Knijpkonterigheid

Zowel Jaap van der Merwe (1924-1989) als Henk van Gelder (1945-) begonnen hun journalistieke carriere op de redactie van Het Vrije Volk. Van der Merwe werd cabaretier. Van Gelder werd ‘s lands beste kleinkunstspecialist. Daar moest dus een boek van komen.

Het heet De vriendelijkste kerel van de wereld (Nijgh & Van Ditmar, 1994), een titel die ironisch bedoeld moet zijn, want de kleinkunstenaar was niet zozeer vriendelijk alswel lastig, wat voor een institutionele dwarsligger trouwens geen slechte eigenschap is.
Van der Merwe liet inderdaad graag het oproer kraaien. Het woord was voor hem een wapen ter verweer, waarbij hij zich hoogstpersoonlijk op de gitaar begeleidde, een moedige daad voor iemand die matig zong en gebrekkig acteerde.
Behalve in het schemerduister van kleine zaaltjes met weinig publiek en onwelwillende recensenten bewoog Van der Merwe zich bovenal in het Gooi, waar hij zowel werd gewaardeerd als op weerstand stuitte. De Vara verbood zijn ‘veel te eenzijdige’ chanson Scherven voor Vietnam. De NCRV schrapte een cabaretekse kwinkslag over Joseph Luns. De Avro verbood het lied Lege buik, waarin het Amerikaanse imperialisme de schuld kreeg van de honger in de derde wereld.
Zo is Van Gelders biografische schets tevens een portret geworden van de toenmalige 'knijpkonterigheid’ (de term is van Van der Merwe) in het Gooi en wijde omgeving.
Een spectaculair geval van betutteling heb ik gemist. Het betrof Heinrich Heines gedicht Die schlesischen Weber, dat ik voor het gemak van de eigentijdse lezer maar even heb vertaald: Schril tandgeknars tekent hun duister bestaan. Zij weven en weven, maar storten geen traan. Duitsland, wij weven uw lijkgewaad - en spinnen daarin een drievoudig kwaad! Wij weven! Wij weven!
Een vloek tot de God tot wie wij hebben gebeden, voor wie wij in de winterse kou hebben geleden. Wij hoopten - vergeefs - op Zijn mededogen, maar Hij heeft ons voor gek gezet en bedrogen. Wij weven! Wij weven!
Een vloek voor de Koning, symbool voor de bende, die verantwoordelijk is voor al onze ellende, de man die ons plunderde, die ons onteerde - en menigeen onzer honds executeerde. Wij weven! Wij weven! Een vloek voor het verachtelijke vaderland, onzalige broedplaats van smaad en van schand, waar de bloem voor zijn tijd in de knop is gebroken, en waar slechts rotting en lijkenlucht worden geroken. Wij weven! Wij weven!
Het weefgetouw steunt, het raderwerk zoemt. Wij weven, des daags en des nachts, als verdoemd. Duitsland, wij weven uw lijkgewaad - en spinnen daarin een drievoudig kwaad! Wij weven! Wij weven!
Het gedicht werd voor het eerst op 10 juli 1844 gepubliceerd in het Parijse blad Vorwarts. In 1970 werd Van der Merwes op deze tekst gebaseerde cabaretversie door de Avro verboden omdat de inhoud 'te provocerend’ zou zijn. Honderdzesentwintig jaar na dato, wat mij een compliment lijkt, zowel voor de dichter als zijn herontdekker.
Van Gelder heeft het blijkbaar niet geweten, anders had ik deze groteske proeve van censuur ongetwijfeld in zijn boek teruggevonden. Ja, een mens kan ook niet alles weten.
Aanbevolen voor de tweede druk, die de voortreffelijke biograaf van dit allervoortreffelijkste boek van harte is gegund.