt Camps. 'Nou… ja’, fluistert Timerman angstig. 'Dan bent u een zionist!’ schreeuwt Camps. 'Nou, ik weet het niet, misschien’, zegt Timerman. Camps stopte de band en riep triomfantelijk tot de verbijsterde buitenlandse journalisten: 'Kijk, hij geeft toe dat hij een zionist is.’
Dat sprake was van antisemitisme tot op het hoogste niveau blijkt enkele jaren later in 1983 als een topambtenaar van de Amerikaanse president Carter rapporteert over een bijeenkomst met generaal Videla en andere hoge juntafunctionarissen. De militairen erkenden dat 'repressieve activiteiten van het leger’ waren gericht tegen het 'joods-marxistisch complot’. Hoge functionarissen verklaarden dat de 'Israëlieten’ hier onderdeel van waren en met hun troepen Argentinië wilden aanvallen.
De leden van de militaire junta vonden dat zij - en de Argentijnse samenleving - met de rug tegen de muur stonden tegenover het oncontroleerbare geweld van een internationale revolutionaire beweging. Daarom was het zorgvuldig uitgedachte 'Proces van Nationale Reorganisatie’ nodig. De leden van de junta vonden dat ze in hun strijd 'Voor God en Vaderland’ niet alleen Argentinië maar de hele wereld een dienst bewezen. Toen wereldwijde kritiek klonk op het militaire bewind en op de mensenrechtenschendingen voelden zij diepe verontwaardiging over deze ondankbaarheid.

De machtsgreep door de militaire junta volgde na jaren van grote politieke en maatschappelijke turbulentie. In 1973 keerde Juan Perón terug uit Spaanse ballingschap. Hij was tussen 1946 en 1955 president geweest en gold als een openlijk bewonderaar van het fascisme en nazisme, van Mussolini in het bijzonder. Tegelijkertijd presenteerde hij zich, vooral met hulp van zijn charismatische vrouw Evita (die in 1952 overleed), als een man voor de gewone arbeider. In ballingschap groeide Perón uit tot een volksheld, met aanhangers onder zowel het rechtse als het linkse volksdeel. In de jaren zeventig voelden sommige linkse jongeren zich ook aangesproken door Peróns steunbetuigingen aan landgenoot Ernesto 'Che’ Guevara en de ontluikende Argentijnse guerrillabewegingen.
De terugkeer van de inmiddels hertrouwde Perón draaide uit op een grote teleurstelling. In 1974 werd hij president, maar hij overleed al binnen een jaar en liet een chaos achter. Tijdens het regime van zijn weduwe Isabel Perón werd de strijd tegen alles wat 'subversief’ was geïntensiveerd. Onder invloed van haar adviseur José Lopez Riga werd antisemitisme een middel van terreur. Riga was ook de bedenker van een geheime moordbrigade, de Triple A (Argentijnse Anticommunistische Alliantie), die tussen 1973 en 1976 vele duizenden 'subversieven’ vermoordde en ontvoerde, allemaal onder het toeziend oog van de politie. Daarbij waren joodse instellingen en personen expliciet doelwit. In Buenos Aires werd antisemitische lectuur gratis uitgedeeld aan voetgangers op drukke winkelstraten. Sommige folders riepen zelfs op tot pogroms met de slogan: 'Red het vaderland, dood een jood.’ De draaikolk van geweld en terreur begon dus al jaren voordat de militaire junta in 1976 de macht greep.
Joodse jongeren waren bovengemiddeld vertegenwoordigd in studentenvakbonden en maatschappelijk geëngageerde organisaties, maar ook in de linkse guerrillabewegingen. Zij waren kleinkinderen van immigranten, veelal afkomstig uit welgestelde families. 'Wij waren vervreemd van eerdere generaties. We zetten ons af tegen onze ouders, die vooral graag zagen dat we dokter of advocaat werden’, vertelt museologe Alejandra Naftal. Als coördinatrice van het orale archief van de non-gouvernementele organisatie Memoria Abierta (Open Herinnering) verzamelt zij getuigenissen van slachtoffers uit de juntaperiode en doet onderzoek naar de drijfveren van extreem-linkse jongeren. 'Voorgaande generaties trouwden joods, hadden joodse vrienden en leefden in een joodse omgeving. Wij wilden vooral Argentijns worden door onderdeel te worden van de Argentijnse revolutie. Het waren de tijden dat je deel wilde worden van de opwindende strijd van figuren als Che Guevera, de tijd van de Vietnamoorlog. Het is lastig om uit te leggen aan een buitenstaander, maar het was onze manier om te assimileren.’
In 1977 stopte Alejandra met haar activiteiten voor een linkse studentenvakbond: 'Daarmee dacht ik mezelf in veiligheid te hebben gebracht. Een tijdje leidde ik een rustig leventje. Ik ging naar school, had relaties en wilde dokter worden. Het is anders gelopen. De militaire junta bleek me helemaal niet te zijn vergeten.’ In totaal verbleef Alejandra vijf maanden in twee illegale detentiecentra. Daarna kwam ze in een reguliere gevangenis en werd ze voor het eerst officieel aangeklaagd, namelijk voor 'het deelnemen aan een verboden organisatie’. In die periode deed een Amerikaanse mensenrechtencommissie onderzoek naar de behandeling van gevangenen. De junta wilde de indruk wekken dat er sprake was van een eerlijk rechtssysteem en bracht een geselecteerd aantal gevangenen, onder wie Alejandra, voor de rechter. In december 1978 werd ze wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten.

De scherpe tegenstellingen binnen de Argentijnse samenleving blijken ook dwars door de joodse gemeenschap te lopen. De belangrijkste tegenstelling bestaat tussen joodse leiders en familieleden van vermisten. Slachtoffers van het juntabewind, onder wie Alejandra, vinden dat joodse organisaties hen in de periode tussen 1976 en 1983 in de steek lieten. Daarbij gaat het vooral om de koepelorganisatie van de joodse instellingen, de Asociación Mutual Israelita Argentina (Amia) en de Delegación de Asociaciones Israelitas Argentinas (Daia), de politieke arm van Amia. Jacobo Timerman noemde de joodse leiders in Argentinië zelfs medeplichtig aan de mensenrechtenschendingen. In 1981 schrijft hij: 'Ik was niet vernederd door martelingen, door elektrische schokken op mijn genitaliën, maar ik was diep vernederd door de stille medeplichtigheid van joodse leiders.’ Een van de belangrijke doelen bij de oprichting van Daia in 1936 was de bestrijding van antisemitisme en de belangenbehartiging van joden in Argentinië. De leiding zwijgt tijdens de juntajaren niet alleen over antisemitisme en misdaden tegen joden, maar ontmoedigt anderen ook om hierover te publiceren, beschrijft Timerman.
Timerman was hoofdredacteur van La Opinion, de enige kritische krant onder de junta tot de gedwongen sluiting in 1977. De krant gaf een overzicht van antisemitische daden en bestempelde de junta openlijk als een 'antisemitisch bewind’. In zijn boek beschrijft Timerman hoe Daia-president Nehemias Resnitzky hem op een keer uitlegde dat dat onverstandig was, het zou zorgen voor botsingen met hoge figuren in het leger. Beter was het om slechts af en toe te protesteren en verder te zwijgen. Met deze houding stond Resnitzky niet alleen. Een deel van de welgestelde joodse Argentijnen die tot het establishment behoorden, wilde vooral de eigen veiligheid waarborgen. Zij stonden - zeker aanvankelijk - geregeld ook positief tegenover het juntaregime. Over joden die zijn opgepakt werd gezegd dat er 'vast wat mee aan de hand was’.
'Het was een ingewikkelde situatie’, zegt Marisa Braylan, de Daia-medewerker die het onderzoek leidde en mensenrechten doceert aan de Universiteit van Buenos Aires. Ze herinnert zich de juntajaren als kind nog goed: 'Vergeet bijvoorbeeld niet dat juist ten tijde van de junta het joodse leven enorm floreerde. De joodse lessen en sportscholen zaten in die tijd overvol.’ Een belangrijke verklaring daarvoor is, aldus Marisa, dat ouders hun kinderen graag actief zagen in joodse organisaties zodat ze geen tijd hadden om zich bezig te houden met voor de junta verdachte activiteiten.

Inmiddels is de periode van de militaire dictatuur bijna twintig jaar geleden. Vrijwel niemand in de Argentijnse samenleving durft nog te ontkennen wat er toen aan gruwelijkheden heeft plaatsgevonden, zegt de vijftigjarige onderzoeksjournaliste Miriam Lewin. Ze maakt documentaires voor televisie, onder meer over de juntajaren, en heeft een eigen radioprogramma. 'Tijdens de eerste jaren van de democratie, begin jaren tachtig, waren er nog wel mensen die openlijk beweerden dat het niet waar was dat zoveel mensen waren vermoord, dat het er hoogstens een paar duizend waren’, vertelt ze voor de tv-studio van de commerciële zender Kanaal 13. 'De meeste vermisten zaten zogenaamd op een lange vakantie in Italië of België.’ Zelf werd Miriam als negentienjarige studente op straat ontvoerd en werd ze gemarteld, onder meer in het detentiecentrum op het militaire complex van de technische marineschool (Esma) in de hoofdstad. In dit kamp stierven bijna vijfduizend gevangenen. Miriam is één van de slechts 150 overlevenden. Net als Alejandra Naftal was ze actief bij de linkse, peronistische studentenvakbond. In de jaren tachtig trokken rechtszaken tegen leden van de militaire junta nog veel publieke aandacht, schetst de kleine, roodharige Miriam: 'Eerst vochten we als journalisten tegen de ontkenning. Daarna drong tot mensen door wat er was gebeurd. Vervolgens raakten de Argentijnen langzaam gewend aan de gruwelijke verhalen. Tegenwoordig is onze belangrijkste vijand de onverschilligheid. Vooral jongere generaties zeggen wel eens dat het gaat over iets van voor hun tijd.’
Sommige Argentijnen stellen dat het geweld van de junta noodzakelijk was om de guerrilla’s te verslaan. 'Mijn antwoord is dan altijd dat je erop moet kunnen vertrouwen dat de staat jou als burger beschermt. De staat mag je voor twintig jaar de gevangenis in sturen als je een misdaad hebt begaan, maar mag je niet met een opengesneden buik uit een vliegtuig gooien. Ze mogen niet je baby afnemen, of je moeder martelen om uit te vinden waar jij bent. Als de staat misdaden begaat tegen de eigen burgers heeft dat onvergelijkbaar grotere gevolgen voor de samenleving dan wanneer een burger dat doet.’
De woorden van Miriam en andere slachtoffers van de militaire junta maken duidelijk dat er mensen verantwoordelijk zijn voor wat tussen 1976 en 1983 is gebeurd. De daders waren geen abstracte entiteit. Ze ademden, knipperden met hun ogen en hadden hoog in het vliegtuig een mes in hun handen. Aan wal zaten de feitelijke opdrachtgevers, de politiek verantwoordelijken. Als lid van de militaire junta was dat ook landbouwminister Jorge Zorreguieta.
Als ik vertelde dat ik uit Nederland kwam, begonnen mensen vaak uit zichzelf over Máxima en haar vader. In de Nederlandse media klonk in de periode rond het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima het geluid dat vrijwel niemand in Argentinië zich druk maakt over de burgers in het militaire juntaregime. Die analyse blijkt in ieder geval niet te kloppen voor de Argentijnse joden die ik spreek. Als ik vertel dat Máxima en Willem-Alexander in een televisie-interview hebben verklaard dat zij Jorge Zorreguieta geloven als hij zegt dat hij als staatssecretaris en minister nooit iets wist van de mensenrechtenschendingen, reageren de meeste mensen met grote verontwaardiging.
'Er is geen twijfel over mogelijk dat Jorge Zorreguieta op de hoogte was van de moorden en martelingen en van de wijze waarop mensen werden vermoord’, aldus Miriam Lewin. 'Máxima heeft gestudeerd aan de universiteit. Ik neem aan dat ze veel heeft gelezen. Ik kan me goed voorstellen dat het moeilijk voor haar is om te aanvaarden dat haar vader medeplichtig is aan dertigduizend moorden, begaan door een terroristische staat. Maar het is wel de waarheid: haar vader is een massamoordenaar.’
Vrijwel iedereen die ik spreek, vindt het standpunt van het prinselijk echtpaar onverdedigbaar. De meest milde reactie komt nog van Rosa Rosenblit, vice-voorzitter van Abuelas, de organisatie van grootmoeders wier kleinkinderen als baby’s werden geroofd en aan kinderloos militair personeel en hun vrienden 'gegeven’. 'Ach, het is haar vader. Natuurlijk kan Máxima hem niet afvallen’, zegt Rosenblit, die vertelt dat ze zelf onlangs een 'zeer prettige ontmoeting’ had met Máxima, die toen 'veel intelligente vragen’ stelde over de geroofde baby’s. Vader Zorreguieta kwam niet aan de orde tijdens dat gesprek. 'Ik voelde niet de behoefte om daarover te beginnen’, zegt de dwaze grootmoeder.
Marcus Weinstein komt tot een korte analyse van Máxima. 'Blijkbaar is ze niet iemand die zichzelf vragen stelt over de werkelijkheid waarin ze leeft. De samenleving waaruit ze voortkomt is in ieder geval wel van standpunt veranderd’, zegt hij op de rustige toon van een psychotherapeut. 'De Nederlandse samenleving moet afdwingen dat ze vertelt wat ze werkelijk denkt. Als haar antwoorden blijk geven van een nazistische of fascistische invloed kan ik me heel goed voorstellen dat veel Nederlanders daar een groot probleem mee hebben.’ Weinstein weet ook wat hij zelf tegen Máxima zou zeggen, mocht hij haar ooit ontmoeten: 'Misschien geloofde je de woorden van je vader toen je kind of een tiener was. Maar in de jaren die volgden heeft de wereld je andere waarheden en andere standpunten getoond en zelfs toegeschreeuwd. Als je ervoor kiest om de deur dicht te gooien voor die beelden en stemmen vertoon je kwaadaardig gedrag.’
Vermoedelijk hebben de meeste Nederlanders weinig belangstelling voor die kritische woorden. Máxima is inmiddels het populairste lid van ons koningshuis. De overheersende gedachte is dat het hoofdstuk over haar vader gesloten is door zijn afwezigheid tijdens het prinselijk huwelijk. Toch zou het goed zijn wanneer zowel Máxima als Willem-Alexander de woorden van deze joodse Argentijnen ter harte neemt. In de toekomst zullen zij als koning en koningin officiële bezoeken afleggen aan synagogen en - zoals ze nu ook al doen - joodse prominenten ontmoeten. Op 4 mei vormen zij ons ultieme vrijheidssymbool. In die rol behoren Máxima en Willem-Alexander de grootst mogelijke afstand te nemen van een fascistoïde regime met antisemitische afdronk.

Dit artikel is een ingekorte en licht gewijzigde voorpublicatie van het hoofdstuk over Argentinië uit het boek Altijd mazzel: Een wereldreis langs joodse gemeenschappen, dat volgende week zal verschijnen bij uitgeverij Boom (388 blz., € 19,50)